Gerecht EU 12 juli 2018, T-441/14, ECLI:EU:T:2018:453

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)

12 juli 2018 ( *1 )

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Europese markt van stroomkabels – Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU wordt vastgesteld – Eén enkele voortdurende inbreuk – Bewijs van de inbreuk – Duur van de deelname – Publieke distantiëring – Berekening van de geldboete – Ernst van de inbreuk – Volledige rechtsmacht”

In zaak T‑441/14,

Brugg Kabel AG, gevestigd te Brugg (Zwitserland),

Kabelwerke Brugg AG Holding, gevestigd te Brugg,

vertegenwoordigd door A. Rinne, A. Boos en M. Lichtenegger, advocaten,

verzoeksters,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. Leupold, H. van Vliet en C. Vollrath als gemachtigden, bijgestaan door A. Israel, advocaat,

verweerster,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot, primair, nietigverklaring van besluit C(2014) 2139 final van de Commissie van 2 april 2014 inzake een procedure op grond van artikel 101 [VWEU] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak AT.39610 – Stroomkabels), voor zover dit verzoeksters betreft, en, subsidiair, verlaging van de hun opgelegde geldboete,

wijst

HET GERECHT (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: A. M. Collins, president, M. Kancheva (rapporteur) en R. Barents, rechters,

griffier: L. Grzegorczyk, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 1 juni 2017,

het navolgende

Arrest

I. Voorgeschiedenis van het geding

A. Verzoeksters en betrokken sector

1 Verzoeksters, Kabelwerke Brugg AG Holding en haar volle dochteronderneming Brugg Kabel AG, zijn Zwitserse vennootschappen die actief zijn in de sector van de productie en levering van ondergrondse stroomkabels.

2 Onderzeese en ondergrondse stroomkabels worden onder water respectievelijk onder de grond gebruikt voor het transport en de distributie van elektriciteit. Zij worden onderverdeeld in drie categorieën: laag-, midden-, en hoog- en superhoogspanning. Hoog- en superhoogspanningskabels worden in het merendeel van de gevallen verkocht in het kader van projecten. Deze projecten bestaan in een combinatie van stroomkabels en de noodzakelijke uitrustingen, installaties en bijkomende diensten. Hoog- en superhoogspanningskabels worden in de hele wereld verkocht aan grote exploitanten van nationale netten en aan andere stroomondernemingen, hoofdzakelijk in het kader van openbare aanbestedingen.

B. Administratieve procedure

3 Bij brief van 17 oktober 2008 heeft de Zweedse vennootschap ABB AB de Commissie van de Europese Gemeenschappen een reeks verklaringen en documenten verstrekt die betrekking hadden op beperkende handelspraktijken in de sector van de productie en levering van ondergrondse en onderzeese stroomkabels. Deze verklaringen en documenten zijn overgelegd in het kader van een immuniteitsverzoek in de zin van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2006, C 298, blz. 17; hierna: „clementieregeling”).

4 Van 28 januari tot en met 3 februari 2009 heeft de Commissie naar aanleiding van de verklaringen van ABB inspecties verricht in de bedrijfsruimten van Prysmian SpA en Prysmian Cavi e Sistemi Energia Srl, en andere betrokken Europese vennootschappen, namelijk Nexans SA en Nexans France SAS.

5 Op 2 februari 2009 hebben de Japanse vennootschappen Sumitomo Electric Industries Ltd, Hitachi Cable Ltd en J-Power Systems Corp. een gezamenlijk verzoek om immuniteit voor geldboeten overeenkomstig punt 14 van de clementieregeling of, subsidiair, om vermindering van het bedrag ervan overeenkomstig punt 27 van die mededeling ingediend. Vervolgens hebben zij de Commissie andere mondelinge verklaringen en andere documenten doen toekomen.

6 In de loop van het onderzoek heeft de Commissie meerdere verzoeken om inlichtingen overeenkomstig artikel 18 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) en punt 12 van de clementieregeling toegezonden aan ondernemingen in de sector van de productie en de levering van ondergrondse en onderzeese stroomkabels.

7 Op 30 juni 2011 heeft de Commissie een procedure ingeleid en een mededeling van punten van bezwaar vastgesteld ten aanzien van de volgende juridische entiteiten: Nexans France, Nexans, Pirelli & C. SpA, Prysmian Cavi e Sistemi Energia, Prysmian, The Goldman Sachs Group, Inc., Sumitomo Electric Industries, Hitachi Cable, J-Power Systems, Furukawa Electric Co. Ltd, Fujikura Ltd, Viscas Corp., SWCC Showa Holdings Co. Ltd, Mitsubishi Cable Industries Ltd, Exsym Corp., ABB, ABB Ltd, nkt cables GmbH, NKT Holding A/S, Silec Cable SAS, Grupo General Cable Sistemas, SA, Safran SA, General Cable Corp., LS Cable & System Ltd, Taihan Electric Wire Co. Ltd en verzoeksters.

8 Van 11 tot en met 18 juni 2012 hebben alle adressaten van de mededeling van punten van bezwaar, met uitzondering van Furukawa Electric, deelgenomen aan een administratieve hoorzitting voor de Commissie.

9 Bij arresten van 14 november 2012, Nexans France en Nexans/Commissie (T‑135/09, EU:T:2012:596), en 14 november 2012, Prysmian en Prysmian Cavi e Sistemi Energia/Commissie (T‑140/09, niet gepubliceerd, EU:T:2012:597), heeft het Gerecht de tot Nexans en Nexans France en de tot Prysmian en Prysmian Cavi e Sistemi Energia gerichte verificatiebeschikkingen gedeeltelijk nietig verklaard, namelijk voor zover zij betrekking hadden op andere stroomkabels dan onderzeese en ondergrondse hoogspanningskabels en het bij die andere kabels behorend materieel, en de beroepen verworpen voor het overige. Op 24 januari 2013 hebben Nexans en Nexans France hogere voorziening ingesteld tegen het eerste van deze arresten. Bij arrest van 25 juni 2014, Nexans en Nexans France/Commissie (C‑37/13 P, EU:C:2014:2030), heeft het Hof deze hogere voorziening afgewezen.

10 Op 2 april 2014 heeft de Commissie besluit C(2014) 2139 final inzake een procedure op grond van artikel 101 [VWEU] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak AT.39610 – Stroomkabels) (hierna: „bestreden besluit”) vastgesteld.

C. Bestreden besluit

1. Betrokken inbreuk

11 In artikel 1 van het bestreden besluit is bepaald dat meerdere ondernemingen in verschillende perioden hebben deelgenomen aan één enkele en voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU in de „sector van onderzeese en/of ondergrondse (super)hoogspanningskabels”. De Commissie heeft in essentie vastgesteld dat de belangrijkste Europese, Japanse en Zuid-Koreaanse producenten van onderzeese en ondergrondse stroomkabels van februari 1999 tot eind januari 2009 hadden deelgenomen aan een netwerk van multilaterale en bilaterale ontmoetingen en contacten hadden met de bedoeling de mededinging voor projecten betreffende ondergrondse en onderzeese (super)hoogspanningskabels in specifieke gebieden te beperken door de markten en de afnemers onder elkaar te verdelen, waardoor de normale mededinging werd vervalst (overwegingen 10‑13 en 66 van genoemd besluit).

12 In het bestreden besluit heeft de Commissie geoordeeld dat het kartel twee belangrijke configuraties had, die een samengesteld geheel vormden. Meer bepaald had het kartel twee bestanddelen: – de „A/R kartelconfiguratie”, waarin de Europese ondernemingen, gewoonlijk de „R-leden” genoemd, de Japanse ondernemingen, aangeduid met „A-leden”, en tot slot de Zuid-Koreaanse ondernemingen, aangeduid met „K-leden”, waren verenigd. Met deze configuratie kon het doel van onderlinge verdeling van gebieden en afnemers tussen de Europese, Japanse en Zuid-Koreaanse producenten worden bereikt. Deze onderlinge verdeling kwam tot stand volgens een overeenkomst over het „thuisland”, op grond waarvan de Japanse en Zuid-Koreaanse producenten niet meedongen naar projecten in het „thuisland” van de Europese producenten, terwijl laatstgenoemde zich ertoe verbonden om buiten de Japanse en Zuid-Koreaanse markt te blijven. Daarenboven werden projecten in de „exportgebieden”, zijnde de rest van de wereld met uitzondering van onder meer de Verenigde Staten, onderling verdeeld, waarbij gedurende een zekere periode een „60/40-quotum” in acht werd genomen, wat betekende dat 60 % van de projecten aan de Europese producenten was voorbehouden en de resterende 40 % aan de Aziatische producenten; – de „Europese kartelconfiguratie”, die inhield dat tussen de Europese producenten gebieden en afnemers werden verdeeld voor projecten in het Europese „thuisland” of projecten die aan de Europese producenten waren toegewezen (zie deel 3.3 van het bestreden besluit en meer in het bijzonder overwegingen 73 en 74 van dat besluit).

13 De Commissie heeft vastgesteld dat de karteldeelnemers rapportageverplichtingen hadden ingevoerd om te kunnen controleren of de verdelingsafspraken werden nageleefd (overwegingen 94‑106 en 111‑115 van het bestreden besluit).

14 De Commissie heeft de verschillende karteldeelnemers in drie groepen ingedeeld, rekening houdend met de rol die zij bij de tenuitvoerlegging van het kartel hadden gespeeld. Om te beginnen heeft zij de harde kern daarvan gedefinieerd, waartoe als Europese ondernemingen Nexans France, de dochterondernemingen van Pirelli & C., voorheen Pirelli SpA, die successievelijk aan het kartel hebben deelgenomen (hierna: „Pirelli”), en Prysmian Cavi e Sistemi Energia behoorden en als Japanse ondernemingen Furukawa Electric, Fujikura en hun joint venture Viscas alsook Sumitomo Electric Industries, Hitachi Cable en hun joint venture J-Power Systems (overwegingen 545‑561 van het bestreden besluit). Vervolgens heeft zij een groep ondernemingen onderscheiden die geen deel uitmaakten van de harde kern maar die niettemin niet konden worden geacht ondergeschikte spelers in het kartel te zijn. In die groep heeft zij ABB, Exsym, Brugg Kabel en de entiteit gevormd door Sagem SA, Safran en Silec Cable ingedeeld (overwegingen 562‑575 van genoemd besluit). Tot slot heeft zij geoordeeld dat Mitsubishi Cable Industries, SWCC Showa Holdings, LS Cable & System, Taihan Electric Wire en nkt cables ondergeschikte spelers waren in het kartel (overwegingen 576‑594 van dat besluit).

2. Aansprakelijkheid van verzoeksters

15 Brugg Kabel is aansprakelijk gehouden wegens haar directe deelname aan de mededingingsregeling van 14 december 2001 tot 16 november 2006. Kabelwerke Brugg is voor de inbreuk aansprakelijk gehouden als moedermaatschappij van Brugg Kabel in diezelfde periode (overwegingen 859‑861 van het bestreden besluit).

3. Opgelegde geldboete

16 Bij artikel 2, onder b), van het bestreden besluit is een geldboete van 8490000 EUR opgelegd, „hoofdelijk” aan verzoeksters.

17 Voor de berekening van de geldboeten heeft de Commissie toepassing gegeven aan artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003 en de methode die is uiteengezet in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van [genoemd artikel] worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: „richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten van 2006”).

18 Wat in de eerste plaats het basisbedrag van de geldboeten betreft, heeft de Commissie, na de waarde van de relevante verkopen overeenkomstig punt 18 van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten van 2006 te hebben bepaald (overwegingen 963‑994 van het bestreden besluit), overeenkomstig de punten 22 en 23 van genoemde richtsnoeren het aandeel van die waarden vastgesteld om de ernst van de inbreuk tot uitdrukking te brengen. Zij was in dat verband van mening dat de inbreuk naar zijn aard een van de ernstige mededingingsbeperkingen was, wat een percentage voor de ernst van 15 % rechtvaardigde. Ook heeft zij de coëfficiënt voor de ernst voor alle adressaten met 2 % verhoogd wegens het gecumuleerde marktaandeel en de nagenoeg wereldwijde geografische reikwijdte van de mededingingsregeling, die zich onder meer tot het gehele grondgebied van de Europese Economische Ruimte (EER) uitstrekte. Verder was zij van oordeel dat het gedrag van de Europese ondernemingen schadelijker voor de mededinging was dan dat van de andere ondernemingen, doordat de Europese ondernemingen, naast aan de „A/R-kartelconfiguratie” te hebben deelgenomen, onderling de stroomkabelprojecten in het kader van de „Europese kartelconfiguratie” hadden verdeeld. Om die reden heeft zij het in aanmerking te nemen aandeel van de waarde van de verkopen voor de ernst van de inbreuk op 19 % vastgesteld voor de Europese ondernemingen en op 17 % voor de overige ondernemingen (overwegingen 997‑1010 van genoemd besluit).

19 Wat de vermenigvuldigingscoëfficiënt voor de duur van de inbreuk betreft, is de Commissie voor verzoeksters uitgegaan van een coëfficiënt van 4,91 voor de periode van 14 december 2001 tot 16 november 2006. Voorts heeft zij in het basisbedrag van de geldboete een aanvullend bedrag, namelijk het leergeld, ter hoogte van 19 % van de waarde van de verkopen opgenomen. Het op die wijze bepaalde bedrag was 8937000 EUR (overwegingen 1011‑1016 van het bestreden besluit).

20 In de tweede plaats heeft de Commissie in het kader van de aanpassing van het basisbedrag van de geldboeten vastgesteld dat er geen verzwarende omstandigheden waren die van invloed konden zijn op de hoogte van het voor elke karteldeelnemer vastgestelde basisbedrag, behalve dan voor ABB. Wat de verzachtende omstandigheden betreft heeft zij evenwel beslist om de rol van de verschillende ondernemingen bij de uitvoering van de mededingingsregeling in het bedrag van de geldboeten tot uitdrukking te brengen. Zo heeft zij het basisbedrag van de geldboete voor de spelers met een ondergeschikte rol in het kartel met 10 % verlaagd en dat voor de ondernemingen die gemiddeld bij het kartel betrokken waren met 5 %. Verder heeft zij aan Mitsubishi Cable Industries en aan SWCC Showa Holdings voor de periode voorafgaand aan de oprichting van Exsym en aan LS Cable & System en Taihan Electric Wire een aanvullende korting van 1 % toegekend omdat zij geen wetenschap hadden van bepaalde aspecten van de enkele en voortdurende inbreuk en daar niet voor verantwoordelijk waren. Voor de ondernemingen die tot de harde kern van het kartel behoorden, is het basisbedrag van de geldboete daarentegen niet verlaagd (overwegingen 1017‑1020 en 1033 van het bestreden besluit). Daarenboven heeft de Commissie Mitsubishi Cable Industries een aanvullende korting van 3 % van de haar opgelegde geldboete toegekend overeenkomstig de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten van 2006, omdat zij daadwerkelijk haar medewerking had verleend buiten de clementieregeling om (overweging 1041 van genoemd besluit).

21 Verder heeft de Commissie beslist om ABB boete-immuniteit toe te kennen en de aan J-Power Systems, Sumitomo Electric Industries en Hitachi Cable opgelegde geldboete met 45 % te verminderen om rekening te houden met de medewerking van deze ondernemingen in het kader van de clementieregeling.

II. Procesverloop en conclusies van partijen

22 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 16 juni 2014, hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld.

23 Op 28 september 2016 heeft het Gerecht in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 89, lid 3, onder a) en d), van zijn Reglement voor de procesvoering vragen aan de Commissie gesteld en haar verzocht om overlegging van bepaalde documenten, met name de niet-vertrouwelijke versies van de antwoorden van de andere adressaten van de mededeling van punten van bezwaar.

24 Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht op grond van artikel 27, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering is de rechter-rapporteur aan de Achtste kamer (nieuwe samenstelling) toegevoegd, aan welke kamer de onderhavige zaak dan ook is toegewezen.

25 Bij brief van 31 oktober 2016 heeft de Commissie op de door het Gerecht gestelde vragen geantwoord en de gevraagde documenten overgelegd, met uitzondering van de niet-vertrouwelijke versies van de antwoorden op de mededeling van punten van bezwaar van Nexans France, Nexans, The Goldman Sachs Group, Sumitomo Electric Industries, Hitachi Cable, J-Power Systems, Furukawa Electric, Fujikura, Mitsubishi Cable Industries, Exsym, nkt cables, NKT Holding, Silec Cable, Grupo General Cable Sistemas, Safran, General Cable, LS Cable & System, ABB, Pirelli & C., Prysmian, Prysmian Cavi e Sistemi Energia, SWCC Showa Holdings, Taihan Electric Wire en Viscas. Zij heeft verduidelijkt dat deze vennootschappen, ondanks een daartoe strekkend verzoek, nog geen niet-vertrouwelijke versie van hun antwoord op de mededeling van punten van bezwaar hadden gemaakt.

26 Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Achtste kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan. Partijen hebben ter terechtzitting van 1 juni 2017 pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.

27 Verzoeksters concluderen tot: – nietigverklaring van artikel 1, punt 2, artikel 2, onder b), en artikel 3 van het bestreden besluit voor zover zij daarbij „hoofdelijk” zijn veroordeeld tot de betaling van een geldboete van 8490000 EUR wegens hun aansprakelijkheid voor het plegen van één enkele en voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst van 14 december 2001 tot 16 november 2006; – gedeeltelijke nietigverklaring van het bestreden besluit voor zover zij daarin, wegens hun vermeende deelname aan de verschillende overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen waaruit de enkele en voortdurende inbreuk bestaat, ook aansprakelijk zijn geacht voor individuele inbreuken op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst; – subsidiair, verlaging van de hun bij artikel 2, onder b), van het bestreden besluit opgelegde geldboete; – verwijzing van de Commissie in de kosten.

28 De Commissie concludeert tot: – verwerping van het beroep; – verwijzing van verzoeksters in de kosten.

III. In rechte

29 Verzoeksters concluderen in het kader van het beroep zowel tot gedeeltelijke nietigverklaring van het bestreden besluit als tot verlaging van de hun opgelegde geldboete.

A. Vorderingen tot nietigverklaring

30 Ter ondersteuning van hun vorderingen tot nietigverklaring voeren verzoeksters zes middelen aan. Het eerste is ontleend aan schending van de rechten van de verdediging en van het recht op een eerlijk proces. Het tweede ziet op onbevoegdheid van de Commissie om op te treden tegen een inbreuk die in derde landen is gepleegd en geen weerslag in de EER heeft. Het derde betreft een beoordelingsfout, niet-nakoming van de motiveringsplicht en schending van de onschuldpresumptie die is neergelegd in artikel 6, lid 2, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”) en artikel 48, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) juncto artikel 6, leden 2 en 3, VEU, wegens de onterechte toekenning van aansprakelijkheid aan verzoeksters voor hun vermeende deelname aan de enkele en voortdurende inbreuk. Het vierde betreft niet-nakoming van de onderzoeksplicht wegens feitelijke onjuistheden en een onjuiste opvatting van het bewijs inzake de vermeende deelname van verzoeksters aan de mededingingsregeling en niet-nakoming van de motiveringsplicht. Met het vijfde middel wordt gesteld dat de Commissie het „materiële recht” heeft geschonden, aangezien zij artikel 101 VWEU of artikel 53 van de EER-Overeenkomst onjuist heeft toegepast. Het zesde ziet op schending van artikel 23, leden 2 en 3, van verordening nr. 1/2003 en de beginselen van gelijke behandeling en evenredigheid, een motiveringsgebrek, meerdere beoordelingsfouten en misbruik van bevoegdheid voor zover het de berekening van de aan verzoeksters opgelegde geldboete betreft.

1. Eerste middel: schending van de rechten van de verdediging en van het recht op een eerlijk proces

31 Het eerste middel bestaat uit twee onderdelen. Het eerste is ontleend aan schending van het recht op een eerlijk proces wegens de weigering van de Commissie om verzoeksters de verzoeken om inlichtingen en de mededeling van punten van bezwaar in het Duits toe te zenden. Met het tweede onderdeel wordt schending van de rechten van de verdediging gesteld, wegens de weigering van de Commissie om verzoeksters toegang tot de antwoorden van andere ondernemingen op de mededeling van punten van bezwaar met daarin potentieel ontlastende informatie te verlenen.

a) Kennisgeving van de verzoeken om inlichtingen en de mededeling van punten van bezwaar in het Engels

32 Verzoeksters betogen dat de Commissie hun recht op een eerlijk proces en hun rechten van verdediging heeft geschonden door hun uitsluitend in het Engels kennis te geven van de verzoeken om inlichtingen en de mededeling van punten van bezwaar, terwijl Brugg Kabel meerdere malen had verzocht om in het Duits te communiceren.

33 Verzoeksters geven te kennen dat de Commissie op grond van het recht op een eerlijk proces, het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging en artikel 6, lid 3, onder a), EVRM verplicht is, wanneer zij zich tot een vennootschap richt waarvan de maatschappelijke zetel zich op het grondgebied van een staat bevindt die geen deel uitmaakt van de EER, om de officiële taal van die staat te gebruiken wanneer deze taal deel uitmaakt van de officiële talen van de Europese Unie en die taal bovendien deel uitmaakt van de werktalen van de Commissie. Zoals overigens ook is gepreciseerd in het document van de Commissie met de titel „Antitrust Manual of Procedures”, was de Commissie in het geval van een vennootschap als Brugg Kabel, waarvan de zetel zich bevindt in het kanton Aargau (Zwitserland), met het Duits als officiële taal, uiterlijk vóór de mededeling van punten van bezwaar verplicht die taal te gebruiken dan wel van die vennootschap een dispensatie te verkrijgen.

34 In de onderhavige zaak heeft een functionaris van het directoraat-generaal Concurrentie van de Commissie echter, nadat de Commissie zich aanvankelijk in het Engels tot Brugg Kabel had gewend, tijdens een telefoongesprek op 23 oktober 2009 aan de vertegenwoordigers van die vennootschap laten weten dat de Commissie hun verzoek om toezending van een Duitse versie van haar verzoek om inlichtingen van 20 oktober 2009 niet kon inwilligen omdat die vennootschap haar maatschappelijke zetel niet in een lidstaat van de Unie had. Volgens verzoeksters hebben haar vertegenwoordigers pas na die weigering verzocht om slechts een gedeeltelijke vertaling van bedoeld verzoek om inlichtingen, zoals blijkt uit het schrijven dat zij op 27 oktober 2009 aan de Commissie hebben toegezonden. Anders dan de Commissie stelt, heeft de vennootschap in kwestie dus niet tot de hoorzitting voor de raadadviseur-auditeur gewacht om te vragen of die zich in het Duits tot haar kon wenden. De wens van vennootschap in kwestie om het Duits als taal voor de procedure te gebruiken blijkt voorts ook duidelijk uit het feit dat zij in die taal heeft geantwoord op alle verzoeken om inlichtingen en op de mededeling van punten van bezwaar.

35 Doordat de Commissie weigerde om in het Duits kennis te geven van de verzoeken om inlichtingen en de mededeling van punten van bezwaar aan Brugg Kabel, moesten er perioden voor de vertaling uit het Engels in het Duits worden ingelast, waardoor zij minder tijd aan haar verdediging heeft kunnen besteden dan de tijd die zij daar normaliter aan zou hebben besteed. Verzoeksters voeren in dat verband aan dat de kennis van het Engels binnen die vennootschap, anders dan de Commissie stelt, niet aan de vereisten van artikel 6, lid 3, onder a), EVRM voldoet. Het dagelijkse werk wordt juist in het Duits verricht en de vergaderingen van de bestuurders en de controllers vinden steevast in die taal plaats. Volgens verzoeksters is het Duits ook de taal waarin intern binnen die vennootschap wordt gecommuniceerd en die waarin de interne documenten, zoals de jaarverslagen of de bedrijfshandleiding, worden opgesteld, die vervolgens door een externe dienstverlener in het Engels worden vertaald. Tot slot is het van geen belang dat de litigieuze contacten tussen Brugg Kabel en de andere stroomkabelproducenten hoofdzakelijk in het Engels verliepen, aangezien dit een zuiver technische uiteenzetting door een medewerker in vakjargon van de stroomkabelproducenten was, terwijl de mededeling van punten van bezwaar ingewikkelde bezwaren bevatte die de vennootschap volkomen moest kunnen begrijpen om die technisch en juridisch te kunnen bestuderen.

36 Verzoeksters stellen daarnaast dat de Commissie ook voor het Gerecht hun rechten van verdediging heeft geschonden, door in het verweerschrift citaten in het Engels en Frans aan te halen zonder die van een vertaling vergezeld te doen gaan, zoals is vereist bij artikel 35, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 2 mei 1991. Volgens hen kon dit verzuim om in een vertaling te voorzien niet in het stadium van de dupliek worden hersteld, omdat een dergelijk herstel niet toelaatbaar is, aangezien zij de grief inzake schending van de procestaal reeds in het verzoekschrift hadden aangevoerd. Hieruit volgt dat alle passages in het verweerschrift die dergelijke citaten bevatten, niet-ontvankelijk moeten worden geacht.

37 De Commissie bestrijdt verzoeksters’ argumenten.

38 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat het EVRM weliswaar geen formeel in de rechtsorde van de Unie opgenomen rechtsinstrument is zolang de Unie er geen partij bij is, maar dat in artikel 6, lid 3, VEU is bepaald dat de door dat verdrag gewaarborgde rechten als algemene beginselen deel uitmaken van het recht van de Unie. Voorts gebiedt artikel 52, lid 3, van het Handvest dat rechten uit het Handvest die corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door dat verdrag, dezelfde inhoud en reikwijdte hebben als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend (zie arrest van 18 juli 2013, Schindler Holding e.a./Commissie, C‑501/11 P, EU:C:2013:522, punt 32en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39 Bovendien moet eraan worden herinnerd dat in artikel 6, lid 3, onder a), EVRM is bepaald dat eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, in het bijzonder het recht heeft onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging.

40 Voorts moet nog in herinnering worden gebracht dat de Commissie volgens de rechtspraak niet kan worden aangemerkt als een „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 6 EVRM (zie arrest van 10 maart 1992, Shell/Commissie, T‑11/89, EU:T:1992:33, punt 39en aldaar aangehaalde rechtspraak). Daarnaast verzet artikel 6 EVRM er zich als zodanig niet tegen dat in een administratieve procedure een „straf” eerst wordt opgelegd door een administratieve instantie die zelf niet aan de in artikel 6, lid 1, EVRM gestelde voorwaarden voldoet, mits de beslissing vervolgens kan worden getoetst door een rechterlijk orgaan met volledige rechtsmacht (zie in die zin arrest van 18 juli 2013, Schindler Holding e.a./Commissie, C‑501/11 P, EU:C:2013:522, punt 35). Hieruit volgt dat verzoeksters zich tegenover de Commissie niet op schending van artikel 6 EVRM kunnen beroepen.

41 Niettemin moet ook in herinnering worden gebracht dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging, die bij artikel 41 van het Handvest is verheven tot een consubstantieel element van het recht op behoorlijk bestuur, in alle omstandigheden in acht moet worden genomen, inzonderheid in elke procedure die tot sancties kan leiden, zelfs wanneer dat een administratieve procedure is. Dit vereist dat de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen reeds tijdens de administratieve procedure in staat zijn geweest hun standpunt met betrekking tot de juistheid en de relevantie van de door de Commissie gestelde feiten, punten van bezwaar en omstandigheden nuttig kenbaar te maken (zie arrest van 27 september 2012, Shell Petroleum e.a./Commissie, T‑343/06, EU:T:2012:478, punten 82 en 88 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42 Uit de rechtspraak volgt tevens dat de rechten van verdediging van de ondernemingen die betrokken zijn in administratieve procedures die tot de oplegging van sancties kunnen leiden, ook tijdens voorafgaande onderzoeken door de Commissie moeten worden geëerbiedigd, omdat van belang is dat wordt vermeden dat deze rechten onherstelbaar worden geschaad in het kader van een voorafgaand onderzoek, met name bij inspecties, daar deze beslissend kunnen zijn voor de totstandkoming van het bewijs van de onrechtmatigheid van gedragingen van ondernemingen, waarvoor deze aansprakelijk zijn (arrest van 14 november 2012, Nexans France en Nexans/Commissie, T‑135/09, EU:T:2012:596, punt 41).

43 In het licht van de hierboven in de punten 38 tot en met 42 in herinnering gebrachte beginselen moet worden nagegaan of de toezending van de verzoeken om inlichtingen en de kennisgeving van de mededeling van punten van bezwaar aan verzoeksters in het Engels, afbreuk heeft gedaan aan hun rechten van verdediging.

44 Wat in de eerste plaats de toezending van de verzoeken om inlichtingen in het Engels betreft, moet erop worden gewezen dat de op de Commissie rustende plicht om de rechten van de verdediging te eerbiedigen tijdens onderzoeken die voorafgaan aan de eigenlijke inleiding van de kartelprocedure, moet vermijden dat deze rechten onherstelbaar worden geschaad tijdens de onderzoeken in kwestie, zoals hierboven in herinnering is gebracht in punt 42. Dit is de reden waarom de Commissie inzonderheid tijdens inspecties de rechten van de verdediging moet eerbiedigen, daar deze beslissend kunnen zijn voor de totstandkoming van het bewijs van de onrechtmatigheid van gedragingen van ondernemingen, waarvoor deze aansprakelijk zijn.

45 Geoordeeld moet worden dat een dergelijke redenering ook opgaat voor de verzoeken om inlichtingen die de Commissie tijdens het voorafgaande onderzoek aan de betrokken ondernemingen toezendt, aangezien de antwoorden daarop, zoals in casu, door de Commissie kunnen worden gebruikt voor het bewijs van de onrechtmatigheid van het gedrag van deze ondernemingen.

46 Niettemin moet worden vastgesteld dat de verzoeken om inlichtingen van 7 april 2009, 20 oktober 2009, 31 maart 2010 en 29 november 2010 die de Commissie aan Brugg Kabel heeft toegezonden, weliswaar in het Engels waren opgesteld, maar dat uit het dossier blijkt dat verzoeksters de verzoeken in kwestie voldoende hebben kunnen begrijpen om op elk daarvan te antwoorden. Bovendien moet worden benadrukt dat Brugg Kabel slechts om de vertaling van bepaalde passages van het verzoek van de Commissie van 20 oktober 2009 heeft verzocht en dat Brugg Kabel op dit verzoek om inlichtingen heeft geantwoord nadat de Commissie de vertalingen in kwestie had verstrekt. Ook moet worden onderstreept dat de Commissie geenszins van Brugg Kabel heeft verlangd dat zij in het Engels op de verzoeken om inlichtingen zou antwoorden. Bijgevolg moet worden vastgesteld dat Brugg Kabel in staat was om haar standpunt ten aanzien van de door de Commissie gevraagde inlichtingen naar behoren kenbaar te maken.

47 Voor zover verzoeksters’ betoog zo moet worden uitgelegd dat de weigering van de Commissie om Brugg Kabel de verzoeken om inlichtingen in het Duits toe te zenden, schending van artikel 41, lid 4, van het Handvest oplevert, zoals is vermeld in hun schrijven van 27 oktober 2009, kan dit evenmin overtuigen. In deze bepaling is namelijk het recht van eenieder om zich in een van de talen van de Verdragen tot de instellingen van de Unie te wenden en ook in die taal antwoord te krijgen vastgelegd. Vastgesteld moet echter worden dat in casu de Commissie zich tot Brugg Kabel heeft gewend met een verzoek om een antwoord en niet omgekeerd.

48 Wat in de tweede plaats de kennisgeving van de mededeling van punten van bezwaar in het Engels betreft, moet erop worden gewezen dat indien de Commissie de rechten van de verdediging in het kader van een voorafgaand onderzoek moet eerbiedigen, zij dit a fortiori moet doen na de formele inleiding van een administratieve procedure die tot de vaststelling van sancties ten aanzien van de betrokken ondernemingen kan leiden, zoals hierboven in punt 42 in herinnering is gebracht.

49 Los van de vraag naar de exacte mate waarin het personeel en de bestuurders van verzoeksters het Engels begrepen, moet in de onderhavige zaak echter worden vastgesteld dat verzoeksters niet om redenen in verband met de vertaling om een aanvullende termijn voor het antwoord op de mededeling van punten van bezwaar hebben verzocht, maar om over meer tijd te beschikken voor de gedetailleerde bestudering van alle documenten in het dossier en de vele beweringen in de mededeling van punten van bezwaar, rekening houdend met de beperkte middelen die zij aan die taak konden wijden, zoals volgt uit het schrijven dat Brugg Kabel op 1 september 2011 aan de Commissie heeft gezonden. Het is moeilijk te geloven dat indien verzoeksters moeite hadden om de Engelse versie van de mededeling van punten van bezwaar te begrijpen of meer tijd nodig hadden om die te vertalen, zij die omstandigheden niet zouden hebben vermeld als motivering van hun verzoek om uitstel van de termijn voor het antwoord op de mededeling van punten van bezwaar. Ook moet worden vastgesteld dat zij in staat zijn gebleken om op de mededeling van punten van bezwaar te antwoorden, ook wanneer hun antwoord in het Duits was opgesteld, wat er wederom van getuigt dat verzoeksters voldoende kennis van het Engels hadden om de aard en reden van de jegens hen geuite beschuldiging te begrijpen en ten aanzien daarvan naar behoren een standpunt in te nemen.

50 Gelet op een en ander is verzoeksters’ betoog inzake schending van de rechten van de verdediging tijdens de administratieve procedure wegens de kennisgeving van de verzoeken om inlichtingen en de mededeling van punten van bezwaar aan verzoeksters in het Engels, ongegrond.

51 Wat voorts de vermeende schending van verzoeksters’ rechten van verdediging in het kader van de onderhavige gerechtelijke procedure betreft, moet meteen al worden opgemerkt dat dit argument niet ter zake dienend is, voor zover het ter ondersteuning van een middel inzake schending van de rechten van verdediging van Brugg Kabel in het kader van de administratieve procedure wordt aangevoerd.

52 Voor het overige kan verzoeksters’ betoog waarmee zij wil verkrijgen dat passages in het verweerschrift niet-ontvankelijk worden verklaard omdat die afbreuk doen aan hun rechten van verdediging aangezien daarbij de procestaal niet in acht is genomen, niet slagen.

53 In dat verband staat vast dat de procestaal in de onderhavige zaak het Duits is. Daarnaast volgt uit artikel 35, lid 3, eerste en tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991, dat op de datum van neerlegging van het verweerschrift van toepassing was, dat de procestaal in het bijzonder moet worden gebezigd voor de memories en pleidooien van partijen, de bijlagen en producties daaronder begrepen, en dat alle stukken en bijlagen die in een andere dan de procestaal zijn gesteld, van een vertaling in de procestaal vergezeld gaan.

54 Hieruit volgt dat de Commissie een vertaling in de procestaal had moeten verstrekken van de passages die in andere taal waren aangehaald in het verweerschrift. De Commissie kan zich niet aan die plicht onttrekken, louter op grond dat er een vertaling van bepaalde van die passages voorhanden was in het bestreden besluit, dat bij het verzoekschrift was gevoegd, of dat andere passages een uittreksel uit de bijlagen bij het verzoekschrift waren of nog dat het verklaringen van een werknemer van verzoeksters betrof.

55 Vastgesteld moet echter worden dat de Commissie deze formele onregelmatigheid heeft hersteld door de vertaling van de passages in kwestie in de bijlagen bij de dupliek over te leggen.

56 Voorts, en anders dan verzoeksters betogen, stond de omstandigheid dat zij reeds in het verzoekschrift een grief inzake niet-inachtneming van de procestaal hadden aangevoerd, niet aan een dergelijke regularisatie in de weg. Dienaangaande volstaat namelijk de opmerking dat de grief in kwestie zag op de door de Commissie gebruikte taal tijdens de administratieve procedure, waarmee niet vooruit kan worden gelopen op de procestaal in het kader van een gerechtelijke procedure.

57 Hieruit volgt dat de passages van het verweerschrift die in een andere taal dan de procestaal waren opgesteld, niet niet-ontvankelijk kunnen worden geacht.

58 Gelet op het voorgaande is het eerste onderdeel van het eerste middel ongegrond.

b) Weigering van de Commissie om toegang te verlenen tot de antwoorden van de andere adressaten van de mededeling van punten van bezwaar

59 Verzoeksters verwijten de Commissie dat zij hun rechten van verdediging heeft geschonden door te weigeren om hun toegang te verlenen, of hun advocaat toegang te verlenen, tot de niet-vertrouwelijke versie van de antwoorden van de andere adressaten van de mededeling van punten van bezwaar, met uitzondering van een uiterst beperkte toegang tot de antwoorden van ABB en J-Power Systems, terwijl die mogelijkerwijs ontlastend bewijs bevatten ten aanzien van met name het voorwerp van de bijeenkomst van 14 december 2001 te Divonne-les-Bains (Frankrijk), die ten onrechte door de Commissie is beschouwd als het begin van de deelname van Brugg Kabel aan de inbreuk, en ten aanzien van de deelname van laatstgenoemde aan de inbreuk in 2005.

60 Verzoeksters betogen dat de openbaarmaking van de antwoorden van de andere adressaten van de mededeling van punten van bezwaar temeer gerechtvaardigd was daar ten eerste, zoals het Hof in het arrest van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie (C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6), had geoordeeld, het niet aan alleen de Commissie stond om te beslissen welk materiaal relevant voor hun verdediging was, iets waartoe zij overigens ook niet in staat is, en ten tweede het verwijt aan hun adres was dat zij aan één enkele en voortdurende inbreuk hadden deelgenomen, waardoor zij aansprakelijk zijn geacht voor gedragingen van andere ondernemingen waaraan zij niet hebben deelgenomen en waarvan zij in voorkomend geval zelfs geen wetenschap hadden.

61 Volgens verzoeksters zou het feit dat hun toegang werd verleend tot de antwoorden van de andere adressaten van de mededeling van punten van bezwaar die mogelijkerwijs ontlastend materiaal bevatten, anders dan de Commissie betoogt, in casu niet tot gevolg hebben gehad dat de afronding van de administratieve procedure eindeloos werd uitgesteld, aangezien de Commissie een dergelijke toegang reeds aan andere adressaten van de mededeling van punten van bezwaar had verleend.

62 Bovendien geven verzoeksters te kennen dat van hen niet kan worden verlangd dat zij, met het oog op het bewijs dat zij de documenten met daarin mogelijkerwijs ontlastende inlichtingen voor hun verdediging zouden hebben gebruikt, nauwkeurige aanwijzingen geven met betrekking tot de inhoud van genoemde documenten, waartoe zij per definitie geen toegang hebben gehad. Het vereiste van een begin van bewijs daarvan, zoals volgt uit het arrest van 27 september 2012, Shell Petroleum e.a./Commissie (T‑343/06, EU:T:2012:478), dat door de Commissie wordt aangehaald, is bedoeld als verlichting van de bewijslast die rust op de onderneming die door de Commissie de toegang tot een ontlastend document is geweigerd, en mag niet zo worden uitgelegd dat dit bewijs onmogelijk te leveren is. Verzoeksters menen dat het in casu volstaat dat zij uiteenzetten, zoals zij ook hebben gedaan, dat de antwoorden van de andere adressaten van de mededeling van punten van bezwaar konden bevestigen dat geen van de vermeende karteldeelnemers naar de bijeenkomst van 14 december 2001 te Divonne-les-Bains heeft verwezen als een „R-bijeenkomst” waarop Brugg Kabel aan de tenuitvoerlegging van de mededingingsregeling heeft deelgenomen.

63 De Commissie bestrijdt verzoeksters’ argumenten.

64 Wat in dat verband in de eerste plaats verzoeksters’ stelling betreft dat de Commissie hun toegang tot de antwoorden van de andere adressaten van de mededeling van punten van bezwaar had moeten verlenen omdat het niet alleen aan haar stond om over de relevantie van de in het kader van de procedure verzamelde documenten voor hun verdediging te beslissen, moet worden vastgesteld dat deze niet kan slagen.

65 Er dient immers aan te worden herinnerd dat de Commissie ondernemingen en ondernemersverenigingen die het voorwerp van haar procedure uitmaken, volgens artikel 27, eerste alinea, van verordening nr. 1/2003 in de gelegenheid stelt hun standpunt ten aanzien van de door haar in aanmerking genomen bezwaren kenbaar te maken, alvorens een besluit op grond van de artikelen 7, 8, 23 of artikel 24, lid 2, te geven. Volgens diezelfde bepaling „[doet] de Commissie […] haar beschikkingen slechts steunen op de punten van bezwaar waarover de partijen opmerkingen hebben kunnen maken” en worden „[d]e klagers […] nauw bij de procedure betrokken”.

66 De toegang tot het dossier heeft in mededingingszaken dus met name tot doel, de adressaten van een mededeling van punten van bezwaar in staat te stellen kennis te nemen van het bewijsmateriaal in het dossier van de Commissie, zodat zij nuttig kunnen reageren op de conclusies waartoe de Commissie op basis van dit materiaal in die mededeling is gekomen (arrest van 2 oktober 2003, Corus UK/Commissie, C‑199/99 P, EU:C:2003:531, punt 125). De toegang tot het dossier is bijgevolg onderdeel van de procedurele waarborgen waarmee de rechten van de verdediging moeten worden beschermd en moet er in het bijzonder voor zorgen dat het recht om te worden gehoord doeltreffend kan worden uitgeoefend.

67 Volgens de rechtspraak impliceert het recht op toegang tot het dossier dat de Commissie de betrokken onderneming de mogelijkheid moet bieden, alle voor haar verdediging mogelijk relevante documenten in het onderzoeksdossier te onderzoeken. Daartoe behoren zowel de belastende als de ontlastende stukken, met uitzondering van de documenten die zakengeheimen van andere ondernemingen bevatten, interne documenten van de Commissie en andere vertrouwelijke informatie (arrest van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punt 68en aldaar aangehaalde rechtspraak).

68 De betrokken onderneming wordt echter pas aan het begin van de administratieve fase op tegenspraak door middel van de mededeling van punten van bezwaar ingelicht over de belangrijkste feiten waarop de Commissie zich in dat stadium van de procedure baseert. Pas dan beschikt deze onderneming over een recht van toegang tot het dossier, dat dient te waarborgen dat zij haar rechten van verdediging daadwerkelijk kan uitoefenen. Bijgevolg behoort het antwoord van de andere partijen op de mededeling van punten van bezwaar in beginsel niet tot de stukken van het onderzoeksdossier die de partijen kunnen inzien (arresten van 30 september 2009, Hoechst/Commissie, T‑161/05, EU:T:2009:366, punt 163; 12 juli 2011, Toshiba/Commissie, T‑113/07, EU:T:2011:343, punt 42, en 12 juli 2011, Mitsubishi Electric/Commissie, T‑133/07, EU:T:2011:345, punt 41).

69 Indien de Commissie een passage uit een antwoord op een mededeling van punten van bezwaar of een bij een dergelijk antwoord gevoegd document als basis wil gebruiken om in een procedure tot toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU of artikel 53, lid 1, van de EER-Overeenkomst het bestaan van een inbreuk vast te stellen, moeten de andere ondernemingen in die procedure evenwel in staat worden gesteld zich over dat bewijsstuk uit te spreken. Onder die omstandigheden is de betrokken passage uit een antwoord op de mededeling van punten van bezwaar of een daarbij gevoegd document immers een belastend stuk voor de verschillende partijen die aan de inbreuk zouden hebben deelgenomen (arresten van 12 juli 2011, Toshiba/Commissie, T‑113/07, EU:T:2011:343, punt 43, en 12 juli 2011, Mitsubishi Electric, T‑133/07, EU:T:2011:345, punt 42).

70 Mutatis mutandis vormt een passage uit een antwoord op een mededeling van punten van bezwaar die, of een bij een dergelijk antwoord gevoegd document dat, voor de verdediging van een onderneming van belang kan zijn doordat die onderneming aan de hand daarvan bewijs kan aanvoeren dat niet met de door de Commissie in die fase getrokken conclusies overeenkomt, een ontlastend bewijsstuk. In dat geval dient de betrokken onderneming in de gelegenheid te worden gesteld om deze passage of dit document te onderzoeken en zich daarover uit te spreken (arresten van 12 juli 2011, Toshiba/Commissie, T‑113/07, EU:T:2011:343, punt 44, en 12 juli 2011, Mitsubishi Electric, T‑133/07, EU:T:2011:345, punt 43).

71 In punt 8 van de mededeling van de Commissie betreffende de regels voor toegang tot het dossier van de Commissie overeenkomstig de artikelen 101 en 102 VWEU, de artikelen 53, 54 en 57 van de EER-Overeenkomst en verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (PB 2005, C 325, blz. 7), is overigens bepaald dat het „dossier van de Commissie” bij het onderzoek van een mededingingszaak alle documenten omvat die door het directoraat-generaal Concurrentie van de Commissie tijdens het onderzoek zijn verkregen, overgelegd of verzameld. In punt 27 van genoemde regels is het volgende gepreciseerd: „Toegang tot het dossier wordt op verzoek en normaal gesproken bij één enkele gelegenheid geboden – nadat de Commissie de partijen haar punten van bezwaar heeft meegedeeld – om het beginsel van de processuele gelijkheid te garanderen en om de rechten van de verdediging te beschermen. Als algemene regel geldt daarom dat geen toegang wordt verleend tot de antwoorden van andere partijen op de punten van bezwaar van de Commissie. Een partij krijgt evenwel toegang tot documenten die na de mededeling van punten van bezwaar in latere fasen van de administratieve procedure zijn ontvangen, wanneer dergelijke documenten nieuw bewijsmateriaal – ongeacht of het om bewijsmateriaal à charge of à décharge gaat – kunnen vormen betreffende de verklaringen in verband met die partij in de mededeling van punten van bezwaar van de Commissie. Dit is in het bijzonder het geval wanneer de Commissie voornemens is nieuw bewijsmateriaal te gebruiken.”

72 Hieruit volgt dat het, anders dan verzoeksters stellen, aan de Commissie is om een eerste beoordeling te verrichten van de mogelijkerwijs ontlastende aard van de inlichtingen in documenten die na de mededeling van punten van bezwaar zijn ontvangen, wanneer een van de betrokken ondernemingen om toegang tot dergelijke documenten vraagt.

73 Verzoeksters kunnen zich in dat verband niet beroepen op de rechtspraak dat de Commissie, die de punten van bezwaar meedeelt en de sanctiebeschikking vaststelt, niet alleen kan bepalen welke documenten voor het verweer van de betrokken onderneming van nut zijn, aangezien die overweging, die betrekking heeft op stukken die zich in het dossier van de Commissie bevinden, niet geldt voor de antwoorden van de andere betrokken partijen op de door de Commissie meegedeelde punten van bezwaar (arrest van 27 september 2012, Shell Petroleum e.a./Commissie, T‑343/06, EU:T:2012:478, punt 89).

74 Daarnaast is er reden tot afwijzing van verzoeksters’ stelling dat de omstandigheid dat hun deelname aan één enkele en voortdurende inbreuk wordt verweten, rechtvaardigt dat hun toegang tot de antwoorden van de andere adressaten van de mededeling van punten van bezwaar wordt verleend, zodat zij zelf het ontlastend bewijsmateriaal in die antwoorden kunnen ontdekken. Dienaangaande volstaat de opmerking dat ook in de zaken die hebben geleid tot de arresten van 12 juli 2011, Toshiba/Commissie (T‑113/07, EU:T:2011:343), 12 juli 2011, Mitsubishi Electric/Commissie (T‑133/07, EU:T:2011:345), en 27 september 2012, Shell Petroleum e.a./Commissie (T‑343/06, EU:T:2012:478), het verwijt aan de verzoekende partijen luidde dat zij aan één enkele en voortdurende inbreuk hadden deelgenomen.

75 In de tweede plaats kan het argument waarmee verzoeksters in essentie stellen dat de Commissie hun rechten van verdediging heeft geschonden door op basis van een onjuiste beoordeling van de relevantie van de inlichtingen in de antwoorden van de andere adressaten van de mededeling van punten van bezwaar te weigeren hun toegang tot de niet-vertrouwelijke versie van bedoelde antwoorden te verlenen, evenmin slagen.

76 Wanneer de Commissie een in haar bezit zijnd document dat als ontlastend kan worden aangemerkt omdat dit kan aantonen dat een onderneming die wordt verweten aan een mededingingsregeling te hebben deelgenomen onschuldig is, niet aan deze onderneming meedeelt, schendt zij de rechten van verdediging van deze onderneming wanneer bedoelde onderneming bewijst dat zij het stuk in kwestie voor haar verdediging had kunnen gebruiken (zie in die zin arrest van 19 december 2013, Siemens e.a./Commissie, C‑239/11 P, C‑489/11 P en C‑498/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:866, punt 367).

77 Dit bewijs kan worden geleverd door aan te tonen dat de niet-openbaarmaking ervan het verloop van de procedure en de strekking van het besluit van de Commissie in het nadeel van de betrokken onderneming heeft kunnen beïnvloeden, of de verdediging van de belangen van die onderneming in de loop van de administratieve procedure heeft geschaad of bemoeilijkt (arrest van 19 december 2013, Siemens e.a./Commissie, C‑239/11 P, C‑489/11 P en C‑498/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:866, punt 368).

78 De mogelijkheid dat een niet-overgelegd document het verloop van de procedure en de inhoud van het besluit van de Commissie heeft kunnen beïnvloeden, kan slechts worden aangetoond na een voorlopig onderzoek van bepaalde bewijzen, waaruit zou blijken dat de niet-overgelegde stukken – gelet op die bewijzen – mogelijk een belang hadden dat niet had mogen worden verwaarloosd (arrest van 14 maart 2013, Fresh Del Monte Produce/Commissie, T‑587/08, EU:T:2013:129, punt 688).

79 Op dit punt kan van verzoekende partijen die een middel van schending van de rechten van hun verdediging hebben aangevoerd, niet worden verlangd dat zij in hun verzoekschrift een uitgewerkt betoog ontwikkelen of een reeks aanwijzingen uitvoerig beschrijven om aan te tonen dat de administratieve procedure een andere uitkomst had kunnen hebben, indien zij toegang hadden gehad tot bepaalde gegevens, die hun nooit zijn meegedeeld. Die aanpak zou er namelijk op neerkomen dat van hen een probatio diabolica wordt vereist (arrest van 14 maart 2013, Fresh Del Monte Produce/Commissie, T‑587/08, EU:T:2013:129, punt 689).

80 De verzoekende partij moet echter een eerste aanwijzing geven over het nut van de niet-meegedeelde documenten voor haar verdediging (arrest van 14 maart 2013, Fresh Del Monte Produce/Commissie, T‑587/08, EU:T:2013:129, punt 690).

81 In de onderhavige zaak moet bijgevolg worden nagegaan of de door verzoeksters aangevoerde argumenten een eerste aanwijzing over het nut van de antwoorden van de andere adressaten van de mededeling van punten van bezwaar voor hun verdediging geven.

82 Verzoeksters betogen dat de toegang tot de antwoorden van de andere adressaten van de mededeling van punten van bezwaar hen in staat zou hebben gesteld om het bewijs van een negatief feit te leveren, namelijk dat noch Pirelli noch Nexans France te kennen heeft gegeven dat de bijeenkomst van 14 december 2001 te Divonne-les-Bains, die volgens de Commissie het beginpunt van verzoeksters’ deelname aan het kartel vormt, een R-bijeenkomst was. Volgens hen had de toegang tot deze antwoorden hun ook de mogelijkheid geboden om te bevestigen dat de andere kartelleden zich ervan bewust waren dat zij hun deelname aan het kartel in 2005 hadden onderbroken.

83 Ten eerste moet er ten aanzien van de bijeenkomst van 14 december 2001 te Divonne-les-Bains op worden gewezen dat de omstandigheid dat die bijeenkomst in het verzoek om inlichtingen van de Commissie van 31 maart 2010 is vermeld en dat verzoeksters toegang tot de antwoorden van de andere adressaten van dit verzoek om inlichtingen hebben gehad, anders dan de Commissie stelt, niet betekent dat er geen belang meer was bij hun verzoek om toegang tot de antwoorden van de andere adressaten van de mededeling van punten van bezwaar. De inhoud van de antwoorden van Nexans France en Pirelli op het verzoek om inlichtingen van de Commissie van 31 maart 2010, waarin die karteldeelnemers geen standpunt ten aanzien van hun deelname aan de bijeenkomst van 14 december 2001 te Divonne-les-Bains en het voorwerp van die bijeenkomst hebben ingenomen, kan immers niet vooruitlopen op hun standpunt dienaangaande in hun antwoord op de mededeling van punten van bezwaar.

84 Niettemin moet erop worden gewezen dat de omstandigheid dat de andere karteldeelnemers zich in hun antwoorden op de mededeling van punten van bezwaar niet hebben uitgelaten over de aard van de bijeenkomst van 14 december 2001 te Divonne-les-Bains, aangenomen dat dit ook het geval was, als zodanig geen bijdrage kan leveren aan de verdediging van verzoeksters.

85 Vast staat immers dat de Commissie in de mededeling van punten van bezwaar heeft uiteengezet dat op 14 december 2001 een R-bijeenkomst te Divonne-les-Bains is gehouden en dat de deelnemers aan die bijeenkomst in elk geval Nexans France, vertegenwoordigd door J., Sagem, vertegenwoordigd door V., en Brugg Kabel, vertegenwoordigd door N., waren.

86 Het feit dat Nexans France en Sagem in het licht van een dergelijke beschuldiging niet eventueel hebben getracht om de aard van de bijeenkomst van 14 december 2001 te Divonne-les-Bains te bestrijden in hun antwoorden op de mededeling van punten van bezwaar, wijst er eerder op dat zij de hun door de Commissie verweten feiten dienaangaande erkenden.

87 Voor zover verzoeksters’ betoog er tevens op ziet dat Pirelli vermeend geen standpunt ten aanzien van de aard van de bijeenkomst van 14 december 2001 te Divonne-les-Bains heeft ingenomen, moet dit worden verworpen, aangezien verzoeksters in hun eigen antwoorden op de mededeling van punten van bezwaar zelf hebben toegegeven dat Pirelli aan bedoelde bijeenkomst heeft deelgenomen (zie punt 156 hieronder). De Commissie heeft Pirelli er in de mededeling van punten van bezwaar immers niet van beschuldigd dat zij aan genoemde bijeenkomst heeft deelgenomen, zodat het feit dat zij geen standpunt ten aanzien van de aard van die bijeenkomst heeft ingenomen, in elk geval niet zo kan worden uitgelegd dat zij bevestigde dat die bijeenkomst een al dan niet mededingingsverstorende aard had.

88 Ten tweede is verzoeksters’ betoog dat de antwoorden van de andere adressaten van de mededeling van punten van bezwaar ongetwijfeld gegevens bevatten waarmee kon worden aangetoond dat zij hun deelname aan het kartel in 2005 hadden onderbroken, onvoldoende nauwkeurig. Verzoeksters zetten namelijk niet uiteen welke feiten aan de hand van de antwoorden van de andere adressaten van de mededeling van punten van bezwaar hadden kunnen worden aangetoond of welke specifieke beweringen van de Commissie in de mededeling van punten van bezwaar over de deelname aan het kartel in 2005 aan de hand van deze antwoorden in twijfel hadden kunnen worden getrokken. Verzoeksters lichten evenmin toe waarom zij de mening zijn toegedaan dat zich in de antwoorden van alle adressaten van de mededeling van punten van bezwaar ontlastende gegevens ten aanzien van hun deelname aan het kartel in 2005 zouden kunnen bevinden.

89 Derhalve moet worden geoordeeld dat verzoeksters’ argumenten niet een eerste aanwijzing over het nut van de niet aan hen meegedeelde antwoorden van de andere adressaten van de mededeling van punten van bezwaar voor hun verdediging geven.

90 Gelet op de rechtspraak die hierboven in punt 73 in herinnering is gebracht, is ook het door verzoeksters ter terechtzitting aangevoerde argument dat het feit dat de Commissie geen niet-vertrouwelijke versie van de antwoorden van alle adressaten van de mededeling van punten van bezwaar heeft gemaakt, zodat de eventueel daarin vervatte ontlastende gegevens ten aanzien van een onderneming aan die onderneming konden worden meegedeeld, aantoont dat de Commissie in casu het beginsel van processuele gelijkheid niet in acht heeft genomen, ongegrond.

91 Bijgevolg is het tweede onderdeel van het eerste middel, en derhalve dit middel in zijn geheel, ongegrond.

2. Tweede middel: onbevoegdheid van de Commissie om op te treden tegen een inbreuk die in derde landen is gepleegd en geen weerslag in de EER heeft

92 Verzoeksters betogen dat de Commissie niet bevoegd was om artikel 101 VWEU toe te passen op de gedragingen die buiten de EER hebben plaatsgevonden of op de buiten de EER te realiseren projecten, aangezien die geen weerslag in de EER hadden. Aangezien er geen bewijs is dat de gedragingen betreffende elk van die projecten onmiddellijke, wezenlijke en voorzienbare gevolgen in de EER had in de zin van de rechtspraak, mocht de Commissie die niet eenvoudigweg aan de enkele en voortdurende inbreuk toekennen om daar haar extraterritoriale bevoegdheid op te baseren, op het gevaar af dat zij die bevoegdheid een oneindig karakter zou kunnen verlenen.

93 De Commissie bestrijdt verzoeksters’ argumenten.

94 Wat de territoriale toepasselijkheid van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst betreft, moet eraan worden herinnerd dat de mededingingsregel van de Unie die in artikel 101 VWEU is neergelegd, inhoudt dat overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging „binnen de interne markt” wordt verhinderd, beperkt of vervalst, verboden zijn.

95 Daarnaast moet erop worden gewezen dat in twee gevallen aan de voorwaarden voor de territoriale toepassing van artikel 101 VWEU kan zijn voldaan.

96 In de eerste plaats is de toepassing van artikel 101 VWEU gerechtvaardigd wanneer de gedragingen waarop deze bepaling ziet, op het grondgebied van de interne markt in de praktijk worden gebracht, en dit los van de plaats waar die vorm hebben gekregen. Indien de toepasselijkheid van de mededingingsrechtelijke verbodsbepalingen afhankelijk zou worden gesteld van de plaats waar het kartel is gevormd, zou het de ondernemingen immers wel erg gemakkelijk worden gemaakt om de verbodsbepalingen te omzeilen (arrest van 27 september 1988, Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie, 89/85, 104/85, 114/85, 116/85, 117/85 en 125/85–129/85, EU:C:1988:447, punt 16).

97 In de tweede plaats heeft het Hof reeds geoordeeld dat de toepassing van artikel 101 VWEU ook gerechtvaardigd is wanneer te voorzien is dat de gedragingen waarop deze bepaling ziet, onmiddellijke en wezenlijke gevolgen binnen de interne markt hebben (arrest van 25 november 1971, Béguelin Import, 22/71, EU:C:1971:113, punt 11). Daarbij is het van belang erop te wijzen dat met die benadering hetzelfde doel wordt nagestreefd als met de benadering die op de tenuitvoerlegging van een overeenkomst op het grondgebied van de Unie wordt nagestreefd, namelijk de gedragingen te vatten die weliswaar niet op dat grondgebied tot stand zijn gekomen maar die mededingingsverstorende gevolgen op de markt van de Unie kunnen sorteren.

98 Ook moet worden opgemerkt dat de voorwaarden voor toepassing van artikel 101 VWEU die hierboven in respectievelijk de punten 96 en 97 zijn vermeld, alternatieve en niet cumulatieve wegen zijn waarlangs de bevoegdheid van de Commissie om een inbreuk op die bepaling vast te stellen en daartegen op te treden kan worden aangetoond.

99 De Commissie was in het bestreden besluit van oordeel dat in de onderhavige zaak aan de voorwaarde inzake de tenuitvoerlegging van de mededingingsregeling binnen de EER en die inzake gekwalificeerde gevolgen binnen de EER was voldaan (overwegingen 467-469 van het bestreden besluit).

100 Verzoeksters betogen echter dat de Commissie voor elk van de buiten de EER te realiseren projecten had moeten aantonen dat die voldoende weerslag binnen de Unie hadden om, in de zin van de rechtspraak, de territoriale toepasselijkheid van artikel 101 VWEU op dat deel van de betrokken inbreuk te rechtvaardigen.

101 Dit betoog kan niet slagen.

102 Wat het kartelgedrag betreffende de buiten de EER te realiseren projecten betreft, moet erop worden gewezen dat de overeenkomst inzake de „exportgebieden”, op grond waarvan de Europese en de Aziatische producenten onderling binnen die gebieden te realiseren projecten verdeelden, op het grondgebied van de EER in de praktijk is gebracht. Zo volgt uit overweging 79 van het bestreden besluit en overweging 247 daarvan, waarnaar overweging 468 van dat besluit verwijst, dat Griekenland geen deel uitmaakte van het „Europese thuisland” in de zin van de overeenkomst inzake het „thuisland” en dat de projecten in Griekenland te plaatsen waren in het kader van de toekenning van projecten met inachtneming van het „60/40-quotum”, op grond van de overeenkomst over de „exportgebieden”. Bovendien blijkt uit de overwegingen 81 en 82 van het bestreden besluit dat de A-kartelleden meenden dat de projecten die een lidstaat van de Unie met een derde land verbonden, moesten worden ingedeeld bij het 60 %‑quotum dat aan de R-kartelleden was toegekend, zoals het project dat Spanje met Marokko verbond, dat in overweging 232 van het bestreden besluit is vermeld.

103 Daarentegen moet ook worden opgemerkt dat het gedrag van de Europese ondernemingen dat erin bestond dat, ter uitvoering van de overeenkomst over het „thuisland”, niet werd geconcurreerd voor projecten die in het „thuisland” van de Aziatische ondernemingen moesten worden gerealiseerd, per definitie niet op het grondgebied van de EER is geïmplementeerd.

104 Anders dan verzoeksters betogen, volgt daaruit echter niet dat de Commissie het bewijs had moeten leveren dat elk van de volgens de overeenkomst over het „thuisland” buiten de EER te realiseren projecten, voldoende weerslag op de Unie had om de territoriale toepasselijkheid van artikel 101 VWEU te rechtvaardigen.

105 Uit de hierboven in punt 97 aangehaalde rechtspraak volgt immers dat de Commissie de toepasselijkheid van artikel 101 VWEU op de enkele en voortdurende inbreuk zoals zij die in het bestreden besluit had vastgesteld, op de voorzienbare, onmiddellijke en wezenlijke gevolgen daarvan voor de interne markt mocht baseren.

106 In dit verband is het van belang erop te wijzen dat artikel 101 VWEU kan worden toegepast op gedragingen en overeenkomsten die hetzelfde mededingingsverstorende doel nastreven, wanneer het te voorzien is dat deze gedragingen en overeenkomsten, bij een gezamenlijke beschouwing ervan, onmiddellijke en wezenlijke gevolgen op de interne markt sorteren. Het kan ondernemingen immers niet worden toegestaan de toepassing van de mededingingsregels van de Unie te omzeilen door verschillende, op een en hetzelfde doel gerichte gedragingen te combineren die elk afzonderlijk geen wezenlijk gevolg in de Unie kunnen teweegbrengen, maar wel bij gezamenlijke beschouwing ervan.

107 Opgemerkt moet worden dat het enige doel van de mededingingsregeling was om de mededinging voor de in specifieke gebieden te realiseren projecten voor onderzeese en ondergrondse (super)hoogspanningskabels te beperken door afspraken over de toekenning van opdrachten en afnemers te maken en daardoor de normale marktwerking binnen de EER te vervalsen.

108 Bijgevolg, en anders dan verzoeksters stellen, moest aan de hand van een gezamenlijke beschouwing van de gevolgen van de verschillende gedragingen die in overweging 493 van het bestreden besluit zijn beschreven, met inbegrip van die betreffende de buiten de EER te realiseren projecten, worden nagegaan of artikel 101 VWEU in casu toepasselijk was.

109 Vastgesteld moet worden dat de Commissie geen fout heeft begaan door in overweging 469 van het bestreden besluit te constateren dat de gevolgen voor de mededinging binnen de EER, waaronder voor de interne markt, van de gedragingen en overeenkomsten waaraan de karteldeelnemers hebben deelgenomen, voorzienbaar, wezenlijk en onmiddellijk waren.

110 Het volstaat in dat verband dat rekening wordt gehouden met de waarschijnlijke gevolgen van een gedraging voor de mededinging, wil aan de voorwaarde inzake voorzienbaarheid worden voldaan.

111 Wat de onmiddellijkheid van de gevolgen van de betrokken gedragingen op het grondgebied van de Unie betreft, moet worden opgemerkt dat die noodzakelijkerwijs een directe invloed op de op dat grondgebied te leveren (super)hoogspanningskabels hadden, aangezien dit het voorwerp van de verschillende bijeenkomsten en contacten van de karteldeelnemers was (overweging 66 van het bestreden besluit). Daarnaast heeft de onderlinge verdeling tussen de kartelleden, die zowel direct binnen als buiten dit grondgebied heeft plaatsgevonden, voorzienbare gevolgen voor de mededinging binnen dat grondgebied gehad, zoals de Commissie terecht opmerkt.

112 Wat het wezenlijke van de gevolgen binnen de Unie betreft, moet worden gewezen op het aantal en de omvang van de producenten die aan het kartel hebben deelgenomen, die bijna de gehele markt vertegenwoordigden, alsook de brede waaier van producten die negatief door de verschillende overeenkomsten is beïnvloed en de ernst van de betrokken gedragingen. Ook moet worden gewezen op de aanzienlijke duur van de enkele en voortdurende inbreuk, die tien jaar heeft belopen. Bij gezamenlijke beschouwing ervan, dragen al deze factoren bij tot het bewijs dat de gevolgen van de betrokken gedragingen op het grondgebied van de Unie wezenlijk waren (overwegingen 66, 492, 493 en 620 van het bestreden besluit).

113 Derhalve moet de conclusie luiden dat de enkele en voortdurende inbreuk zoals de Commissie die in het bestreden besluit heeft omschreven, binnen de werkingssfeer van artikel 101 VWEU viel en dat de Commissie bevoegd was om daarvoor een sanctie op te leggen. In die omstandigheden hoefde de Commissie niet concreet voor elk van de buiten de EER te realiseren projecten aan te tonen dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 101 VWEU was voldaan.

114 Bovendien moet ten aanzien van verzoeksters’ grief dat de Commissie heeft omzeild dat de overeenkomst over de „exportgebieden” geen gevolgen binnen de EER had, door die kunstmatig in de enkele en voortdurende inbreuk te integreren om zo artikel 101 VWEU daarop toe te passen, worden opgemerkt dat daarmee in wezen wordt bestreden dat de enkele en voortdurende inbreuk zoals de Commissie die in het bestreden besluit heeft omschreven ook bestond, en niet de toepasselijkheid van artikel 101 VWEU op bedoelde inbreuk.

115 Daarnaast voeren verzoeksters niets aan dat deze grief kan onderbouwen, zodat die moet worden afgewezen omdat het een blote stelling betreft.

116 Gelet op de voorgaande overwegingen is het tweede middel ongegrond.

3. Derde en vierde middel: beoordelingsfout, schending van de onschuldpresumptie, feitelijke onjuistheden, onjuiste opvatting van het bewijs en niet-nakoming van de motiveringsplicht voor zover het de vermeende deelname van verzoeksters aan één enkele en voortdurende inbreuk betreft

117 Ter ondersteuning van het derde en het vierde middel, die gezamenlijk moeten worden behandeld, voeren verzoeksters meerdere argumenten aan. Ten eerste verwijten zij de Commissie dat zij het begrip enkele inbreuk heeft gebruikt om een kwalificatie aan de verschillende bestanddelen van het kartel te hechten. Ten tweede betogen zij dat de Commissie aan haar motiveringsplicht heeft verzaakt voor zover het hun ononderbroken deelname aan de inbreuk betreft en onvoldoende bewijzen heeft aangedragen voor zover het de begindatum van hun deelname aan de inbreuk en de ononderbroken duur daarvan betreft. Ten derde verwijten zij de Commissie dat zij hen voor één enkele en voortdurende inbreuk aansprakelijk heeft gehouden, zelfs wanneer zij niet het voornemen hadden om aan het geheel van de doelstellingen van de mededingingsregeling bij te dragen en zij niet op de hoogte waren van bepaalde inbreukmakende gedragingen. Ten vierde geven zij te kennen dat de Commissie had moeten aantonen dat zij wetenschap hadden van de afspraken over elk van de projecten of dat zij die voor de thuismarkten of onderzeese stroomkabels op zijn minst konden voorzien. Ten vijfde verwijten zij de Commissie dat zij niet heeft verduidelijkt over welke projecten afspraken moesten worden gemaakt, maar heeft volstaan met het vermelden van afkortingen of generieke benamingen, en dat zij hetzelfde project als meerdere afzonderlijke projecten heeft opgevoerd omdat dit licht verschillend werd aangeduid.

a) Inleidende opmerkingen

118 Uit de rechtspraak volgt dat de Commissie niet alleen het bestaan van de mededingingsregeling moet bewijzen, doch ook de duur ervan. Wat meer in het bijzonder het bewijs van een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU betreft, staat het aan de Commissie om de door haar vastgestelde inbreuken te bewijzen en bewijsmateriaal aan te voeren dat rechtens genoegzaam het bestaan aantoont van de feiten die een inbreuk vormen. Indien de rechter twijfels heeft, dienen deze in het voordeel te werken van de adressaat van het besluit waarbij een inbreuk is vastgesteld. De rechter kan dus niet vaststellen dat de Commissie de betrokken inbreuk rechtens genoegzaam heeft aangetoond, wanneer daarover bij hem nog twijfel bestaat, met name in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een boetebesluit of tot verlaging van die geldboete. In dit laatste geval dient immers rekening te worden gehouden met het beginsel van het vermoeden van onschuld, dat deel uitmaakt van de fundamentele rechten die in de rechtsorde van de Unie worden beschermd en dat is neergelegd in artikel 48, lid 1, van het Handvest. Gelet op de aard van de betrokken inbreuken en op de aard en de zwaarte van de daaraan verbonden sancties geldt het beginsel van het vermoeden van onschuld met name voor procedures betreffende inbreuken op de voor ondernemingen geldende mededingingsregels die tot het opleggen van geldboeten of dwangsommen kunnen leiden. De Commissie dient dus nauwkeurig bepaalde en onderling overeenstemmende bewijzen aan te voeren die de vaste overtuiging kunnen dragen dat de inbreuk is gepleegd (zie arrest van 17 mei 2013, Trelleborg Industrie en Trelleborg/Commissie, T‑147/09 en T‑148/09, EU:T:2013:259, punt 50en aldaar aangehaalde rechtspraak).

119 Het is echter eveneens vaste rechtspraak dat niet elk van de door de Commissie aangevoerde bewijzen noodzakelijkerwijs voor elk onderdeel van de inbreuk aan deze criteria hoeft te voldoen. Het is voldoende dat de door deze instelling aangevoerde verzameling aanwijzingen, in haar geheel beschouwd, aan dit vereiste voldoet (zie arrest van 17 mei 2013, Trelleborg Industrie en Trelleborg/Commissie, T‑147/09 en T‑148/09, EU:T:2013:259, punt 51en aldaar aangehaalde rechtspraak).

120 Voorts is het gebruikelijk dat de activiteiten die met mededingingsverstorende overeenkomsten verband houden, clandestien worden verricht, dat bijeenkomsten in het geheim worden gehouden en dat de desbetreffende documentatie tot een minimum wordt beperkt. Zelfs wanneer de Commissie stukken ontdekt waaruit expliciet blijkt dat de marktdeelnemers onrechtmatige contacten hebben onderhouden, zoals de notulen van vergaderingen, zijn die dus doorgaans slechts fragmentarisch en schaars, zodat bepaalde details vaak via deductie moeten worden gereconstrueerd. In de meeste gevallen moet het bestaan van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (arresten van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punten 55‑57, en 25 januari 2007, Sumitomo Metal Industries en Nippon Steel/Commissie, C‑403/04 P en C‑405/04 P, EU:C:2007:52, punt 51).

121 Voorts is in de rechtspraak vereist dat de Commissie zich bij het ontbreken van bewijsmateriaal waarmee de duur van een inbreuk rechtstreeks kan worden aangetoond, ten minste op bewijzen baseert betreffende feiten die zich zo kort na elkaar hebben voorgedaan, dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze inbreuk tussen twee welbepaalde tijdstippen zonder onderbreking heeft voortgeduurd (arrest van 7 juli 1994, Dunlop Slazenger/Commissie, T‑43/92, EU:T:1994:79, punt 79; zie ook arrest van 16 november 2006, Peróxidos Orgánicos/Commissie, T‑120/04, EU:T:2006:350, punt 51en aldaar aangehaalde rechtspraak).

b) Of sprake is van één enkele inbreuk

122 Verzoeksters betogen in essentie dat de door de Commissie geïdentificeerde gedragingen niet voldoen aan de criteria voor één enkele en voortdurende inbreuk die in de rechtspraak zijn vastgesteld. Zij geven meer bepaald te kennen dat de producten en diensten niet dezelfde waren aangezien onderzeese en ondergrondse stroomkabels onderscheiden markten vertegenwoordigen, dat de ondernemingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen slechts ten dele dezelfde ondernemingen waren aangezien zijzelf, Silec Cable, Mitsubishi Cable Industries, SWCC Showa Holdings, LS Cable & Systems, Taihan Electric Wire en nkt cables geen onderzeese stroomkabels vervaardigen, dat de natuurlijke personen die aan de verschillende bestanddelen van de mededingingsregeling hebben deelgenomen slechts ten dele dezelfde waren, aangezien Pirelli of Prysmian, nkt cables en ABB steeds verschillende vertegenwoordigers naar de bijeenkomsten over onderzeese stroomkabels en over ondergrondse stroomkabels zonden, en dat de overeenkomsten niet op dezelfde wijze zijn uitgevoerd, aangezien steeds afzonderlijk over de projecten voor ondergrondse stroomkabels en de projecten voor onderzeese kabels werd gesproken en de overzichtsbladen inzake het „60/40-quotum” afzonderlijk werden opgesteld, afhankelijk van het soort stroomkabel. Ook merken zij op dat de Commissie niet heeft aangetoond dat er complementariteit tussen de verschillende gedragingen was.

123 De Commissie bestrijdt verzoeksters’ argumenten.

124 Om te beginnen moet de vaste rechtspraak in herinnering worden gebracht dat schending van artikel 101, lid 1, VWEU niet alleen kan voortvloeien uit een opzichzelfstaande handeling, maar eveneens uit een reeks handelingen of een voortdurende gedraging, ook al zouden een of meer onderdelen van deze reeks handelingen of van deze voortdurende gedraging ook op zich, afzonderlijk, een schending van deze bepaling kunnen opleveren. Wanneer de verschillende handelingen vanwege hun identieke doel, te weten de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te verstoren, deel uitmaken van een „totaalplan”, mag de Commissie de aansprakelijkheid voor deze handelingen dus bepalen aan de hand van de deelname aan de betrokken inbreuk in zijn geheel (arresten van 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, punt 41, en 26 januari 2017, Villeroy & Boch/Commissie, C‑625/13 P, EU:C:2017:52, punt 55).

125 Voor de beoordeling of sprake is van één enkele inbreuk zijn in de rechtspraak verschillende criteria relevant geacht: de vraag of de betrokken praktijken dezelfde doelstellingen nastreven, of het gaat om dezelfde producten en diensten, of dezelfde ondernemingen aan de inbreuk hebben deelgenomen en of de uitvoeringswijze dezelfde is. Bij dit onderzoek kan ook rekening worden gehouden met het feit dat dezelfde natuurlijke personen voor rekening van de ondernemingen optreden en dat de betrokken praktijken hetzelfde gebied bestrijken (arrest van 17 mei 2013, Trelleborg Industrie en Trelleborg/Commissie, T‑147/09 en T‑148/09, EU:T:2013:259, punt 60).

126 In casu is de overeenkomst over het „thuisland” in hetzelfde tijdvak binnen de EER ten uitvoer gelegd als de toewijzing van stroomkabelprojecten in het kader van de Europese kartelconfiguratie, hadden beide betrekking op onderzeese hoogspanningskabels en ondergrondse hoogspanningskabels en waren bij beide dezelfde Europese producenten betrokken en, wat de overeenkomst over de „exportgebieden” betreft, dezelfde Japanse en Zuid-Koreaanse producenten. Anders dan verzoeksters stellen, waren voorts, met uitzondering van het geval van Pirelli, dezelfde natuurlijke personen voor rekening van de ondernemingen betrokken bij de verschillende bestanddelen van de mededingingsregeling. Tevens werd met de verschillende maatregelen hetzelfde gemeenschappelijke doel nagestreefd, te weten het invoeren van een systeem voor de verdeling van de wereldwijde markt van projecten voor hoogspanningskabels, met uitzondering van de Verenigde Staten.

127 Aan die vaststelling kan niet worden afgedaan door verzoeksters’ argumenten.

128 Aangaande de stelling dat de inbreuk niet als enkele inbreuk kan worden gekwalificeerd omdat ondergrondse hoogspanningskabels en onderzeese hoogspanningskabels onderscheiden producten zijn die aan onderscheiden behoeften voldoen en uiteindelijk tot onderscheiden markten behoren, moet immers ten eerste worden opgemerkt dat in de overeenkomst over het „thuisland” geen onderscheid werd gemaakt naargelang het soort stroomkabel. Ten tweede, en anders dan verzoeksters stellen, blijkt uit de door de Commissie gegeven voorbeelden van de werking van de mechanismen waarmee toezicht op de „Europese kartelconfiguratie” (overwegingen 333‑338, 399 en 400 van het bestreden besluit) en de „A/R-kartelconfiguratie” (overweging 106 van genoemd besluit) werd gehouden, dat compensatie tussen projecten voor ondergrondse hoogspanningskabels en projecten voor onderzeese hoogspanningskabels kon worden verleend, zodat er vanuit het oogpunt van de partijen bij het kartel in dat opzicht kennelijk geen verschil bestond. Dit wordt geïllustreerd aan de hand van de uitwisseling van e-mails waarvan de inhoud in overweging 399 van het bestreden besluit is vermeld, waarin A., een werknemer van Prysmian, aan R., een werknemer van Nexans France, te kennen heeft gegeven dat hij weigerde de winst als gevolg van de toekenning van het ondergrondse deel van een project voor onderzeese hoogspanningskabels aan Prysmian te compenseren met een ander project, maar bereid was na te denken over een onderaannemingsovereenkomst volgens de beginselen die op de toewijzing van een project in de Unie van toepassing waren, zonder een onderscheid te maken naargelang het projecten voor onderzeese hoogspanningskabels of projecten voor ondergrondse hoogspanningskabels waren.

129 De omstandigheid dat sommige ondernemingen die bij de mededingingsregeling partij waren, zoals verzoeksters, niet de capaciteit of de wens hadden om de toewijzing van projecten voor onderzeese stroomkabels te trachten te verkrijgen, is in dat verband van geen belang.

130 Ten aanzien van verzoeksters’ stelling dat over de projecten voor onderzeese stroomkabels en projecten voor ondergrondse stroomkabels afzonderlijk werd vergaderd tijdens de A/R-bijeenkomsten, volstaat de opmerking dat, zelfs wanneer tijdens sommige van die bijeenkomsten afzonderlijk werd ingegaan op de projecten, afhankelijk van het soort stroomkabel dat aan de orde was, zoals blijkt uit de uitnodigingen voor de bijeenkomsten van 11 september 2003 en 28 januari 2004, deze stelling wordt tegengesproken door het feit dat de projecten voor onderzeese stroomkabels en de projecten voor ondergrondse stroomkabels bij andere gelegenheden tijdens een en dezelfde bijeenkomst werden besproken. De Commissie heeft immers in antwoord op een vraag van het Gerecht een uittreksel uit bijlage I bij het bestreden besluit overgelegd, waarin een aantal bijeenkomsten is vermeld waarvan vaststaat dat die betrekking hadden op zowel ondergrondse stroomkabels als onderzeese stroomkabels tijdens een en dezelfde sessie. De Commissie heeft in dat verband gepreciseerd dat dit uittreksel geen inlichtingen bevatte over bijeenkomsten waarop afzonderlijke sessies over meerdere dagen zijn gehouden of over bijeenkomsten waarbij duidelijk uit de organisatie daarvan bleek dat tijdens verschillende sessies op de projecten voor ondergrondse stroomkabels en die voor onderzeese stroomkabels was ingegaan. Zij merkt evenwel op dat de vertegenwoordigers van de ondernemingen zelfs bij dat soort bijeenkomsten dezelfde waren voor de besprekingen over ondergrondse stroomkabels en die over onderzeese stroomkabels. Daarenboven heeft zij de in de voetnoten van die bijlage vermelde bewijzen bij haar antwoord gevoegd, waarop zij zich heeft gebaseerd voor haar standpunt dat de projecten voor onderzeese hoogspanningskabels en de projecten voor ondergrondse hoogspanningskabels tijdens gemeenschappelijke sessies werden besproken op die bijeenkomsten.

131 Na tijdens de terechtzitting door het Gerecht te zijn verzocht om een standpunt ten aanzien van deze documenten in te nemen, hebben verzoeksters niet meer te kennen gegeven dan dat zij niet in staat waren om commentaar te leveren bij de werkwijze daarvan, aangezien zij niet aan de A/R-bijeenkomsten hadden deelgenomen.

132 Uit het door de Commissie overgelegde bewijs blijkt echter dat de projecten voor onderzeese hoogspanningskabels en de projecten voor ondergrondse hoogspanningskabels tijdens gemeenschappelijke sessies zijn besproken op ten minste dertien A/R-bijeenkomsten die tussen 22 februari 2001 en 27 maart 2003 zijn gehouden. Deze vaststelling volstaat voor de verwerping van verzoeksters’ argument dat voor de projecten voor onderzeese stroomkabels en de projecten voor ondergrondse stroomkabels afzonderlijke sessies werden gehouden tijdens genoemde bijeenkomsten.

133 Aangaande verzoeksters’ argument dat ook tijdens de bijeenkomsten van de R-leden van het kartel afzonderlijk werd vergaderd over de projecten voor onderzeese stroomkabels en de projecten voor ondergrondse stroomkabels, moet worden opgemerkt dat zij geen bewijs ter staving daarvan aanvoeren.

134 In dat verband volgt uit de overwegingen 114, 249 en 534 van het bestreden besluit dat de Commissie van oordeel was dat de R-bijeenkomsten, die vooraf werden gegaan door een diner op de vooravond waaraan alle aanwezige leden deelnamen, begonnen met een algemeen deel, tijdens hetwelk de partijen de algemene situatie op de markt en binnen hun ondernemingen bespraken. Nog steeds volgens de in dat besluit gegeven toelichting brachten Nexans France en Pirelli/Prysmian de minder belangrijke Europese producenten, zoals verzoeksters, tijdens dit algemene deel op de hoogte van de gebeurtenissen die zich in het kader van de A/R-bijeenkomsten hadden voorgedaan. Vervolgens bespraken de deelnemers de projecten in de EER en in de „exportgebieden”, waarbij te kennen werd gegeven welke producenten „preferentie” of „belangstelling” voor een bepaald project claimden of verkregen. Deze beschrijving van het verloop van de R-bijeenkomsten suggereert dat de partijen alle projecten bespraken, zonder een onderscheid te maken tussen de projecten voor ondergrondse stroomkabels en de projecten voor onderzeese stroomkabels. Uit het antwoord van verzoeksters op de mededeling van punten van bezwaar blijkt echter dat tijdens de R-bijeenkomst van 18 en 19 november 2003 afzonderlijk is vergaderd over de projecten voor onderzeese stroomkabels en de projecten voor ondergrondse stroomkabels. Om duidelijkheid over dit punt te verkrijgen is de Commissie bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang verzocht om aan het Gerecht te verduidelijken in hoeverre zij uit de tijdens de administratieve procedure verzamelde bewijzen kon opmaken dat de projecten voor ondergrondse stroomkabels en projecten voor onderzeese stroomkabels gezamenlijk werden besproken tijdens de R-bijeenkomsten. In antwoord op dit verzoek heeft de Commissie de notulen van de A/R-bijeenkomst van 27 maart 2003 te Tokio (Japan) en van de R-bijeenkomsten van 23 april 2003 en 12 mei 2005 overlegd alsook een uittreksel uit het antwoord van J-Power Systems op een verzoek om inlichtingen van de Commissie.

135 Na ter terechtzitting door het Gerecht te zijn verzocht om ten aanzien van deze documenten een standpunt in te nemen, hebben verzoeksters te kennen gegeven, zonder specifiek naar een van de hierboven in punt 134 aangehaalde R-bijeenkomsten te verwijzen, dat bedoelde bijeenkomsten weliswaar dezelfde dag hebben plaatsgevonden, maar dat er twee aparte sessies waren. Volgens hen werd de eerste sessie, gewijd aan de onderzeese stroomkabels, tijdens de ochtend gehouden en de tweede, betreffende ondergrondse stroomkabels, tijdens de middag. Ook hebben zij verduidelijkt dat soms niet dezelfde dag twee sessies werden gehouden, maar na elkaar, verspreid over twee dagen. Ook hebben zij aangevoerd dat de deelnemers aan deze verschillende sessies noodzakelijkerwijs voor een deel niet dezelfde waren, aangezien de ondernemingen die alleen voor ondergrondse stroomkabels belangstelling hadden, zoals zijzelf, niet één keer hebben deelgenomen aan een bijeenkomst over onderzeese stroomkabels. Volgens hen bestonden er voor zover zij wisten geen notulen van een van bedoelde vergaderingen waarin een gezamenlijke vergadering is vermeld.

136 Niettemin moet er allereerst op worden gewezen dat uit de notulen van de R-bijeenkomst van 23 april 2003 blijkt dat de deelnemers aan die bijeenkomst, waaronder de vertegenwoordigers van Brugg Kabel, op de hoogte zijn gebracht van de besprekingen die tijdens de A/R-bijeenkomst van 27 maart 2003 hadden plaatsgevonden. Uit de notulen van die laatste bijeenkomst blijkt dat die aanleiding was tot besprekingen over projecten voor onderzeese hoogspanningskabels. Vervolgens moet worden opgemerkt dat uit bijlage I bij het bestreden besluit blijkt, zonder dat verzoeksters dit betwisten, dat Brugg Kabel heeft deelgenomen aan de R-bijeenkomst die op 30 juni en 1 juli 2004 is gehouden. Uit de notulen van die laatste bijeenkomst komt niet naar voren dat die aanleiding was tot afzonderlijke besprekingen over onderzeese stroomkabels en ondergrondse stroomkabels, aangezien de projecten waarover was gesproken, worden vermeld zonder enige specifieke verwijzing daarnaar. Uit het deel van deze notulen met het opschrift „Ongoing projects” blijkt voorts dat de projecten „Italy Sardigna” en „Sarco” bij die gelegenheid zijn besproken. Hoewel het, anders dan de Commissie stelt, juist is dat uit het uittreksel uit het antwoord van J-Power Systems op een verzoek om inlichtingen van de Commissie niet duidelijk blijkt dat dit projecten voor onderzeese stroomkabels waren, aangezien die niet uitdrukkelijk worden vermeld in de tabel van J-Power Systems, blijkt uit de notulen van de R-bijeenkomst van 30 juni en 1 juli 2004 dat het project „Sarco” zorgde voor onenigheid tussen de Franse en de Italiaanse netbeheerders, wat de stelling van de Commissie bevestigt dat dit project verwijst naar een verbinding tussen Sardinië en Corsica en dus een project voor onderzeese stroomkabels was. Tot slot volgt uit de notulen van de R-bijeenkomst van 12 mei 2005 dat de projecten „Ireland 220 kV” en „GCC” tijdens deze laatste bijeenkomst zijn vermeld. Ten aanzien van deze projecten is in het uittreksel van het antwoord van J-Power Systems op genoemd verzoek om inlichtingen uitdrukkelijk vermeld dat het projecten voor onderzeese hoogspanningskabels betreft.

137 Bovendien is de omstandigheid dat de deelnemers aan de sessies van de R-bijeenkomsten gewijd aan ondergrondse stroomkabels niet exact dezelfde waren als de deelnemers aan de sessie van genoemde bijeenkomsten gewijd aan onderzeese stroomkabels, het loutere gevolg van het feit dat bepaalde kartelleden geen onderzeese stroomkabels vervaardigden en mogelijkerwijs minder belangstelling hadden voor de sessies gewijd aan dat soort stroomkabel. Afgaand op alle andere kenmerken van de mededingingsregeling kan uit die omstandigheid alleen niet voortvloeien dat die regeling moet worden beschouwd als bestaande uit twee afzonderlijke kartels, betreffende onderzeese stroomkabels respectievelijk ondergrondse stroomkabels.

138 Hieruit volgt dat de Commissie geen fout heeft begaan door te oordelen dat de projecten voor onderzeese hoogspanningskabels wel degelijk tegelijk met de projecten voor ondergrondse hoogspanningskabels werden besproken tijdens de R-bijeenkomsten, ook al werden soms afzonderlijke sessies gehouden, zoals tijdens de bijeenkomst van die leden op 18 en 19 november 2003.

139 Ten aanzien van verzoeksters’ argument dat in het kader van de „A/R-kartelconfiguratie” afzonderlijke overzichtsbladen werden opgesteld voor de projecten voor onderzeese stroomkabels en de projecten voor ondergrondse stroomkabels, moet worden opgemerkt dat uit overweging 99 van het bestreden besluit blijkt dat die overzichtsbladen wat de vorm betreft dezelfde structuur hadden en dezelfde indeling volgden, namelijk het „60/40-quotum”. Hoewel dat niet uitdrukkelijk in genoemd besluit is verduidelijkt, is het waarschijnlijk dat de noodzaak om verschillende overzichtsbladen op te stellen verband hield met de wens om de ondernemingen die een van de soorten stroomkabel niet produceerden niet tekort te doen, wat bij verzoeksters het geval zou zijn geweest indien bijvoorbeeld het aan de R-leden van het kartel toegekende deel van het „60/40-quotum” uitsluitend uit projecten voor onderzeese stroomkabels zou bestaan.

140 Aangaande verzoeksters’ argument dat de Commissie er rekening mee had moeten houden dat er geen complementariteit tussen de verschillende bestanddelen van de mededingingsregeling was, volstaat het te herinneren aan de rechtspraak dat ter beantwoording van de vraag of verschillende handelingen als één enkele voortdurende inbreuk kunnen worden aangemerkt, niet hoeft te worden nagegaan of zij complementair zijn, in die zin dat elk ervan is bedoeld om het hoofd te bieden aan een of meer gevolgen van de normale mededinging, en dat zij door hun wisselwerking bijdragen tot de verwezenlijking van het geheel van de mededingingsbeperkende gevolgen dat de daders beogen, en dit in het kader van een globaal plan met één enkel doel. De voorwaarde in verband met het begrip één enkel doel houdt juist in dat moet worden nagegaan of de verschillende bestanddelen van de inbreuk geen kenmerken vertonen die erop kunnen wijzen dat de overige deelnemers met hun materiële gedragingen niet hetzelfde doel of hetzelfde mededingingsverstorende gevolg nastreefden en dus of die geen deel uitmaken van een „totaalplan” wegens hun identieke doel om de mededinging binnen de interne markt te vervalsen (zie arrest van 26 januari 2017, Villeroy & Boch, C‑625/13 P, EU:C:2017:52, punt 58en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zoals uit de vaststelling in punt 126 hierboven blijkt, is in de onderhavige zaak aan de voorwaarde inzake het bestaan van één enkel doel van de inbreuk voldaan.

141 Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat de Commissie geen fout heeft begaan door te oordelen dat de verschillende bestanddelen van de mededingingsregeling één enkele en voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU vormden.

c) Duur van verzoeksters’ deelname aan de inbreuk

142 Verzoeksters komen op tegen zowel de vaststelling van de begindatum van hun deelname aan het kartel op 14 december 2001 als de ononderbroken aard van die deelname.

1) Begin van verzoeksters’ deelname aan de mededingingsregeling

143 Verzoeksters betogen dat de Commissie niet het bewijs heeft geleverd dat de bijeenkomst van 14 december 2001 te Divonne-les-Bains een R-bijeenkomst was, zoals die in het bestreden besluit zijn omschreven, of een bijeenkomst waarop zij aan een met het mededingingsrecht strijdige activiteit hebben deelgenomen. Volgens hen kan aan de hand van de door de Commissie overgelegde bewijzen evenmin worden aangetoond dat zij tussen 14 december 2001 en 3 juli 2002 aan het kartel zijn beginnen deel te nemen.

144 De Commissie bestrijdt verzoeksters’ argumenten.

145 Het onderzoek dient zich eerst te richten op verzoeksters’ stelling dat de Commissie niet het bewijs heeft geleverd van de mededingingsverstorende aard van de bijeenkomst van 14 december 2001 te Divonne-les-Bains. Daarna moet in voorkomend geval worden onderzocht of de door de Commissie verzamelde bewijzen volstaan om aan te tonen dat verzoeksters vóór 3 juli 2002 aan het kartel zijn beginnen deel te nemen.

146 Uit het dossier blijkt dat de vierde vraag van het verzoek om inlichtingen van de Commissie van 31 maart 2010 als volgt was verwoord: „De Commissie beschikt over inlichtingen over een reeks bijeenkomsten alsook communicatie van alle aard (fax, e-mails, telefoongesprekken enzovoort) die zijn gehouden of gevoerd tussen de concurrenten die op onderstaande lijst onder d voorkomen. Meer bepaald […] dat de volgende vertegenwoordigers van uw onderneming aan dergelijke bijeenkomsten hebben deelgenomen/bij dergelijke communicatie betrokken waren: [N., P. en K.] Onder verwijzing naar de bijeenkomsten die op onderstaande lijst onder d voorkomen en enige andere bijeenkomst van dezelfde aard die mogelijkerwijs tussen concurrenten heeft plaatsgevonden, wordt u verzocht het volgende te verstrekken of te vermelden: – een bevestiging van de datum van de bijeenkomst; – wie het initiatief tot de bijeenkomst heeft genomen; – wie de bijeenkomst heeft georganiseerd en daartoe heeft opgeroepen; – de precieze plaats van de bijeenkomst; – de namen van alle deelnemers aan de bijeenkomst, hun functie en de naam van de onderneming die zij vertegenwoordigen; – de onderwerpen op de agenda; – wie de onderwerpen op de agenda heeft bepaald; – de notulen van de bijeenkomst; – het precieze geografische gebied waarop de bijeenkomst zag. Gelieve een kopie te verstrekken van alle beschikbare documenten, ongeacht of die handgeschreven, getypt, digitaal of in een ander formaat voorhanden zijn, betreffende de bijeenkomsten die op onderstaande lijst onder d voorkomen en enige andere bijeenkomst van vergelijkbare aard die mogelijkerwijs tussen concurrenten heeft plaatsgevonden. Gelieve de naam en functie te verstrekken van alle overige vertegenwoordigers van uw onderneming die hebben deelgenomen aan de bijeenkomsten die op onderstaande lijst onder d voorkomen en enige andere bijeenkomst van vergelijkbare aard die mogelijkerwijs tussen concurrenten heeft plaatsgevonden.”

147 In hun antwoord op het verzoek om inlichtingen van de Commissie van 31 maart 2010 hebben verzoeksters bevestigd dat op 14 december 2001 te Divonne-les-Bains een bijeenkomst is gehouden waaraan N. heeft deelgenomen. Zij hebben ook de afrekening van de kredietkaart van deze persoon overgelegd, die van dezelfde dag dateert, en een uittreksel uit zijn agenda waarin de datum, de plaats en de deelnemers van de bijeenkomst zijn vermeld, namelijk Nexans France en Pirelli.

148 Bovendien heeft geen van de overige adressaten van de mededeling van punten van bezwaar in zijn antwoord op het verzoek om inlichtingen van de Commissie van 31 maart 2010 bevestigd dat die aan een bijeenkomst met concurrenten op 14 december 2001 te Divonne-les-Bains heeft deelgenomen.

149 In overweging 292 van de mededeling van punten van bezwaar heeft de Commissie evenwel uiteengezet dat op 14 december 2001 een R-bijeenkomst te Divonne-les-Bains is gehouden en dat de deelnemers aan die bijeenkomst in elk geval Nexans France, vertegenwoordigd door J., Sagem, vertegenwoordigd door V., en Brugg Kabel, vertegenwoordigd door N., waren. De Commissie verduidelijkte dat de aanwezigheid van J. en V. bleek uit een e-mail die na afloop van de bijeenkomst door de eerste aan de tweede was gezonden, waarin werd verwezen naar de voorbije bijeenkomst waaraan zij beiden hadden deelgenomen. De aanwezigheid van N. vloeit voort uit het antwoord van verzoeksters op het verzoek om inlichtingen van de Commissie van 31 maart 2010.

150 In hun antwoord op de mededeling van punten van bezwaar hebben verzoeksters bestreden dat de bijeenkomst van 14 december 2001 te Divonne-les-Bains een mededingingsverstorende aard had. Daartoe hebben zij aangevoerd dat deze bijeenkomst „niets meer was dan een vruchteloze poging van Nexans [France] en Prysmian om [Brugg Kabel] ervan te overtuigen om mee te doen aan de besprekingen met andere stroomkabelproducenten” en dat „[Brugg Kabel] echter [had] geweigerd om aan de afspraken deel te nemen en door de andere adressaten van de mededeling van punten van bezwaar verder als een paria [werd] behandeld en beschouwd”.

151 In overweging 197 van het bestreden besluit heeft de Commissie het volgende opgemerkt: „Zoals was afgesproken tijdens de A/R-bijeenkomst van 13 november 2001 is een maand later, op 14 december 2001, een R-bijeenkomst gehouden te [Divonne-les-Bains], Frankrijk. [J.] (Nexans) en [N.] (Brugg [Kabel]) telden in elk geval tot de deelnemers van deze bijeenkomst en het is erg waarschijnlijk dat ook [V.] van Sagem en een vertegenwoordiger van Pirelli aanwezig waren.261 Ook de plaats, een kasteel in [Divonne-les-Bains], zou meerdere keren voor R-bijeenkomsten zijn gebruikt.”

152 In voetnoot 261 bij overweging 197 van het bestreden besluit heeft de Commissie ook het volgende verduidelijkt: „De deelname van [J. en V.] vloeit voort uit een e-mail die op 18 februari 2002 door [J.] aan [V.] is gezonden, waarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar de voorbije bijeenkomst in [Divonne-les-Bains] waaraan beiden hebben deelgenomen, zie ID 318/128, inspectie bij Nexans [France]. Brugg [Kabel] heeft de deelname van [N.] bevestigd, zie ID 1492/4, antwoord van Brugg [Kabel] van 7 mei 2010 op het verzoek om inlichtingen [van de Commissie] van 31 maart 2010. In de bijlagen die door [Brugg Kabel] zijn overgelegd, is ook Pirelli vermeld; ID 1492/20, antwoord van Brugg [Kabel] van 7 mei 2010 op [genoemd verzoek om inlichtingen].”

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in