Rb. Rotterdam 11 mei 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:3625
Prejudiciële vragen over de Postrichtlijn. (1) Volgt uit artikel 14 lid 2 Postrichtlijn dat de nationale wet- of regelgeving er in moet voorzien dat aanbieders van de universele dienst in hun interne boekhouding afzonderlijke rekeningen bijhouden van elk van de diensten en producten die onder de universele dienst vallen om een duidelijk onderscheid te kunnen maken tussen elk van de diensten en producten die onder de universele dienst vallen en diensten en producten die er niet onder vallen of volgt uit dit voorschrift slechts dat een boekhoudkundig onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds de diensten en producten die onder de universele dienst vallen en anderzijds diensten en producten die er niet onder vallen? (2) Moet artikel 12, aanhef en achter het tweede gedachtestreepje, Postrichtlijn zo worden uitgelegd, dat elke afzonderlijke dienst die onderdeel uitmaakt van de universele dienst kostengeoriënteerd moet zijn? (3) Staat het in artikel 12, aanhef en achter het tweede gedachtestreepje, Postrichtlijn neergelegde vereiste dat de prijzen kostengeoriënteerd zijn en een efficiënte aanbieding van de universele dienst stimuleren eraan in de weg dat voor onbepaalde tijd een vast rendementspercentage wordt gehanteerd waarmee de kosten van de universele postdiensten met het oog op de tariefruimte worden verhoogd?
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 24 Postwet
- Artikel 6:13 Awb
- Artikel 8:29 Awb
- Artikel 22 Postwet 2009
- Artikel 24 Postwet 2009
- Artikel 25 Postwet 2009
- Artikel 7 Postregeling 2009
- Artikel 7a Postregeling 2009
- Artikel 7d Postregeling 2009
- Artikel 14 Postregeling 2009
- Artikel 14e Postregeling 2009
- Artikel 267 VWEU
- Artikel 288 VWEU
- Artikel 19 VvL
- Artikel 14