Art. 16 Fb, De vergunning
1. De aan een vergunning te verbinden voorschriften en beperkingen kunnen slechts betrekking hebben op:
a. het doelmatig gebruik van de toegewezen frequentieruimte;
b. de aard van de radiozendapparaten en de daarbij behorende antenne-inrichtingen alsmede het vermogen waarmee mag worden uitgezonden;
c. bescheiden die de vergunninghouder ter beschikking moet houden;
d. verplichtingen die voortvloeien uit de toezeggingen die de vergunninghouder in het kader van een veiling of een vergelijkende toets heeft gedaan, ook indien slechts één aanvrager aan de bij of krachtens de wet gestelde eisen voldoet;
e. het veroorzaken van belemmeringen in radiozend- of ontvangapparaten of in elektrische of elektronische inrichtingen door het gewenste signaal van een radiozendapparaat;
f. het waarborgen van de in artikel 6, derde lid, bedoelde belangen;
g. de diensten die moeten worden aangeboden, het soort elektronisch communicatienetwerk dat moet worden aangeboden of de technologie die moet worden gebruikt;
h. de naleving van verdragen of besluiten van een volkenrechtelijke organisatie aangaande het gebruik van frequentieruimte;
i. de identificatie van het zendapparaat door middel van een daartoe bij de vergunningverlening toe te kennen combinatie van letters of cijfers.
2. De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde voorschriften en beperkingen kunnen onder meer betrekking hebben op de termijn waarop en het geografisch gebied waarbinnen de in het eerste lid, onderdeel g, bedoelde diensten moeten worden aangeboden.
3. Indien samenwerking tussen vergunninghouders noodzakelijk is om gewijzigde of nieuw toegekende frequentieruimte in gebruik te kunnen nemen met behoud van continuïteit van dienstverlening, kunnen de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde voorschriften en beperkingen onder meer bestaan uit een verplichting voor deze vergunninghouders om binnen een bepaalde termijn een overeenkomst te sluiten over deze samenwerking.
4. Onze Minister kan op verzoek van een van de houders van een vergunning bedoeld in het derde lid of uit eigen beweging, voorschriften geven met betrekking tot de wijze waarop de overeenkomst tot stand moet komen. De vergunninghouders houden zich aan de door Onze Minister gegeven voorschriften.
5. Indien op een of meer onderdelen van de overeenkomst bedoeld in het derde lid geen overeenstemming van alle bij dat onderdeel of die onderdelen betrokken vergunninghouders dreigt te worden bereikt, kan Onze Minister op verzoek of uit eigen beweging een dwingende aanwijzing geven. De vergunninghouders zijn bij het sluiten van de overeenkomst gebonden aan de aanwijzing.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CBb 22 juni 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BW9146
- CBb 30 oktober 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BG3831
- Rb. Rotterdam 4 februari 2008, ECLI:NL:RBROT:2008:BC4509
- CBb 30 januari 2014, ECLI:NL:CBB:2014:31
- Rb. Rotterdam 13 mei 2003, ECLI:NL:RBROT:2003:AF8574
- CBb 5 december 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BB9361
- CBb 3 maart 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AV3464
- CBb 19 oktober 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BB6760
- CBb 29 maart 2004, ECLI:NL:CBB:2004:AO7734
- Rb. Rotterdam 14 maart 2007, ECLI:NL:RBROT:2007:BA1537
- Rb. Rotterdam 29 november 2002, ECLI:NL:RBROT:2002:AF2577
- Rb. Rotterdam 24 juli 2002, ECLI:NL:RBROT:2002:AE5810
- CBb 4 mei 2004, ECLI:NL:CBB:2004:AO9551
- ABRvS 7 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ7960
- ABRvS 4 september 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY8068
- Rb. Rotterdam 26 april 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:CA0348
- Rb. Rotterdam 2 november 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BU3331
- Rb. Rotterdam 14 april 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BQ1298
- Rb. Rotterdam 26 augustus 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BN5097
- Rb. Rotterdam 27 mei 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BM5977