Rb. Rotterdam 14 april 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BQ1298

Verweerder heeft terecht geoordeeld dat voor het onderbrengen van de oud-Orange- en T-Mobilevergunningen bij T-Mobile Netherlands B.V. geen toestemming als bedoeld in artikel 3.8 van de Tw had moeten worden verleend. Voorts heeft verweerder niet ten onrechte geweigerd de voormalige Orange combinatie en UMTS vergunning van T-Mobile in te trekken. Evenzeer heeft verweerder op goede gronden aan T-Mobile een last onder dwangsom opgelegd omdat zij niet aan de uitrolverplichting voldeed. Het beroep van T-Mobile tegen de invorderingsbeschikking heeft de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard omdat de (doorlopende) overtreding voor 1 juli 2009 is aangevangen, zodat op grond van artikel IV van de Vierde Tranche van de Awb het recht van voor 1 juli 2009 van toepassing is. Daarnaast heeft verweerder op goede gronden het verzoek van T-Mobile om goedkeuring voor een spectrumruil UMTS frequenties van kavel C en D op grond van artikel 17, aanhef en onder a, van het Frequentiebesluit, afgewezen. Het bezwaar van Vodafone tegen de wijziging tenaamstelling is ten onrechte door verweerder niet-ontvankelijk verklaard. Vodafone heeft evenwel geen weigeringsgronden aangevoerd als bedoeld in artikel 2.2 van de Tw, zodat de rechtbank zelf in de zaak voorziet en het bezwaar alsnog ongegrond verklaard. Tot slot deelt de rechtbank niet het standpunt van Vodafone dat de intrekking van (artikel 7 van) de Regeling aanvraag niet als een algemeen verbindend voorschrift kan worden aangemerkt. Verweerder heeft het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen