Gerecht EU 6 december 2023, T-48/22, ECLI:EU:T:2023:787
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Tiende kamer)
6 december 2023 ( *1 )
„ELGF en Elfpo – Uitgaven die van financiering zijn uitgesloten – Procedure voor conformiteitsgoedkeuring – Actieve landbouwer – Blijvend grasland – Controlesteekproef – Onverschuldigde betalingen – Te late indiening van de aanvraag – Financiële discipline – Motiveringsplicht – Gewettigd vertrouwen – Evenredigheid”
In zaak T‑48/22,
Tsjechische Republiek, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Vláčil, O. Serdula en J. Očková als gemachtigden,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Aquilina, A. Becker, K. Walkerová en J. Hradil als gemachtigden,
verweerster,
wijst
HET GERECHT (Tiende kamer),
samengesteld als volgt: M. Jaeger (rapporteur), waarnemend voor de president, P. Nihoul en S. Verschuur, rechters,
griffier: R. Ūkelytė, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 24 mei 2023,
het navolgende
Arrest
1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU verzoekt de Tsjechische Republiek om gedeeltelijke nietigverklaring van uitvoeringsbesluit (EU) 2021/2020 van de Commissie van 17 november 2021 tot onttrekking aan financiering door de Europese Unie van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB 2021, L 413, blz. 10), voor zover dit besluit betrekking heeft op de uitgaven, ter hoogte van een bedrag van 43470836,30 EUR, die zij tussen 2015 en 2017 heeft gedaan (hierna: „bestreden financiële correctie”).
I. Voorgeschiedenis van het geding
A. Onderzoek AA/2017/010/CZ
2 De Europese Commissie heeft, op de grondslag van artikel 52 van verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 549) en artikel 34 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 van de Commissie van 6 augustus 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1306/2013 wat betreft betaalorganen en andere instanties, financieel beheer, goedkeuring van de rekeningen, voorschriften inzake controles, zekerheden en transparantie (PB 2014, L 255, blz. 59), in de ten tijde van het onderzoek geldende versie, tegen de Tsjechische Republiek onderzoek AA/2017/010/CZ geopend om na te gaan of deze lidstaat de steun die in het kader van het ELGF en het Elfpo aan landbouwers was uitgekeerd, voor de jaren 2015 tot en met 2017 had gecontroleerd overeenkomstig de wetgeving van de Europese Unie (hierna: „onderzoek”).
3 De Commissie heeft in het kader van het onderzoek van 18 tot en met 22 september 2017 in Tsjechië een audit ter plaatse uitgevoerd.
4 Bij brief van 30 november 2017 (hierna: „vaststellingsbrief”) heeft de Commissie de Tsjechische autoriteiten overeenkomstig artikel 34, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 in kennis gesteld van de resultaten van haar controles. In die brief heeft de Commissie onder meer opgemerkt dat het controlesysteem dat de Tsjechische Republiek had ingevoerd om de toekenning aan landbouwers van areaalsteun uit hoofde van het ELGF en het Elfpo te verifiëren, niet met de Uniewetgeving in overeenstemming was. Ook heeft zij de Tsjechische autoriteiten verzocht om haar een gedetailleerde beschrijving van de ingevoerde corrigerende maatregelen te geven.
5 Bij brief van 29 maart 2018 heeft de Tsjechische Republiek de Commissie haar opmerkingen over de vaststellingsbrief doen toekomen.
6 Bij brief van 4 juni 2018 heeft de Commissie de Tsjechische Republiek uitgenodigd voor een bilaterale vergadering overeenkomstig artikel 34, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014.
7 Op 11 september 2018 heeft de Commissie de Tsjechische Republiek de notulen van die bilaterale vergadering toegezonden en haar verzocht om aanvullende informatie over, onder meer, de indeling van blijvend grasland.
8 Bij brief van 1 oktober 2018 heeft de Tsjechische Republiek de Commissie haar opmerkingen over de notulen van de bilaterale vergadering doen toekomen. In die brief verstrekte zij haar onder meer informatie over de voorwaarden voor de indiening van steunaanvragen en betalingsaanvragen overeenkomstig artikel 13 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van verordening nr. 1306/2013 wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (PB 2014, L 181, blz. 48).
9 Bij brief van 11 december 2018 heeft de Tsjechische Republiek de Commissie aanvullende informatie verstrekt over met name de afwijzing van verschillende aanvragen voor betalingen in het kader van de regeling voor actieve landbouwers overeenkomstig artikel 9, lid 2, van verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 608).
10 Bij brief van 6 mei 2019 heeft de Commissie de Tsjechische autoriteiten meegedeeld dat er bij de „vergroeningssteunregeling” (hierna: „vergroeningsregeling”) sprake was van een niet-nakoming met betrekking tot het minimumpercentage controles dat moest worden verricht op basis van artikel 35 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1306/2013 wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (PB 2014, L 227, blz. 69), en heeft zij hun om aanvullende informatie verzocht. Deze informatie is door de Tsjechische autoriteiten bij brief van 4 juli 2019 verstrekt.
11 Bij brief van 20 december 2019 heeft de Commissie, overeenkomstig artikel 34, lid 3, derde alinea, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014, de voorlopige conclusies van het onderzoek (hierna: „voorlopige conclusies”) aan de Tsjechische autoriteiten gezonden. In die brief heeft de Commissie haar reeds in de vaststellingsbrief naar voren gebrachte standpunt bevestigd dat het controlesysteem dat de Tsjechische Republiek had ingevoerd om de toekenning, tussen 2015 en 2017, van areaalsteun uit het ELGF en het Elfpo aan de landbouwers te verifiëren, niet conform was. Daarenboven heeft zij de Tsjechische Republiek in kennis gesteld van haar recht om overeenkomstig artikel 40, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 een bemiddelingsprocedure te beginnen.
12 Meer bepaald heeft de Commissie, wat betreft de non-conformiteit van het door de Tsjechische Republiek ingevoerde controlesysteem, onder meer opgemerkt dat er bij vijf essentiële controles sprake was van tekortkomingen.
13 In de eerste plaats was de Commissie van mening dat de Tsjechische autoriteiten, bij de vaststelling van de status van actieve landbouwer van de aanvrager van steun, artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013 hadden geschonden (hierna: „schending met betrekking tot de status van actieve landbouwer”).
14 In dit verband heeft de Commissie aangevoerd dat de Tsjechische autoriteiten: – één criterium hadden gehanteerd om aan te tonen dat twee van de drie voorwaarden van artikel 9, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1307/2013 waren vervuld; zo was de Commissie van mening dat de Tsjechische Republiek op ongerechtvaardigde wijze de toegang tot de status van actieve landbouwer had beperkt voor de personen die op de in artikel 9, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1307/2013 vermelde lijst staan van personen die, behoudens tegenbewijs, geen steun mogen ontvangen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), omdat zij niet worden beschouwd als actieve landbouwers, namelijk natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel groepen natuurlijke of rechtspersonen die luchthavens, spoorwegdiensten, waterwerken, vastgoeddiensten, en permanente sport- en recreatiegebieden exploiteren (hierna: „uitsluitingslijst”); – bij de controle van de voorwaarden van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013 voor het verkrijgen van de status van actieve landbouwer, geen rekening hadden gehouden met de vennootschappen die met de steunaanvrager waren verbonden.
15 In de tweede plaats heeft de Commissie gewezen op tekortkomingen in het door de Tsjechische autoriteiten ingevoerde controlesysteem wat betreft de identificatie van blijvend grasland, hetgeen in strijd was met artikel 4, lid 1, onder h), van verordening nr. 1307/2013 (hierna: „schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland”).
16 In de derde plaats heeft de Commissie aangevoerd dat de Tsjechische autoriteiten de Unierechtelijke bepalingen hebben geschonden inzake de selectie van de steekproef van begunstigden van steun die zij moest controleren (hierna: „schending met betrekking tot de selectie van de controlesteekproef”). De schending met betrekking tot de selectie van de controlesteekproef bestond uit twee onderdelen: – wat het eerste onderdeel betreft (hierna: „schending met betrekking tot de selectie van de controlesteekproef voor standaardcontroles”), was de Commissie van mening dat de Tsjechische autoriteiten bij de berekening van het minimumpercentage van de standaardcontroles die overeenkomstig artikel 30, onder a), van uitvoeringsverordening nr. 809/2014 voor de regeling inzake een enkele areaalbetaling (hierna: „REAB-regeling”) moesten worden verricht (hierna: „standaardcontroles”), ten onrechte rekening hadden gehouden met de follow-upcontroles die moesten worden uitgevoerd wanneer in het voorgaande jaar aan de ontvanger van steun een verlaagde administratieve sanctie was opgelegd in de zin van artikel 33 bis van uitvoeringsverordening nr. 809/2014, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2016/1394 van de Commissie van 16 augustus 2016 houdende wijziging van uitvoeringsverordening nr. 809/2014 wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (PB 2016, L 225, blz. 50; hierna: „follow-upcontroles”); – wat het tweede onderdeel betreft (hierna: „schending met betrekking tot de selectie van de controlesteekproef inzake vergroening”), heeft de Commissie betoogd dat artikel 35 van uitvoeringsverordening nr. 809/2014 was geschonden op de grond dat de Tsjechische autoriteiten in 2016 en 2017, voor de vergroeningsregeling, niet waren overgegaan tot verhoging van het percentage van de begunstigden van de steun die ter plaatse moesten worden gecontroleerd naar aanleiding van de vaststelling van onregelmatigheden in de REAB-regeling in de voorgaande jaren.
17 In de vierde plaats heeft de Commissie schending aangevoerd van artikel 63 van verordening nr. 1306/2013 en artikel 7 van uitvoeringsverordening nr. 809/2014, waarin is bepaald dat, nadat is verklaard dat een oppervlakte niet subsidiabel is, betalingen die voor die oppervlakte onverschuldigd aan landbouwers zijn gedaan, moeten worden teruggevorderd en administratieve sancties zullen worden toegepast. Volgens de Commissie kon met het door de Tsjechische autoriteiten ingevoerde systeem voor het identificeren van de niet-subsidiabele oppervlakten middels de jaarlijkse actualisering van het systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen (hierna: „SILP”), niet worden nagegaan of een oppervlakte die voor een bepaald jaar niet subsidiabel was, ook in de voorgaande jaren niet subsidiabel was en of voor die oppervlakte een procedure voor de terugvordering van onverschuldigde betalingen moest worden geopend. Zo hadden de Tsjechische autoriteiten, volgens de Commissie, na de vaststelling dat een oppervlakte in 2017 niet subsidiabel was, moeten nagaan of dezelfde oppervlakte ook in 2015 en 2016 niet subsidiabel was (hierna: „schending met betrekking tot de terugvordering van onverschuldigde betalingen”).
18 In de vijfde plaats heeft de Commissie schending aangevoerd van artikel 13, lid 1, van gedelegeerde verordening nr. 640/2014 (hierna: „schending met betrekking tot de te late indiening van de aanvraag”). In dit verband heeft de Commissie opgemerkt dat de Tsjechische autoriteiten, wanneer de aanvragen van steun of betaling binnen de in artikel 13, lid 1, van gedelegeerde verordening nr. 640/2014 gestelde termijnen online zonder elektronische handtekening waren ingediend en vervolgens binnen vijf dagen in persoon door de aanvrager bij de bevoegde dienst waren ondertekend, het steunbedrag waarop de aanvrager recht had overeenkomstig artikel 13, lid 1, van deze verordening met 1 % per werkdag hadden moeten verlagen (hierna: „verlaging van 1 %”). Volgens de Commissie was de datum van indiening van deze aanvragen namelijk de datum waarop deze aanvragen in persoon waren ondertekend en niet die waarop zij online waren ingediend en lag deze datum na die waarop de in artikel 13, lid 1, van gedelegeerde verordening nr. 640/2014 gestelde termijnen waren verstreken. Volgens de Commissie ging het dus om te laat ingediende aanvragen waarop de verlaging van 1 % had moeten worden toegepast.
19 Op 4 februari 2020 hebben de Tsjechische autoriteiten verzocht om bemiddeling op de grondslag van artikel 40, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014.
20 Op 5 oktober 2020 heeft het bemiddelingsorgaan zijn verslag meegedeeld, waarin het concludeerde dat bemiddeling niet mogelijk was.
21 Bij brief van 13 november 2020 heeft de Tsjechische Republiek de Commissie aanvullende informatie toegezonden.
22 Bij brief van 26 maart 2021 heeft de Commissie de Tsjechische Republiek overeenkomstig artikel 34, lid 4, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 de eindconclusies van het onderzoek (hierna: „eindconclusies”) toegezonden.
23 Om te beginnen heeft de Commissie in de eindconclusies haar standpunt bevestigd dat de Tsjechische Republiek vijf essentiële controles had geschonden.
24 Vervolgens heeft de Commissie in de eindconclusies besloten een forfaitaire correctie van 2 % toe te passen op de kredieten die zij krachtens de regeling inzake de financiële discipline voor de jaren 2015 tot en met 2017 aan de Tsjechische Republiek had terugbetaald.
25 De Commissie heeft erop gewezen dat de kredieten die aanvankelijk aan de voor landbouwers bestemde betalingen waren onttrokken, aan de Tsjechische autoriteiten zijn terugbetaald bij de volgende uitvoeringsverordeningen (hierna: „terugbetalingsverordeningen”): – uitvoeringsverordening (EU) 2016/2073 van de Commissie van 23 november 2016 inzake de terugbetaling, overeenkomstig artikel 26, lid 5, van verordening nr. 1306/2013, van de kredieten die zijn overgedragen van begrotingsjaar 2016 (PB 2016, L 320, blz. 25); – uitvoeringsverordening (EU) 2017/2197 van de Commissie van 27 november 2017 inzake de terugbetaling, overeenkomstig artikel 26, lid 5, van verordening nr. 1306/2013, van de kredieten die zijn overgedragen van begrotingsjaar 2017 (PB 2017, L 312, blz. 86); – uitvoeringsverordening (EU) 2018/1848 van de Commissie van 26 november 2018 inzake de terugbetaling, overeenkomstig artikel 26, lid 5, van verordening nr. 1306/2013, van de kredieten die zijn overgedragen van begrotingsjaar 2018 (PB 2018, L 300, blz. 4).
26 Aangezien het bedrag van de kredieten die middels de terugbetalingsverordeningen door de Commissie werden terugbetaald een afspiegeling moest zijn van de bedragen die aanvankelijk aan de voor landbouwers bestemde rechtstreekse betalingen waren onttrokken, heeft de Commissie in de eindconclusies besloten om op deze kredieten een forfaitaire correctie van 2 % toe te passen, in overeenstemming met de correcties die zij in het kader van het onderzoek had toegepast bij de REAB- en vergroeningsregelingen, alsmede bij de regeling voor jonge landbouwers (hierna: „RJL-regeling”) en de regeling voor vrijwillige gekoppelde steun (hierna: „VGS-regeling”). Deze forfaitaire correctie bedroeg dus 654697,95 EUR.
27 Ten slotte heeft de Commissie in de eindconclusies voorgesteld om, als resultaat van de toepassing van een financiële correctie overeenkomstig artikel 12, leden 6 tot en met 8, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 907/2014 van 11 maart 2014 tot aanvulling van verordening nr. 1306/2013 wat betreft de betaalorganen en andere instanties, het financieel beheer, de goedkeuring van de rekeningen, de zekerheden en het gebruik van de euro (PB 2014, L 255, blz. 18), voor alle aan de Tsjechische Republiek verweten schendingen een bedrag van 44098570,70 EUR uit te sluiten van financiering door de Unie.
28 Bij brief van 21 oktober 2021 heeft de Commissie de Tsjechische Republiek een syntheseverslag (hierna: „syntheseverslag”) toegezonden, met daarin een overzicht van de verschillende fasen van het onderzoek, de strekking van de opmerkingen van de Tsjechische Republiek in de loop van de conformiteitsgoedkeuringsprocedure en de motivering van haar eindconclusies.
29 Op 17 november 2021 heeft de Commissie het bestreden besluit vastgesteld waarbij aan de Tsjechische Republiek een financiële correctie van 44098570,70 EUR is opgelegd.
B. Vervolgonderzoek AA/2020/012/CZ
30 Vóór de afsluiting van het onderzoek heeft de Commissie op basis van artikel 52 van verordening nr. 1306/2013 en artikel 34 van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 een vervolgonderzoek tegen de Tsjechische Republiek geopend om nader in te gaan op bepaalde kwesties die reeds waren onderzocht (AA/2020/012/CZ; hierna: „vervolgonderzoek”). Het vervolgonderzoek was met name gericht op de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland.
31 Van 31 augustus 2020 tot en met 4 september 2020 heeft de Commissie in het kader van het vervolgonderzoek in Tsjechië een follow-upaudit ter plaatse uitgevoerd.
32 Bij brief van 23 oktober 2020 heeft de Commissie de Tsjechische autoriteiten overeenkomstig artikel 34, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 in kennis gesteld van de resultaten van haar verificaties. In die brief heeft zij onder meer aangegeven dat het vervolgonderzoek tekortkomingen in de indeling van blijvend grasland aan het licht had gebracht, die in strijd waren met artikel 4, lid 1, onder h), van verordening nr. 1307/2013. Volgens haar ging het om dezelfde tekortkomingen als die welke in de voorlopige conclusies van het onderzoek waren vastgesteld. De Commissie heeft de Tsjechische autoriteiten daarenboven verzocht om aanvullende informatie.
33 Op 1 juli 2021 zijn de Commissie en de Tsjechische autoriteiten samengekomen voor een bilaterale follow-upvergadering.
34 Bij brief van 30 juli 2021 hebben de Tsjechische autoriteiten de Commissie aanvullende informatie verstrekt over de indeling van blijvend grasland in de zin van artikel 4, lid 1, onder h), van verordening nr. 1307/2013 (hierna: „brief van 30 juli 2021”).
35 Op 24 augustus 2021 heeft de Commissie de Tsjechische Republiek de notulen van de bilaterale follow-upvergadering toegezonden. In dit document heeft de Commissie: – aangegeven dat zij, naar aanleiding van de informatie die de Tsjechische autoriteiten tijdens de bilaterale follow-upvergadering en in de brief van 30 juli 2021 hadden verstrekt, de kwestie van het bestaan van de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland voor de periode waarop het vervolgonderzoek betrekking had, als afgesloten beschouwde; – betreurd dat de verstrekte informatie, die ook relevant zou zijn geweest in het kader van het onderzoek, niet door de Tsjechische autoriteiten was overgelegd in het kader van de conformiteitsgoedkeuringsprocedure die tot de vaststelling van het bestreden besluit heeft geleid.
II. Conclusies van partijen
36 De Tsjechische Republiek verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit gedeeltelijk nietig te verklaren voor zover de Commissie daarbij de bestreden financiële correctie heeft opgelegd wegens schendingen met betrekking tot de status van actieve landbouwer, de identificatie van blijvend grasland, de selectie van de controlesteekproef, de terugvordering van onverschuldigde betalingen en de te late indiening van de aanvraag, alsook in het kader van de regeling inzake de financiële discipline; – de Commissie te verwijzen in de kosten;
37 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – de Tsjechische Republiek te verwijzen in de kosten.
III. Ten gronde
38 Ter ondersteuning van haar beroep voert de Tsjechische Republiek zes middelen aan. Met het eerste betwist zij de schending met betrekking tot de status van actieve landbouwer, met het tweede de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland, met het derde de schending met betrekking tot de selectie van de controlesteekproef, met het vierde de schending met betrekking tot de terugvordering van onverschuldigde betalingen, met het vijfde de schending met betrekking tot de te late indiening van de aanvraag, en met het zesde de regeling inzake de financiële discipline.
A. Eerste middel: betwisting van de schending met betrekking tot de status van actieve landbouwer
39 Het eerste middel, waarmee de schending met betrekking tot de status van actieve landbouwer wordt betwist, bestaat uit twee onderdelen.
1. Eerste onderdeel van het eerste middel: de Commissie heeft de bestreden financiële correctie onrechtmatig opgelegd, daar de Tsjechische Republiek artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013 niet heeft geschonden
40 In het eerste onderdeel van het eerste middel voert de Tsjechische Republiek twee grieven aan.
a) Eerste grief, waarmee wordt betwist dat artikel 9, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1307/2013 is geschonden wegens het gebruik van één criterium voor het bewijs waaruit twee van de drie feiten van deze bepaling blijken
41 Met deze eerste grief betoogt de Tsjechische Republiek dat zij artikel 9, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1307/2013 niet heeft geschonden. Haar keuze om één criterium te gebruiken als bewijs voor zowel het in artikel 9, lid 2, derde alinea, onder b), van verordening nr. 1307/2013 bedoelde feit dat de landbouwactiviteiten van de aanvrager niet onaanzienlijk zijn [hierna: „feit onder b)”], als het in artikel 9, lid 2, derde alinea, onder c), van deze verordening bedoelde feit dat de uitoefening van een landbouwactiviteit het voornaamste bedrijfs- of ondernemingsdoel van de aanvrager is [hierna: „feit onder c)”], is niet onrechtmatig.
42 De Commissie bestrijdt deze grief.
43 Om te beginnen moet worden geoordeeld dat artikel 9, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1307/2013 een weerlegbaar vermoeden vestigt dat natuurlijke personen of rechtspersonen en groepen natuurlijke of rechtspersonen die een activiteit uitoefenen die onder de uitsluitingslijst valt, niet worden beschouwd als actieve landbouwers en niet in aanmerking komen voor rechtstreekse betalingen in het kader van het ELGF en het Elfpo (hierna: „weerlegbaar vermoeden”). Volgens artikel 9, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1307/2013 kunnen diezelfde natuurlijke personen of rechtspersonen en groepen natuurlijke of rechtspersonen het vermoeden evenwel weerleggen als zij verifieerbare bewijzen in de door de lidstaten verlangde vorm verstrekken die aantonen dat er sprake is van een van de volgende drie feiten: – het jaarlijkse bedrag dat zij aan rechtstreekse betalingen hebben ontvangen vormt ten minste 5 % van de totale inkomsten uit niet-landbouwactiviteiten in het meest recente belastingjaar waarvoor dit bewijs beschikbaar is; – hun landbouwactiviteiten zijn niet onaanzienlijk; – hun voornaamste bedrijfs- of ondernemingsdoel is de uitoefening van een landbouwactiviteit.
44 De criteria voor het bestaan van de feiten als bedoeld in artikel 9, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1307/2013 zijn verduidelijkt in artikel 13 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van verordening nr. 1307/2013 en tot wijziging van bijlage X bij die verordening (PB 2014, L 181, blz. 1). Volgens deze bepaling: – zijn, wat het feit onder b) betreft, de landbouwactiviteiten van de aanvrager niet onaanzienlijk indien de totale inkomsten uit landbouwactiviteiten die de aanvrager heeft ontvangen in het meest recente belastingjaar waarvoor bewijs beschikbaar is, ten minste een derde bedragen van de totale inkomsten in het meest recente belastingjaar waarvoor dergelijk bewijs beschikbaar is; de lidstaten kunnen evenwel alternatieve criteria vaststellen op basis waarvan een aanvrager kan aantonen dat zijn landbouwactiviteiten niet onaanzienlijk zijn; – wordt, wat het feit onder c) betreft, een landbouwactiviteit als het voornaamste bedrijfs- of ondernemingsdoel van een rechtspersoon aangemerkt indien deze activiteit als voornaamste bedrijfs- of ondernemingsdoel is geregistreerd in het officiële bedrijvenregister of een gelijkwaardig officieel bewijsstuk van een lidstaat; voor natuurlijke personen is een gelijkwaardig bewijsstuk vereist; bij gebrek aan dergelijke registers maakt een lidstaat gebruik van een gelijkwaardig bewijsstuk; de lidstaten kunnen evenwel alternatieve criteria vaststellen op basis waarvan een landbouwactiviteit als het voornaamste bedrijfs- of ondernemingsdoel van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon kan worden aangemerkt.
45 De vier argumenten van de Tsjechische Republiek moeten in deze context worden onderzocht.
1) Eerste argument: artikel 13, lid 1, derde alinea, en lid 3, derde alinea, van gedelegeerde verordening nr. 639/2014 biedt de lidstaten de mogelijkheid om voor de criteria uit die bepaling alternatieve criteria vast te stellen en beperkt de keuze daarvan op generlei wijze
46 Met het eerste argument merkt de Tsjechische Republiek op dat de criteria voor de uitlegging van het feit onder b), en het feit onder c), zijn vastgelegd in artikel 13, leden 1 en 3, van gedelegeerde verordening nr. 639/2014.
47 In dit verband voert de Tsjechische Republiek aan dat artikel 13, lid 1, eerste alinea, en lid 3, eerste alinea, van gedelegeerde verordening nr. 639/2014 twee verschillende criteria bevat voor het beoordelen van het bestaan van het feit onder b), en het feit onder c). Zij betoogt dat volgens deze bepaling namelijk moet worden aangetoond dat, om het bestaan van het feit onder b), te bewijzen, ten minste een derde van de inkomsten van de steunaanvrager landbouwinkomsten zijn (hierna: „criterium inzake de landbouwinkomsten”) en dat, om het bestaan van het feit onder c), te bewijzen, moet worden aangetoond dat de uitoefening van een landbouwactiviteit door de steunaanvrager blijkt uit het officiële bedrijvenregister of een gelijkwaardig officieel bewijsstuk. De Tsjechische Republiek merkt evenwel op dat artikel 13, lid 1, derde alinea, en lid 3, derde alinea, van gedelegeerde verordening nr. 639/2014, in afwijking van deze criteria, de lidstaten de mogelijkheid biedt om alternatieve criteria vast te stellen op basis waarvan kan worden aangetoond dat bij de aanvrager van de steun sprake is van het feit onder b) en het feit onder c).
48 Bovendien beperkt artikel 13, lid 1, eerste alinea, en lid 3, eerste alinea, van gedelegeerde verordening nr. 639/2014, volgens de Tsjechische Republiek, de lidstaten niet bij hun keuze in de vaststelling van de alternatieve criteria voor het aantonen van het feit onder b) en het feit onder c), en staat deze bepaling er niet aan in de weg dat die lidstaten hetzelfde criterium gebruiken om te bewijzen dat deze twee feiten bestaan, aangezien zij in dit verband over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken.
49 De Tsjechische Republiek is bijgevolg van mening dat het haar in casu vrijstond om het criterium inzake de landbouwinkomsten toe te passen als bewijs voor het bestaan van het feit onder b), en het feit onder c). Het gaat namelijk om een criterium dat niet alleen relevant is om aan te tonen dat de landbouwactiviteiten van de aanvrager niet onaanzienlijk waren [feit onder b)], maar ook om aan te tonen dat de landbouwactiviteit het voornaamste bedrijfsdoel was of deel uitmaakte van het ondernemingsdoel [feit onder c)].
50 Hoewel niet kan worden ontkend dat artikel 13, lid 1, derde alinea, en lid 3, derde alinea, van gedelegeerde verordening nr. 639/2014 de lidstaten de mogelijkheid biedt om alternatieve criteria voor de hierin genoemde criteria vast te stellen en de keuze daarvan op generlei wijze beperkt, moeten de lidstaten deze alternatieve criteria niettemin gebruiken om te toetsen of de drie feiten van artikel 9, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1307/2013 bestaan.
51 De keuze door de lidstaten van alternatieve criteria in de zin van artikel 13, lid 1, derde alinea, en lid 3, derde alinea, van gedelegeerde verordening nr. 639/2014 mag er dus niet toe leiden dat een van de in artikel 9, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1307/2013 bedoelde feiten zonder voorwerp raakt en dat de mogelijkheden van de begunstigden van de steun om het weerlegbare vermoeden te weerleggen aldus worden beperkt.
52 In casu heeft het gebruik door de Tsjechische Republiek van het criterium van de landbouwinkomsten als bewijs voor het bestaan van zowel het feit onder b) als het feit onder c), het aantal feiten waarmee de begunstigden van de steun het weerlegbare vermoeden konden weerleggen, beperkt tot twee. Deze keuze druist dus in tegen artikel 9, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1307/2013, dat uitdrukkelijk bepaalt dat de begunstigde van de steun over drie verschillende mogelijkheden beschikt om het weerlegbare vermoeden te weerleggen.
53 Het eerste middel moet dus worden afgewezen.
2) Tweede argument: in Tsjechië bestond er geen register of gelijkwaardig officieel bewijsstuk waarmee kon worden aangetoond dat de voornaamste activiteit of het ondernemingsdoel van de steunaanvrager bestond in een landbouwactiviteit
54 Met het tweede argument betoogt de Tsjechische Republiek dat de keuze om het criterium inzake de landbouwinkomsten te gebruiken als bewijs voor zowel het feit onder b) als het feit onder c), was genoodzaakt door het feit dat er in haar nationale recht geen register of gelijkwaardig officieel bewijsstuk bestond waarmee kon worden aangetoond dat de voornaamste activiteit of het ondernemingsdoel van de steunaanvrager bestond in een landbouwactiviteit, zoals bedoeld in artikel 9, lid 2, derde alinea, onder c), van verordening nr. 1307/2013 en artikel 13, lid 3, tweede alinea, van gedelegeerde verordening nr. 639/2014.
55 Opgemerkt zij dat het de Tsjechische Republiek overeenkomstig artikel 13, lid 3, derde alinea, van gedelegeerde verordening nr. 639/2014 vrijstond om, indien het nationale recht van deze lidstaat geen register of gelijkwaardig officieel bewijsstuk kende om het bestaan van het feit onder c) aan te tonen, voor het bewijs van dat feit een alternatief criterium vast te stellen.
56 Hieruit volgt dat de Tsjechische Republiek in casu een ander criterium had kunnen kiezen voor het bewijs van het feit onder c), zonder haar toevlucht te hoeven nemen tot het criterium inzake de landbouwinkomsten, dat zij reeds had gebruikt voor het bewijs van het feit onder b).
57 Bijgevolg moet het tweede middel worden afgewezen.
3) Derde argument: de mogelijkheid om het criterium inzake de landbouwinkomsten toe te passen om het bestaan van zowel het feit onder b) als het feit onder c) aan te tonen, is door de Commissie bevestigd
58 Met het derde argument merkt de Tsjechische Republiek op dat de mogelijkheid om het criterium inzake de landbouwinkomsten toe te passen voor het bewijs van het bestaan van zowel het feit onder b) als het feit onder c), door de Commissie was bevestigd ter gelegenheid van een presentatie betreffende de beoordeling van de status van actieve landbouwer, die op 27 oktober 2015 voor de lidstaten was gehouden (hierna: „presentatie aan de lidstaten”).
59 Opgemerkt zij dat, voorondersteld dat de presentatie aan de lidstaten de Commissie kan binden bij de uitlegging die aan artikel 9, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1307/2013 moet worden gegeven, die instelling in die presentatie heeft verduidelijkt dat het criterium inzake de landbouwinkomsten slechts als een alternatief criterium voor het bewijs van het bestaan van het feit onder c), kon worden toegepast indien de lidstaat dit criterium niet eveneens gebruikte voor het bewijs van het bestaan van het feit onder b).
60 Bijgevolg moet het derde argument worden afgewezen.
4) Vierde argument: artikel 9, lid 7, van verordening nr. 1307/2013, zoals gewijzigd bij verordening 2017/2393, bepaalt dat de lidstaten kunnen besluiten dat slechts een of twee van de feiten als bedoeld in artikel 9, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1307/2013 worden aangevoerd om aan te tonen dat de steunaanvrager de status van actieve landbouwer heeft
61 Met het vierde argument betoogt de Tsjechische Republiek dat artikel 9, lid 7, van verordening nr. 1307/2013, zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2017/2393 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2017 tot wijziging van verordeningen (EU) nr. 1305/2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het [Elfpo], nr. 1306/2013, nr. 1307/2013, (EU) nr. 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en (EU) nr. 652/2014 tot vaststelling van bepalingen betreffende het beheer van de uitgaven in verband met de voedselketen, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede in verband met plantgezondheid en teeltmateriaal (PB 2017, L 350, blz. 15), bepaalt dat de lidstaten kunnen besluiten dat slechts een of twee van de feiten als bedoeld in artikel 9, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1307/2013 worden aangevoerd om de status van actieve landbouwer van de steunaanvrager aan te tonen.
62 Het is juist dat artikel 9, lid 7, van de verordening, in de versie die thans na de inwerkingtreding van verordening 2017/2393 van kracht is, bepaalt dat de lidstaten kunnen besluiten dat slechts een of twee van de drie in artikel 9, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1307/2013 genoemde feiten door personen of groepen van personen kunnen worden ingeroepen om aan te tonen dat zij actieve landbouwers zijn.
63 Deze mogelijkheid is echter in de tijd gedefinieerd, aangezien de lidstaten er pas vanaf 2018 van kunnen gebruikmaken, en is onderworpen aan de voorwaarde dat de betrokken lidstaat de Commissie daarvan een kennisgeving stuurt, uiterlijk op 31 maart 2018 indien het besluit van toepassing is met ingang van 2018, of op 1 augustus van het jaar dat voorafgaat aan de toepassing van het besluit, indien dat wordt toegepast vanaf een later jaar.
64 In casu heeft het onderzoek dat tot de vaststelling van het bestreden besluit heeft geleid, betrekking op de jaren 2015 tot en met 2017. De door het nieuwe artikel 9, lid 7, van verordening nr. 1307/2013 aan de lidstaten geboden mogelijkheid om de in artikel 9, lid 2, derde alinea, van deze verordening bedoelde feiten tot een of twee te beperken, kon pas vanaf 2018, dat wil zeggen na de feiten van de onderhavige zaak, worden gebruikt en moet dus worden geacht niet relevant te zijn voor de beslechting van de onderhavige zaak.
65 Bijgevolg moet het vierde argument, en dus de eerste grief in zijn geheel, worden afgewezen.
b) Tweede grief: betwisting van de schending van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013 doordat bij de controle van de status van actieve landbouwer van de steunaanvrager geen rekening is gehouden met verbonden vennootschappen
66 Met deze tweede grief betoogt de Tsjechische Republiek dat zij artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013 niet heeft geschonden door bij de controle van de status van actieve landbouwer van de steunaanvrager geen rekening te houden met verbonden vennootschappen.
67 In dit verband betoogt zij dat de uitdrukking „groepen natuurlijke personen of rechtspersonen” in artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013 uitsluitend ziet op groepen natuurlijke personen of rechtspersonen, met uitsluiting van verbonden vennootschappen. Volgens haar betekent dit dat enkel in het licht van een groep in zijn geheel moet worden nagegaan of de in die bepaling bedoelde voorwaarden voor de steunaanvrager om de status van actieve landbouwer te verkrijgen zijn vervuld.
68 De Commissie bestrijdt deze grief.
69 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat het begrip „groepen natuurlijke personen of rechtspersonen” in artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013, waarvan de inhoud in punt 43 hierboven is weergegeven, noch in verordening nr. 1307/2013, noch in gedelegeerde verordening nr. 639/2014 – die nochtans de criteria voor de uitvoering van artikel 9 van verordening nr. 1307/2013 bevat – wordt gedefinieerd.
70 Met betrekking tot verbonden vennootschappen moet worden opgemerkt dat noch in verordening nr. 1307/2013, noch in gedelegeerde verordening nr. 639/2014, noch in richtsnoer DSCG/2014/29 van de Commissie van 15 april 2014, waarin de criteria voor de uitlegging van artikel 9 van verordening nr. 1307/2013 zijn vastgesteld, naar dit begrip wordt verwezen of, a fortiori, een definitie daarvan is opgenomen.
71 In de presentatie aan de lidstaten heeft de Commissie evenwel aangegeven dat artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013 aldus moest worden uitgelegd dat natuurlijke personen of rechtspersonen of groepen daarvan, de activiteiten die onder de uitsluitingslijst vallen rechtstreeks of via een verbonden vennootschap kunnen uitoefenen.
72 Bovendien heeft de Commissie in een brief van 29 januari 2016 aan het Duitse ministerie van Voeding en Landbouw, die vervolgens ter beschikking van de andere lidstaten is gesteld, verklaard dat onder het begrip „verbonden vennootschap” in de zin van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013 elke entiteit moest worden verstaan die direct of indirect met de steunaanvrager verbonden is door een zeggenschapsverhouding in de vorm van een volledige of een meerderheidsdeelneming.
73 De vier argumenten die de Tsjechische Republiek ter ondersteuning van haar tweede grief heeft aangevoerd, moeten in deze context worden onderzocht.
1) Eerste argument: het is in strijd met de bewoordingen van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013 om verbonden vennootschappen in de werkingssfeer van deze bepaling op te nemen
74 Met het eerste argument voert de Tsjechische Republiek aan dat niet uit de bewoordingen van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013 naar voren komt dat de met de steunaanvrager verbonden vennootschappen in aanmerking moeten worden genomen wanneer een lidstaat controleert of de voorwaarden voor toegang tot de status van actieve landbouwer zijn vervuld. Hieruit volgt volgens de Tsjechische Republiek dat artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013 aldus moet worden uitgelegd dat daarmee wordt beoogd aan te geven dat er geen enkele rechtstreekse betaling wordt toegekend aan natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel groepen natuurlijke personen of rechtspersonen die zelf een van de activiteiten uitoefenen die onder de uitsluitingslijst vallen.
75 De Commissie betwist dit argument.
76 Ten eerste kan worden opgemerkt dat het begrip „verbonden vennootschappen” niet voorkomt in de tekst van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013.
77 Ten tweede moet worden opgemerkt dat een groep per definitie een geheel van met elkaar verbonden entiteiten binnen eenzelfde organisatie aanduidt. Het begrip „groep” moet aldus worden uitgelegd dat het de term „concern” benadert en doelt op elk geheel van natuurlijke personen of rechtspersonen die binnen eenzelfde min of meer gestructureerde vennootschapsorganisatie met elkaar verbonden zijn. Hieruit volgt dat een groep natuurlijke personen of rechtspersonen ook verbonden vennootschappen omvat.
78 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat, volgens artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013, de steunaanvrager – een groep van natuurlijke personen of rechtspersonen – de onder de uitsluitingslijst vallende activiteiten zowel rechtstreeks als via een verbonden vennootschap die onderdeel is van dezelfde groep kan uitoefenen. Indien de steunaanvrager geen groep is, maar een natuurlijke persoon of rechtspersoon die onderdeel is van een groep, kan hij de activiteiten die onder de uitsluitingslijst vallen, rechtstreeks of via een verbonden vennootschap die deel uitmaakt van dezelfde groep uitoefenen.
79 Het eerste middel moet dus worden afgewezen.
2) Tweede argument: het opnemen van de verbonden vennootschappen in de werkingssfeer van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013 is in strijd met de definitie van het begrip „landbouwer” in artikel 4, lid 1, onder a), van verordening nr. 1307/2013
80 Met het tweede argument voert de Tsjechische Republiek aan dat het begrip „actieve landbouwer” in de zin van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013 moet worden uitgelegd in het licht van het begrip „landbouwer” overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder a), van deze verordening. Zowel het begrip „actieve landbouwer” als het begrip „landbouwer” verwijst naar de aanvragers zelf, met uitsluiting van verbonden vennootschappen.
81 De Commissie betwist dit argument.
82 Opgemerkt zij dat artikel 4, lid 1, onder a), van verordening nr. 1307/2013 een landbouwer definieert als een natuurlijk persoon of rechtspersoon dan wel een groep natuurlijke of rechtspersonen, ongeacht de rechtspositie van de groep en haar leden volgens het nationale recht, van wie het bedrijf zich bevindt binnen het territoriale toepassingsgebied van de Verdragen als omschreven in artikel 52 VEU, in samenhang met de artikelen 349 en 355 VWEU.
83 Het bestaan van een verband tussen het begrip „actieve landbouwer” in de zin van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013 en het begrip „landbouwer” in de zin van artikel 4, lid 1, onder a), van deze verordening wordt bevestigd door de rechtspraak die verduidelijkt dat een persoon, voordat hij voor de status van actieve landbouwer in aanmerking komt, moet voldoen aan de vereisten van artikel 4, lid 1, onder a), van verordening nr. 1307/2013 betreffende het begrip „landbouwer” (zie in die zin arrest van 7 april 2022, Avio Lucos,C‑176/20, EU:C:2022:274, punt 54).
84 Het bestaan van een verband tussen het begrip „landbouwer” en het begrip „actieve landbouwer” kan niet afdoen aan de in punt 78 hierboven vastgestelde conclusie dat de steunaanvrager volgens artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013 de onder de uitsluitingslijst vallende activiteiten zowel rechtstreeks als via een verbonden vennootschap die deel uitmaakt van dezelfde groep kan uitoefenen.
85 Anders dan de Tsjechische Republiek betoogt, komt namelijk niet uit de bewoordingen van artikel 4, lid 1, onder a), van verordening nr. 1307/2013 naar voren dat een natuurlijk persoon, een rechtspersoon dan wel een groep natuurlijke of rechtspersonen zijn activiteiten rechtstreeks moet uitoefenen om als landbouwer te kunnen worden aangemerkt.
86 Het tweede middel dient bijgevolg te worden afgewezen.
3) Derde argument: het opnemen van verbonden vennootschappen in de werkingssfeer van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013 is in strijd met het doel van deze bepaling
87 Met dit derde argument voert de Tsjechische Republiek aan dat het opnemen van verbonden vennootschappen in de werkingssfeer van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013 in strijd is met het doel van deze bepaling, namelijk het beperken van de rechtstreekse betalingen in het kader van het GLB tot de landbouwers die zelf in voldoende mate een landbouwactiviteit uitoefenen.
88 De Commissie betwist dit argument.
89 Opgemerkt zij dat het doel van de regeling betreffende het begrip „actieve landbouwer” wordt verduidelijkt in overweging 10 van verordening nr. 1307/2013, waarin met name staat te lezen: „Uit de opgedane ervaring in de toepassing van de diverse steunregelingen voor landbouwers is gebleken dat in sommige gevallen steun is verleend aan natuurlijke of rechtspersonen wier zakelijk doel niet of nauwelijks gericht was op de uitoefening van een landbouwactiviteit. Om te zorgen voor een gerichter inzet van de steun dienen de lidstaten voortaan af te zien van rechtstreekse betalingen aan bepaalde natuurlijke of rechtspersonen, tenzij deze kunnen aantonen dat zij in voldoende mate een landbouwactiviteit uitoefenen. […]”
90 Hieruit volgt dat, anders dan de Tsjechische Republiek betoogt, overweging 10 van verordening nr. 1307/2013 niet vereist dat de activiteiten die onder de uitsluitingslijst vallen, rechtstreeks worden uitgeoefend door de aanvrager, of het nu gaat om een natuurlijk persoon, een rechtspersoon of een groep natuurlijke personen of rechtspersonen.
91 Gelet op het doel van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013, namelijk het voorkomen van het risico van fraude ten nadele van de begroting van de Unie en het beperken van de betalingen in het kader van het GLB tot enkel de landbouwers die daadwerkelijk een landbouwactiviteit uitoefenen, moet deze bepaling aldus worden uitgelegd dat zij van toepassing is ongeacht of de betrokken aanvrager, natuurlijk persoon of rechtspersoon of de betrokken groep, rechtstreeks of via verbonden vennootschappen een van de onder de uitsluitingslijst vallende activiteiten uitoefent.
92 Indien geen rekening werd gehouden met verbonden vennootschappen, zouden de aanvragers hun activiteiten immers over meerdere met elkaar verbonden juridische entiteiten kunnen verdelen met het doel de door deze bepaling gestelde grenzen aan de erkenning van hun status als actieve landbouwer te omzeilen. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten zouden dan alleen de landbouwactiviteiten controleren die rechtstreeks door de aanvrager worden uitgeoefend, met uitsluiting van de landbouwactiviteiten die via verbonden vennootschappen worden verricht.
93 In dat verband betoogt de Tsjechische Republiek in repliek dat artikel 60 van verordening nr. 1306/2013 is gericht op het risico dat de steunaanvrager zijn activiteiten opzettelijk in meerdere juridische entiteiten opsplitst om de toepassing van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013 te omzeilen.
94 In de eerste plaats moet echter worden opgemerkt dat artikel 60 van verordening nr. 1306/2013 niet specifiek is gericht op de vermijding van het risico van fraude ten nadele van de begroting van de Unie dat voortvloeit uit de opsplitsing van de activiteiten van een aanvrager in het kader van de status van actieve landbouwer. In deze bepaling heet het namelijk: „Onverminderd specifieke bepalingen wordt geen van de voordelen waarin de sectorale landbouwwetgeving voorziet, toegekend aan natuurlijke personen of rechtspersonen van wie is komen vast te staan dat zij kunstmatig de voorwaarden hebben gecreëerd om voor dergelijke voordelen in aanmerking te komen en dus een voordeel zouden genieten dat niet in overeenstemming is met de doelstellingen van die wetgeving.”
95 In de tweede plaats vereist, volgens vaste rechtspraak, het bewijs van het kunstmatig creëren van de voorwaarden in de zin van artikel 60 van verordening nr. 1306/2013 ten eerste een geheel van objectieve omstandigheden waaruit blijkt dat, in weerwil van de formele naleving van de door de relevante regeling opgelegde voorwaarden, het door deze regeling beoogde doel niet werd bereikt, en ten tweede een subjectief element, namelijk de bedoeling om een door de Unieregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat [zie in die zin arrest van 21 juli 2005, Eichsfelder Schlachtbetrieb,C‑515/03, EU:C:2005:491, punt 39, en 7 februari 2023, Confédération paysanne e.a. (Willekeurige in-vitromutagenese),C‑688/21, EU:C:2023:75, punt 33].
96 In die omstandigheden is het, gelet op de ruime werkingssfeer van artikel 60 van verordening nr. 1306/2013 en de bewijsvereisten die zijn vastgesteld in de in punt 95 hierboven bedoelde rechtspraak, mogelijk dat misbruik bestaande in het omzeilen van de regels inzake de status van actieve landbouwer niet binnen de werkingssfeer van artikel 60 van verordening nr. 1306/2013 valt, maar toch schending van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013 oplevert.
97 Derhalve kan niet worden beweerd dat deze bepaling op zich volstaat om het risico te vermijden dat de steunaanvrager zijn activiteiten opsplitst in verschillende juridische entiteiten met het doel zich te onttrekken aan de controle van zijn status van actieve landbouwer krachtens artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013.
98 Het derde argument moet dus worden afgewezen.
4) Vierde argument: het opnemen van verbonden vennootschappen in de werkingssfeer van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013 is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel
99 Met dit vierde argument voert de Tsjechische Republiek aan dat de Commissie overeenkomstig het rechtszekerheidsbeginsel slechts een financiële correctie aan een lidstaat kan opleggen indien de hem verweten schending duidelijk en nauwkeurig uit de toepasselijke bepalingen naar voren komt. In casu komt evenwel niet duidelijk en nauwkeurig uit de toepasselijke bepalingen naar voren dat verbonden vennootschappen binnen de werkingssfeer van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013 vallen.
100 De Commissie betwist dit argument.
101 Volgens vaste rechtspraak moet elke aan de lidstaten opgelegde verplichting die voor hen financiële gevolgen kan hebben, voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn om hen in staat te stellen de omvang ervan te begrijpen en daaraan te voldoen. Het rechtszekerheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van de algemene beginselen van het recht van de Unie, vereist namelijk dat de rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn en voorzienbare gevolgen hebben, opdat de belanghebbenden daaraan houvast hebben in door het Unierecht beheerste rechtssituaties en -betrekkingen (zie in die zin arresten van 6 september 2018, Tsjechische Republiek/Commissie,C‑4/17 P, EU:C:2018:678, punt 58; 17 november 2022, Avicarvil Farms,C‑443/21, EU:C:2022:899, punt 46, en 19 december 2019, Tsjechische Republiek/Commissie,T‑509/18, EU:T:2019:876, punt 40).
102 In casu blijkt duidelijk en nauwkeurig, in de zin van deze rechtspraak, dat een groep natuurlijke personen of rechtspersonen of een natuurlijk persoon of rechtspersoon die deel uitmaakt van een groep, de onder de uitsluitingslijst vallende activiteiten zowel rechtstreeks als via een verbonden vennootschap die deel uitmaakt van dezelfde groep kan uitoefenen.
103 In deze omstandigheden moet het vierde argument worden afgewezen.
104 Bijgevolg moeten de tweede grief en derhalve het eerste onderdeel van het eerste middel in zijn geheel worden verworpen.
2. Tweede onderdeel van het eerste middel: schending door de Commissie van artikel 52, lid 2, van verordening nr. 1306/2013 en het evenredigheidsbeginsel, omdat de hoogte van de bestreden financiële correctie in verband met de vermeende schending met betrekking tot de status van actieve landbouwer niet overeenstemt met de ernst van de verweten niet-naleving
105 Met het tweede onderdeel van het eerste middel betoogt de Tsjechische Republiek dat de Commissie artikel 52, lid 2, van verordening nr. 1306/2013 en het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden omdat de hoogte van de financiële correctie in verband met de vermeende schending met betrekking tot de status van actieve landbouwer niet overeenstemt met de ernst van de verweten niet-naleving.
106 Vooraf zij opgemerkt dat artikel 52, lid 2, van verordening nr. 1306/2013 voorziet in drie soorten correcties: een „berekende”, een „geëxtrapoleerde” en een „forfaitaire” correctie. Daarenboven wordt in die bepaling een hiërarchie tussen deze correcties vastgesteld. Zo wordt een berekende correctie toegepast wanneer de precieze hoogte van de ten onrechte uitgegeven bedragen kan worden vastgesteld. Indien dit niet het geval is, kan een geëxtrapoleerde of een forfaitaire correctie worden toegepast, met dien verstande dat een forfaitaire correctie uitsluitend wordt toegepast wanneer het, vanwege de aard van de zaak of omdat de lidstaat de Commissie niet de nodige informatie heeft verstrekt, niet met een afdoende inspanning mogelijk is de aan de Unie toegebrachte financiële schade nauwkeurig te bepalen.
107 Overigens komt uit artikel 12, lid 6, van gedelegeerde verordening nr. 907/2014 naar voren dat de Commissie uitsluitend een forfaitaire correctie kan toepassen – daarbij rekening houdend met de aard en ernst van de inbreuk en haar eigen raming van het risico van financiële schade voor de Unie – wanneer niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van een berekende of geëxtrapoleerde correctie of wanneer de zaak van zodanige aard is dat de te onttrekken bedragen niet duidelijk kunnen worden bepaald. Bij de toepassing van een forfaitaire correctie moet de Commissie niet alleen een afdoende inspanning leveren, maar ook rekening houden met het soort niet-naleving dat is vastgesteld en met name bepalen of het gaat om een tekortkoming in een essentiële controle dan wel in een aanvullende controle.
108 Bovendien vereist het evenredigheidsbeginsel – als algemeen beginsel van het Unierecht – dat handelingen van de instellingen van de Unie niet verder gaan dan hetgeen passend en noodzakelijk is om het nagestreefde doel te verwezenlijken (zie arrest van 12 februari 2020, Hongarije/Commissie, T‑505/18, niet gepubliceerd, EU:T:2020:56, punt 105 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, moet dus de maatregel worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, en de veroorzaakte nadelen mogen niet onevenredig zijn aan de nagestreefde doelen (zie arrest van 3 maart 2016, Spanje/Commissie, T‑675/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:123, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
109 In casu heeft de Commissie de Tsjechische Republiek één forfaitaire correctie opgelegd voor de twee bestanddelen van de schending met betrekking tot de status van actieve landbouwer die in het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel zijn betwist, namelijk de schending van artikel 9, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1307/2013 wegens het gebruik van één criterium om twee van de drie in deze bepaling bedoelde feiten te bewijzen, en de schending van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013 wegens het niet in aanmerking nemen van verbonden vennootschappen bij de controle van de status van actieve landbouwer van de steunaanvrager. De door de Commissie opgelegde forfaitaire correctie bedraagt namelijk 5 % over 10 % van de betalingen die de Tsjechische Republiek in strijd met de bepalingen inzake de status van actieve landbouwer heeft verricht.
110 De twee grieven die de Tsjechische Republiek in het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel heeft geformuleerd, moeten in deze context worden onderzocht.
a) Eerste grief: geen financiële schade die de oplegging door de Commissie van de bestreden financiële correctie in verband met de vermeende schending met betrekking tot de status van actieve landbouwer kan rechtvaardigen
111 Met deze eerste grief voert de Tsjechische Republiek aan dat de vermeende schending met betrekking tot de status van actieve landbouwer de Unie geen financiële schade heeft berokkend die kan rechtvaardigen dat de Commissie de bestreden financiële correctie heeft opgelegd.
112 In dit verband merkt de Tsjechische Republiek op dat, zoals in de brief van 11 december 2018 en in een brief van het Tsjechische ministerie van Landbouw van 9 oktober 2015 stond vermeld, haar autoriteiten de voor actieve landbouwers bestemde bedragen na de afwijzing van de verzoeken om toegang tot de status van actieve landbouwer op basis van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013, niet uit hoofde van verschillende steunregelingen hadden gebruikt voor andere landbouwers. Bijgevolg betoogt de Tsjechische Republiek dat de afwijzing van de verzoeken om toegang tot de status van actieve landbouwer niet heeft geleid tot een verhoging van de betalingen aan andere landbouwers en dat uit de afwijzing van die aanvragen geen enkel financieel nadeel voortvloeit.
113 Daarenboven is de Tsjechische Republiek van mening dat geen van de aanvragers wier toegang tot de status van actieve landbouwer door haar autoriteiten is geweigerd onder gebruikmaking van het criterium van de landbouwinkomsten om het feit onder c) aan te tonen, voor een dergelijke status en de daarmee verband houdende betalingen uit hoofde van het ELGF en het Elfpo in aanmerking had kunnen komen indien een ander criterium was gehanteerd. Volgens de Tsjechische Republiek kan de afwijzing van deze steunaanvragen dus geen financiële schade voor de begroting van de Unie meebrengen.
114 De Commissie bestrijdt deze grief.
115 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat het volgens vaste rechtspraak aan de Commissie is om, wanneer zij de resultaten van de door de nationale autoriteiten verrichte verificaties betwist en teneinde aan te tonen dat de regels van het GLB zijn geschonden, bewijsmateriaal te leveren voor de ernstige en redelijke twijfel die zij koestert ten aanzien van de door de nationale autoriteiten verrichte controles of de door die autoriteiten overgelegde cijfers. De Commissie hoeft de ontoereikendheid van die controles of de onregelmatigheid van die cijfers niet uitputtend aan te tonen. Deze lagere bewijslast voor de Commissie is te verklaren door het feit dat de lidstaat zelf het best in staat is om de gegevens die nodig zijn voor de goedkeuring van de rekeningen betreffende de landbouwfondsen, te verzamelen en te verifiëren (zie in die zin arresten van 19 december 2019, Griekenland/Commissie, T‑295/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:880, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 25 juni 2020, Polen/Commissie, T‑506/18, niet gepubliceerd, EU:T:2020:282, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
116 Volgens de rechtspraak is het dus, indien de Commissie aangeeft ernstige en redelijke twijfel te koesteren, de taak van de lidstaat om het meest gedetailleerde en volledige bewijs over te leggen dat hij daadwerkelijk controles heeft verricht of dat zijn cijfers juist zijn en, in voorkomend geval, dat de beweringen van de Commissie onjuist zijn (zie arrest van 12 november 2015, Italië/Commissie, T‑255/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:838, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
117 Hieruit volgt dat de betrokken lidstaat de bevindingen van de Commissie niet kan ontkrachten zonder zijn eigen argumentatie te onderbouwen met bewijs voor het bestaan van een betrouwbaar en operationeel controlesysteem. Slaagt de lidstaat er niet in te bewijzen dat de bevindingen van de Commissie onjuist zijn, dan mag op grond van die bevindingen ernstig worden betwijfeld dat een afdoend en doeltreffend stelsel van toezicht en controle is ingevoerd (zie arresten van 19 december 2019, Griekenland/Commissie, T‑295/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:880, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 25 juni 2020, Polen/Commissie, T‑506/18, niet gepubliceerd, EU:T:2020:282, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
118 In casu heeft de Commissie in het kader van de conformiteitsgoedkeuringsprocedure die tot het bestreden besluit heeft geleid, geoordeeld dat de afwijzing van de verzoeken om toegang tot de status van actieve landbouwer het risico kon meebrengen dat de betalingen die de Tsjechische Republiek uit hoofde van verschillende steunregelingen aan andere landbouwers verrichtte, zouden toenemen. In dit verband heeft de Commissie aangevoerd dat het bedrag van de rechtstreekse betalingen dat jaarlijks aan een lidstaat kan worden toegekend, het overeenkomstig artikel 6 van verordening nr. 1307/2013 vastgestelde maximum niet mocht overschrijden. Volgens de Commissie kon er na de afwijzing van de aanvragen om toegang tot de status van actieve landbouwer dus een risico bestaan dat de Tsjechische Republiek, binnen de grenzen van het toegestane maximum, het geld dat bestemd was voor de betaling uit hoofde van de bepalingen inzake de status van actieve landbouwer, zou gebruiken om landbouwers in het kader van andere steunregelingen met hogere bedragen te financieren. De verhoging van de betalingen uit hoofde van de andere steunregelingen vormde voor de Commissie een risico voor de begroting van de Unie, aangezien zij niet zou zijn onderbouwd door elementen die specifiek waren voor die steunregelingen, maar slechts het gevolg was van de afwijzing van de verzoeken om toegang tot de status van actieve landbouwer.
119 In die omstandigheden had de Tsjechische Republiek, om de door de Commissie geuite ernstige en redelijke twijfel weg te nemen, overeenkomstig de in de punten 115 en 117 hierboven aangehaalde rechtspraak het meest gedetailleerde en volledige bewijs moeten leveren dat de afwijzing van de verzoeken om toegang tot de status van actieve landbouwer op basis van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013 geen financiële schade voor de begroting van de Unie zou meebrengen.
120 Dit was in de onderhavige situatie echter niet het geval.
121 Ten eerste heeft de Tsjechische Republiek in de brief van 11 december 2018 inderdaad aanwijzingen verstrekt over de negen aanvragers die waren uitgesloten van de status van actieve landbouwer krachtens artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013, en opgemerkt dat deze uitsluiting geen financiële schade voor de begroting van de Unie had veroorzaakt omdat zij niet had geleid tot een verhoging van de betalingen aan andere landbouwers. Zij heeft echter geen enkel bewijs tot staving van haar stellingen overgelegd.
122 Ten tweede verwijst de Tsjechische Republiek in haar verzoekschrift naar een brief die het departement voor rechtstreekse betalingen van haar ministerie van Landbouw op 27 oktober 2015 heeft verzonden naar de directie van het departement voor rechtstreekse betalingen en milieusteun van het Nationaal fonds voor landbouwinterventie, waarin stond dat de Tsjechische minister van Landbouw de hoogten van de enkele areaalbetalingen, de betalingen voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken en de betalingen voor jonge landbouwers had goedgekeurd. Evenwel wordt niet betwist dat deze brief niet aan de Commissie is meegedeeld in het kader van de procedure van conformiteitsgoedkeuring en dus niet in aanmerking kon worden genomen bij de vaststelling van de bestreden financiële correctie. Zelfs als wordt verondersteld dat deze brief aan de Commissie is verzonden in het kader van de conformiteitsgoedkeuringsprocedure, moet worden opgemerkt dat deze niet het bewijs levert dat de afwijzing, voor de jaren 2015 tot en met 2017, van de verzoeken om toegang tot de status van actieve landbouwer op basis van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1307/2013 de Unie geen financiële schade heeft berokkend. In deze brief wordt namelijk enkel – voor het jaar 2015 – de hoogte van bepaalde landbouwbetalingen vastgesteld.
123 Ten derde heeft de Tsjechische Republiek geen enkel bewijs geleverd voor haar stelling dat geen van de aanvragers wier toegang tot de status van actieve landbouwer door haar autoriteiten is geweigerd op basis van het criterium van de landbouwinkomsten om aan te tonen dat er sprake was van het feit onder c), een dergelijke status en de daarmee verband houdende betalingen uit hoofde van het ELGF en het Elfpo had kunnen verkrijgen indien een ander criterium was gehanteerd.
124 Derhalve moet de eerste grief worden afgewezen.
b) Tweede grief: onnauwkeurigheid bij de vaststelling van het bedrag van de bestreden financiële correctie in verband met de vermeende schending met betrekking tot de status van actieve landbouwer
125 Met de tweede grief betoogt de Tsjechische Republiek dat, verondersteld dat de schending met betrekking tot de status van actieve landbouwer de Unie financiële schade heeft berokkend, de Commissie die schade nauwkeurig had moeten berekenen en daarvoor geen forfaitaire correctie had mogen toepassen.
126 De Commissie bestrijdt deze grief.
127 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat de Commissie een forfaitaire correctie kan toepassen wanneer het niet mogelijk is om de aan de Unie toegebrachte financiële schade met een afdoende inspanning nauwkeuriger te bepalen, met name omdat de lidstaat de Commissie overeenkomstig artikel 52, lid 2, van verordening nr. 1306/2013 niet de nodige informatie heeft verstrekt.
128 In dit verband moet worden opgemerkt dat de brief van 11 december 2018 wel aangeeft hoeveel verzoekers in totaal van de status van actieve landbouwer zijn uitgesloten, maar niet welke schade deze uitsluiting het ELGF en het Elfpo zou hebben kunnen berokkenen.
129 Bovendien geven noch de brief van 11 december 2018, noch de documenten die de Tsjechische autoriteiten later in het kader van de conformiteitsgoedkeuringsprocedure aan de Commissie hebben gezonden, enige aanwijzing over de financiële schade die kan ontstaan doordat de verbonden vennootschappen niet in aanmerking worden genomen bij de controle van de status van actieve landbouwer van de steunaanvrager.
130 In die omstandigheden kan, gelet op de omvang en de aard van de vastgestelde niet-naleving – die het ontbreken van een essentiële controle betrof – en op de onmogelijkheid om de financiële schade die de Unie als gevolg van de afwijzing van de steunaanvragen inzake de status van actieve landbouwer is berokkend middels een afdoende inspanning nauwkeurig te berekenen, niet worden geoordeeld dat de Commissie artikel 52, lid 2, van verordening nr. 1306/2013 en het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden toen zij, wegens schending van de status van actieve landbouwer, de forfaitaire correctie van 5 % over 10 % van de in strijd met het Unierecht verrichte betalingen heeft opgelegd.
131 Bijgevolg moet de tweede grief, en dus het tweede onderdeel van het eerste middel, worden afgewezen.
132 Derhalve moet het eerste middel worden afgewezen.
B. Tweede middel: betwisting van de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland
133 Het tweede middel, waarmee de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland wordt betwist, bestaat uit twee onderdelen.
1. Eerste onderdeel van het tweede middel: onrechtmatigheid van de oplegging door de Commissie van de bestreden financiële correctie in verband met de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland doordat, in het kader van het onderzoek, geen rekening is gehouden met de resultaten van het vervolgonderzoek waarbij het bestaan van die schending was uitgesloten
134 In het eerste onderdeel van het tweede middel voert de Tsjechische Republiek drie grieven aan.
a) Eerste grief: de Commissie heeft artikel 52, lid 1, van verordening nr. 1306/2013, artikel 34, leden 1 en 6, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 en het beginsel van behoorlijk bestuur geschonden
135 Met deze eerste grief voert de Tsjechische Republiek aan dat de Commissie artikel 52, lid 1, van verordening nr. 1306/2013, artikel 34, leden 1 en 6, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 en het beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden door in het kader van het onderzoek geen rekening te hebben gehouden met de resultaten van het vervolgonderzoek die hadden uitgesloten dat er sprake was van schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland.
136 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het onderzoek en het vervolgonderzoek elkaar in de tijd hebben overlapt. Het onderzoek is geopend op 18 september 2017 (dus aan het begin van de eerste audit ter plaatse) en is, na de toezending van het syntheseverslag op 21 oktober 2021, afgesloten met de vaststelling van het bestreden besluit op 17 november 2021. Het vervolgonderzoek is op 31 augustus 2020 begonnen (dus aan het begin van de follow-upaudit) en is, wat de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland betreft, op 24 augustus 2021 geëindigd met de goedkeuring van de notulen van de bilaterale follow-upvergadering, waarmee de kwestie van het bestaan van die schending kon worden afgesloten.
137 In die omstandigheden moet, gelet op het feit dat het syntheseverslag en het bestreden besluit zijn vastgesteld nadat de vraag of sprake was van schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland was afgedaan in het kader van het vervolgonderzoek, worden onderzocht of de Commissie de vraag of sprake was van schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland had moeten afdoen in het kader van het onderzoek, onder inaanmerkingneming van de elementen die tijdens het vervolgonderzoek aan het licht waren gekomen.
138 In dit verband zij eraan herinnerd dat wanneer de Commissie constateert dat uitgaven door een lidstaat niet zijn gedaan in overeenstemming met het Unierecht, zij overeenkomstig artikel 52, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 uitvoeringshandelingen vaststelt waarin de aan financiering door de Unie te onttrekken bedragen worden vastgesteld.
139 Ook moet worden opgemerkt dat artikel 34, leden 1 en 6, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 aan het besluit van de Commissie om uitgaven die een lidstaat in strijd met de geldende regels heeft verricht aan financiering door de Unie te onttrekken, de voorwaarde stelt dat de procedure van conformiteitsgoedkeuring wordt nageleefd.
140 Bovendien behoort, volgens vaste rechtspraak, met name het beginsel van behoorlijk bestuur, dat is neergelegd in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, tot een van de door de rechtsorde van de Unie in administratieve procedures geboden waarborgen. Volgens deze bepaling omvat het recht op behoorlijk bestuur met name het recht van eenieder dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld. Dit recht weerspiegelt een algemeen beginsel van het Unierecht [arresten van 8 mei 2014, N.,C‑604/12, EU:C:2014:302, punt 49, en 1 juni 2016, Wolf Oil/EUIPO – SCT Lubricants (CHEMPIOIL), T‑34/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:330, punten 69 en 70].
141 In dit verband moet worden geoordeeld dat het beginsel van behoorlijk bestuur de instellingen van de Unie niet verplicht om de administratieve procedures eindeloos te verlengen, maar zich vertaalt in bepalingen die termijnen vaststellen voor het verloop van die procedures en voor de toezending, in het kader daarvan, van informatie door de lidstaten aan de instellingen van de Unie. De vaststelling van die termijnen maakt het mogelijk om het vereiste tot afwikkeling binnen een redelijke termijn van de administratieve procedures te verenigen met de rechten van de verdediging, en om zich ervan te vergewissen dat de instellingen van de Unie de relevante informatie van de lidstaten tijdig ontvangen en, zorgvuldig en onpartijdig, rekening kunnen houden met alle relevante informatie van het geval.
142 Wat betreft de procedure voor de conformiteitsgoedkeuring, vloeit het beginsel van behoorlijk bestuur voort uit artikel 52, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 en artikel 34, leden 1 en 6, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014, die de verplichting van de Commissie om prompt rekening te houden met de door de lidstaten verstrekte informatie doen afhangen van de inachtneming door de lidstaten van de in die bepalingen gestelde termijnen voor de toezending ervan.
143 De drie argumenten die de Tsjechische Republiek ter ondersteuning van haar eerste grief heeft aangevoerd, moeten in deze context worden onderzocht.
1) Eerste argument: werkingssfeer van artikel 52, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 en artikel 34, leden 1 en 6, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014
144 Met dit eerste argument voert de Tsjechische Republiek aan dat de in artikel 52 van verordening nr. 1306/2013 en artikel 34, leden 1 en 6, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 gestelde termijnen voor de verzending, door een lidstaat, van informatie aan de Commissie in het kader van de conformiteitsgoedkeuringsprocedure niet van toepassing zijn wanneer de Commissie moet beoordelen of sprake is van schending van het Unierecht, maar enkel wanneer zij het bedrag van de toe te passen financiële correctie moet vaststellen. Dit betekent volgens de Tsjechische Republiek dat de Commissie wel kan aanvoeren dat de door een lidstaat verstrekte informatie te laat is verstrekt wanneer zij het bedrag van de financiële correctie moet vaststellen, maar niet wanneer zij moet beslissen of de bestanddelen van een schending van het Unierecht zijn vervuld.
145 De Commissie betwist dit argument.
146 Opgemerkt zij dat uit de bewoordingen van artikel 52, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 en artikel 34, leden 1 en 6, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 naar voren komt dat de vaststelling van de bedragen die aan Uniefinanciering moeten worden onttrokken intrinsiek verbonden is met de constatering door de Commissie dat het Unierecht is geschonden. De Commissie kan immers geen financiële correctie opleggen wanneer niet alle bestanddelen van een schending van de Unievoorschriften zijn vervuld, hetgeen de voorafgaande voorwaarde is om eventueel het bedrag van een financiële correctie vast te stellen.
147 Bijgevolg kunnen de in artikel 52 van verordening nr. 1306/2013 en artikel 34, leden 1 en 6, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 gestelde termijnen voor de toezending van informatie door de lidstaten niet aldus worden uitgelegd dat zij enkel van toepassing zijn wanneer de Commissie moet vaststellen welke bedragen aan Uniefinanciering moeten worden onttrokken en geen betrekking hebben op het geval waarin de Commissie moet beoordelen of er sprake is van schending van het Unierecht, aangezien deze beoordeling van de schending en deze vaststelling van een financiële correctie intrinsiek met elkaar verbonden zijn.
148 Derhalve moet het eerste argument worden afgewezen.
2) Tweede argument: de informatie die de Tsjechische autoriteiten in het kader van het vervolgonderzoek hebben verstrekt was niet nieuw
149 Met dit tweede argument voert de Tsjechische Republiek aan dat de informatie inzake de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland die zij in het kader van het vervolgonderzoek aan de Commissie heeft meegedeeld, niet nieuw was en reeds tijdens het onderzoek was verstrekt. Bijgevolg is de beperking in de tijd van artikel 34, lid 6, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014, volgens welke de lidstaten de Commissie geen informatie mogen meedelen nadat deze de voorlopige conclusies heeft toegezonden (behalve in de in die bepaling bedoelde gevallen), in casu niet van toepassing.
150 De Commissie betwist dit argument.
151 In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat de Commissie in de op 30 november 2017 verzonden vaststellingsbrief heeft gewezen op tekortkomingen in het door de Tsjechische autoriteiten ingevoerde controlesysteem wat betreft de identificatie van blijvend grasland, hetgeen in strijd is met artikel 4, lid 1, onder h), van verordening nr. 1307/2013.
152 In de tweede plaats heeft de Commissie de Tsjechische autoriteiten in de notulen van de bilaterale vergadering van 11 september 2018 verzocht om aanvullende informatie over de indeling van de braakliggende grond en herhaalde zij daarin dat zij betwijfelde of het controlesysteem geschikt was voor de regel dat blijvend grasland grond is met een (natuurlijke of ingezaaide) vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen en, indien de lidstaten daartoe besluiten, de laatste vijf jaar niet is omgeploegd.
153 In de derde plaats heeft de Commissie in de voorlopige conclusies met name het volgende aangevoerd: – vóór 2015 beschikten de Tsjechische autoriteiten niet over informatie over het historisch overzicht van het grondgebruik en waren zij derhalve niet in staat toezicht uit te oefenen op de toepassing van de in punt 152 hierboven genoemde regel; – na 2015 was niet duidelijk om welke reden de Tsjechische autoriteiten drie verschillende codes hadden gebruikt voor niet-bebouwde grond die na vijf jaar bestemd was om blijvend grasland te worden, namelijk de code „G” voor grasland op niet-bebouwd bouwland, de code „R” voor niet-bebouwd bouwland dat niet als grasland werd beschouwd en de code „U” voor braakliggende grond; het gebruik van meerdere codes bracht volgens de Commissie het risico met zich mee dat grond niet juist als blijvend grasland zou worden aangegeven.
154 In de vierde plaats is de vraag of er sprake was van schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland niet aan de orde geweest in het bemiddelingsverzoek van de Tsjechische autoriteiten.
155 In de vijfde plaats bevatte de aanvullende informatie die de Tsjechische autoriteiten na ontvangst van het rapport van het bemiddelingsorgaan aan de Commissie hebben verstrekt, geheel geen informatie over de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland.
156 In de zesde plaats moet worden opgemerkt dat de Commissie in de eindconclusies en in het syntheseverslag, onder herhaling van de in punt 153 hierboven aangehaalde argumenten, heeft bevestigd dat sprake was van schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland en dat zij de Tsjechische Republiek, bij de vaststelling van het bestreden besluit, voor die schending een financiële correctie van 14923784,40 EUR heeft opgelegd.
157 In de zevende plaats zij eraan herinnerd dat – zoals is vermeld in de notulen van de bilaterale follow-upvergadering – de Tsjechische autoriteiten tijdens die vergadering en in de brief van 30 juli 2021 voor het eerst duidelijke en onderbouwde toelichtingen, voorbeelden en informatie hebben verstrekt aan de Commissie over het systeem voor de classificatie van grasland dat op bouwland en braakliggend land ligt.
158 Uit de notulen van de bilaterale follow-upvergadering komt ook naar voren dat de Commissie op basis van deze informatie heeft besloten de kwestie of er sprake was van schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland af te sluiten in het kader van het vervolgonderzoek en heeft betreurd dat deze informatie, die tevens relevant zou zijn geweest in het kader van het onderzoek, niet door de Tsjechische autoriteiten was verstrekt in het kader van de conformiteitsgoedkeuringsprocedure die tot de vaststelling van het bestreden besluit heeft geleid.
159 In dit verband zij eraan herinnerd dat het, volgens de in de punten 115 tot en met 117 hierboven aangehaalde rechtspraak, in het kader van de conformiteitsgoedkeuringsprocedure de taak is van de lidstaat om zo gedetailleerd en volledig mogelijk bewijs over te leggen voor zijn cijfers of voor de daadwerkelijke verrichting van controles en, in voorkomend geval, voor de onjuistheid van de beweringen van de Commissie. Wanneer de betrokken lidstaat er niet in slaagt om binnen de in artikel 52 van verordening nr. 1306/2013 en artikel 34 van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 gestelde termijnen aan te tonen dat de bevindingen van de Commissie onjuist zijn, vormen die bevindingen dus elementen die serieuze twijfel kunnen zaaien over de vraag of er een afdoend en doeltreffend stelsel van toezicht en controle is ingesteld.
160 In casu heeft de Tsjechische Republiek in het kader van het onderzoek niet het meest gedetailleerde en volledige bewijs overgelegd om aan te tonen dat zij daadwerkelijk controles met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland had uitgevoerd en is zij er niet in geslaagd aan te tonen dat de bevindingen van de Commissie onjuist waren. De Tsjechische Republiek heeft immers pas tijdens het vervolgonderzoek voor het eerst gedetailleerde toelichtingen en aanvullende bewijzen verstrekt op basis waarvan de Commissie heeft kunnen nagaan dat er geen sprake was van schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland.
161 In deze omstandigheden moet het tweede middel worden afgewezen.
3) Derde argument: voorwaarden van artikel 34, lid 6, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014
162 Met dit derde argument voert de Tsjechische Republiek aan dat de Commissie in het kader van het onderzoek rekening had moeten houden met de informatie over de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland die de Tsjechische autoriteiten tijdens het vervolgonderzoek hadden verstrekt. Het gaat namelijk om informatie die voldeed aan de twee voorwaarden van artikel 34, lid 6, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014, op grond waarvan een lidstaat de Commissie informatie kan verstrekken nadat deze de voorlopige conclusies heeft toegezonden.
163 De Commissie betwist dit argument.
164 Er zij aan herinnerd dat artikel 34, lid 6, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 bepaalt dat de informatie die door een lidstaat wordt verstrekt nadat de Commissie hem in kennis heeft gesteld van de voorlopige conclusies van het onderzoek, uitsluitend in aanmerking kan worden genomen: a) wanneer die nodig is om een grove overschatting van de financiële schade aan de Uniebegroting te voorkomen, en b) indien de late indiening van informatie vanwege externe factoren gerechtvaardigd is en niet belet dat het besluit van de Commissie op grond van artikel 52 van verordening nr. 1306/2013 tijdig wordt vastgesteld.
165 In dit verband moet worden overwogen dat de Franse versie van artikel 34, lid 6, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 weliswaar dubbelzinnig is over de vraag of de in die bepaling gestelde voorwaarden cumulatief dan wel alternatief van aard zijn, maar dat bij analyse van de andere taalversies ervan blijkt dat deze voorwaarden cumulatief zijn. Zo wordt in de Portugese versie van artikel 34, lid 6, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 aangegeven dat een lidstaat informatie aan de Commissie kan sturen nadat de Commissie de lidstaat in kennis heeft gesteld van de voorlopige conclusies van het onderzoek wanneer aan de twee cumulatieve voorwaarden van die bepaling is voldaan. Dit cumulatieve karakter is overigens door partijen ter terechtzitting bevestigd.
166 In casu hebben de Tsjechische autoriteiten, zoals in punt 157 is vermeld, de informatie over de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland aan de Commissie meegedeeld tijdens de bilaterale follow-upvergadering en in de brief van 30 juli 2021, dat wil zeggen nadat de Commissie de voorlopige conclusies van het onderzoek op 20 december 2019 had verzonden.
167 Derhalve moet worden beoordeeld of in casu was voldaan aan de twee voorwaarden van artikel 34, lid 6, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 om rekening te kunnen houden met te laat meegedeelde informatie.
168 Wat betreft de eerste voorwaarde van artikel 34, lid 6, onder a), van uitvoeringsverordening nr. 908/2014, moet worden geoordeeld dat de informatie over de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland die de Tsjechische autoriteiten tijdens de bilaterale follow-upvergadering en op 30 juli 2021 hadden verstrekt, noodzakelijk was om een grove overschatting van de aan de begroting van de Unie toegebrachte financiële schade te voorkomen. Het ging er immers om te voorkomen dat er een financiële correctie werd opgelegd voor een schending die in het kader van het vervolgonderzoek als niet bestaand werd beschouwd. Het feit dat de Commissie deze informatie in het kader van het onderzoek niet in aanmerking heeft genomen, heeft namelijk geleid tot een overschatting van de financiële schade voor de Unie ten bedrage van 14923784,40 EUR, hetgeen overeenkomt met het bedrag van de financiële correctie die aan de Tsjechische Republiek is opgelegd wegens de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland.
169 De voorwaarde van artikel 34, lid 6, onder a), van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 is in casu dus vervuld.
170 Wat betreft de tweede voorwaarde van artikel 34, lid 6, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 908/2014, moet worden opgemerkt dat de verzending van informatie over de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland tijdens de bilaterale follow-upvergadering en op 30 juli 2021 niet vanwege externe factoren gerechtvaardigd was. Deze informatie was reeds beschikbaar tijdens het onderzoek, maar was niet op duidelijke en onderbouwde wijze aan de Commissie meegedeeld. Hieruit volgt dat de Tsjechische Republiek deze informatie binnen de in artikel 34, lid 6, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 gestelde termijnen aan de Commissie had moeten en kunnen verzenden.
171 Bijgevolg is in casu niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 34, lid 6, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 908/2014.
172 Bijgevolg moet het derde argument, en dus de eerste grief in zijn geheel, worden afgewezen.
b) Tweede grief: schending door de Commissie van het vertrouwensbeginsel
173 Met de tweede grief betoogt de Tsjechische Republiek dat de Commissie het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, aangezien het besluit om, in het kader van het vervolgonderzoek, de kwestie van de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland af te sluiten bij haar een gewettigd vertrouwen heeft gewekt dat – zelfs in het kader van het onderzoek – geen financiële correctie wegens die schending zou worden opgelegd.
174 Volgens de Tsjechische Republiek was deze verwachting des te meer gewettigd daar de Commissie bij een andere tekortkoming in het controlesysteem dat de Tsjechische autoriteiten hadden ingevoerd ter verificatie van de toekenning van steun uit het ELGF en het Elfpo in verband met de aangifte van de landbouwarealen, in de eindbevinding van het onderzoek rekening had gehouden met de resultaten van het vervolgonderzoek en had besloten het desbetreffende punt af te sluiten.
175 De Commissie bestrijdt deze grief.
176 Volgens vaste rechtspraak behoort het vertrouwensbeginsel tot de grondbeginselen van de Unie. Iedere justitiabele bij wie een instelling van de Unie gegronde verwachtingen heeft gewekt kan zich op die bescherming beroepen. Nauwkeurige, onvoorwaardelijke, onderling overeenstemmende en van bevoegde en betrouwbare bronnen afkomstige inlichtingen zijn toezeggingen die dergelijke verwachtingen kunnen wekken, ongeacht de vorm waarin zij worden meegedeeld. Niemand kan evenwel schending van dit beginsel aanvoeren wanneer door de overheidsinstantie geen nauwkeurige toezeggingen zijn gedaan (zie in die zin arrest van 18 januari 2023, Roemenië/Commissie,T‑33/21, EU:T:2023:5, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
177 In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat de Commissie de Tsjechische Republiek in de notulen van de bilaterale follow-upvergadering in kennis heeft gesteld van haar besluit om, in het kader van het vervolgonderzoek, de kwestie van het bestaan van de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland af te sluiten.
178 De notulen van een bilaterale follow-upvergadering bepalen echter niet het definitieve standpunt van de Commissie over de vraag of sprake is van schending van het Unierecht, maar vormen een voorbereidende fase van de conformiteitsgoedkeuringsprocedure waarin de staat kan worden opgemaakt van de besprekingen tussen de partijen tijdens een dergelijke bilaterale vergadering (zie in die zin arrest van 18 september 2003, Verenigd Koninkrijk/Commissie,C‑346/00, EU:C:2003:474, punten 69 en 70). Het definitieve standpunt van de Commissie over het bestaan van een schending van het Unierecht wordt namelijk pas vastgesteld in de eindconclusies van het onderzoek, die overeenkomstig artikel 34, lid 4, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 aan de lidstaat worden toegezonden, en in het syntheseverslag, dat een gedetailleerde uiteenzetting bevat van de redenen waarom bepaalde uitgaven uiteindelijk van Uniefinanciering zijn uitgesloten.
179 Aangezien de notulen van de bilaterale follow-upvergadering niet het definitieve standpunt van de Commissie over het bestaan van de schending met betrekking tot de identificatie van het blijvend grasland weergaven, konden zij in die omstandigheden bij de Tsjechische Republiek geen gegronde en gewettigde verwachtingen wekken over dat standpunt en over het uitblijven, in het kader van het onderzoek, van een financiële correctie wegens die schending.
180 In de tweede plaats moet, ervan uitgaande dat de notulen van de bilaterale follow-upvergadering kunnen worden beschouwd als een document waarin het definitieve standpunt van de Commissie over het bestaan van de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland wordt vastgesteld, worden opgemerkt dat het besluit om de kwestie van het bestaan van die in het kader van het vervolgonderzoek af te sluiten, geen nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende inlichtingen in de zin van de in punt 176 hierboven aangehaalde rechtspraak bevat die bij de Tsjechische Republiek een gewettigde verwachting konden wekken dat in het kader van het onderzoek geen financiële correctie voor die schending zou worden toegepast.
181 Het is juist dat de Commissie in de notulen van de bilaterale follow-upvergadering heeft verklaard te betreuren dat de Tsjechische autoriteiten de tijdens het vervolgonderzoek verstrekte informatie over de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland niet in het kader van het onderzoek hebben verzonden. Volgens de Commissie was deze informatie ook relevant in het kader van het onderzoek.
182 De Commissie heeft zich er in de notulen van de bilaterale follow-upvergadering echter niet over uitgesproken of met deze nieuwe informatie rekening zou worden gehouden in het kader van het onderzoek en heeft daarin geen standpunt ingenomen over de gestelde schending of over de toepassing van een financiële correctie wegens de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland.
183 Hieruit volgt dat de Commissie het vertrouwensbeginsel niet heeft geschonden door, in het kader van het onderzoek, geen rekening te houden met de resultaten van het vervolgonderzoek naar de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland.
184 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het argument van de Tsjechische Republiek dat de Commissie, wat betreft de tekortkomingen die zij met betrekking tot de aangifte van landbouwgrond door de Tsjechische autoriteiten had vastgesteld, in de eindconclusies van het onderzoek rekening had gehouden met de resultaten van het vervolgonderzoek en had besloten het desbetreffende punt af te sluiten.
185 Dat is namelijk geen relevant argument. Uit de eindconclusies van het onderzoek blijkt dat de Tsjechische autoriteiten de Commissie tijdens de follow-upaudit die zij van 31 augustus tot en met 4 september 2020 in Tsjechië heeft verricht, nieuwe informatie hebben verstrekt over de aangifte van landbouwoppervlakten. Deze informatie, die werd doorgegeven voordat de eindconclusies van het onderzoek op 26 maart 2021 werden vastgesteld, was door de Commissie in het kader van het onderzoek in aanmerking genomen en had het mogelijk gemaakt om het bijbehorende punt in de eindconclusies af te sluiten.
186 Hieruit volgt dat, in tegenstelling tot de informatie over de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland, die de Tsjechische autoriteiten hebben verstrekt na de verzending van de eindconclusies door de Commissie, de informatie over de aangifte van de landbouwarealen vóór die verzending is verstrekt.
187 Aangezien deze informatie in verschillende tijdvakken is verzonden, kon de afsluiting van de kwestie inzake het bestaan van een schending betreffende de aangifte van landbouwgrond derhalve bij de Tsjechische Republiek geen gewettigde verwachting doen ontstaan dat er geen financiële correctie zou worden toegepast voor de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland.
188 Derhalve dient de tweede grief te worden afgewezen.
c) Derde grief: schending door de Commissie van artikel 296, tweede alinea, VWEU
189 Met de derde grief voert de Tsjechische Republiek aan dat de Commissie artikel 296, tweede alinea, VWEU heeft geschonden, aangezien zij in de motivering van het bestreden besluit en in het syntheseverslag niet heeft verwezen naar de door haar in de notulen van de bilaterale follow-upvergadering opgenomen bevindingen die ertoe hadden geleid dat het punt inzake de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland werd afgesloten. Volgens de Tsjechische Republiek kan uit de motivering van het bestreden besluit en van het syntheseverslag dus niet worden opgemaakt waarom de Commissie in het kader van het onderzoek geen rekening heeft gehouden met de resultaten van het vervolgonderzoek naar de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland.
190 De Commissie bestrijdt deze grief.
191 Volgens vaste rechtspraak is de motiveringsplicht van artikel 296 VWEU een wezenlijk vormvoorschrift dat moet worden onderscheiden van de vraag naar de gegrondheid van de motivering, die de inhoudelijke rechtmatigheid van de omstreden handeling betreft. Vanuit dat perspectief moet de motivering beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen (arresten van 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie,C‑521/09 P, EU:C:2011:620, punten 146 en 147; 9 september 2020, Griekenland/Commissie, T‑46/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:396, punt 47, en 18 januari 2023, Roemenië/Commissie,T‑33/21, EU:T:2023:5, punt 36).
192 Daarbij kan evenwel niet worden verlangd dat alle verschillende relevante elementen, feitelijk en rechtens, in de motivering worden gespecificeerd. Bij de vraag of de motivering van een besluit aan de in punt 191 hierboven in herinnering gebrachte vereisten voldoet, moet immers niet alleen acht worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest van 18 januari 2023, Roemenië/Commissie,T‑33/21, EU:T:2023:5, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
193 Hieruit volgt dat, volgens de rechtspraak, in het kader van de procedure van conformiteitsgoedkeuring aan de motiveringsplicht wordt geacht te zijn voldaan wanneer de betrokken lidstaat nauw betrokken is geweest bij de voorbereiding van dat besluit en dus bekend was met de redenen waarom de Commissie meende het litigieuze bedrag niet ten laste van de betrokken fondsen te moeten brengen (zie arrest van 16 februari 2017, Roemenië/Commissie,T‑145/15, EU:T:2017:86, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
194 In dat verband dient de Commissie, wanneer zij de voldoende nauwkeurige beoordelingsgegevens die zijn aangevoerd door de bevoegde nationale autoriteiten afwijst, met name in haar correspondentie met de betrokken lidstaat en in het syntheseverslag uiteen te zetten welke elementen voor haar grond vormen voor ernstige en redelijke twijfel ten aanzien van de door de nationale autoriteiten meegedeelde cijfers of de resultaten van de door deze autoriteiten verrichte controles, zodat die elementen moeten worden vermeld in de handelingen die tijdens de procedure van conformiteitsgoedkeuring door de Commissie worden opgesteld alsmede in de motivering van het aan het einde daarvan vastgestelde besluit (zie in die zin arresten van 16 februari 2017, Roemenië/Commissie,T‑145/15, EU:T:2017:86, punt 47, en 9 september 2020, Griekenland/Commissie, T‑46/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:396, punt 49).
195 In casu wordt niet betwist dat de Tsjechische autoriteiten nauw betrokken zijn geweest bij de voorbereiding van het bestreden besluit en dat zij op de hoogte waren van de redenen die dit besluit rechtvaardigden. Dit is immers vastgesteld na een procedure op tegenspraak waarin de Commissie en de Tsjechische autoriteiten herhaaldelijk de gelegenheid hebben gehad hun standpunten over de vaststelling van de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland uit te wisselen.
196 Ook moet worden geoordeeld dat de Tsjechische autoriteiten in het kader van het onderzoek in het geheel geen voldoende nauwkeurig bewijs hebben geleverd voor de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland.
197 Daarenboven heeft de Commissie, zoals in de punten 153 en 156 hierboven is aangegeven, in de voorlopige conclusies, in de eindconclusies en in het syntheseverslag duidelijk gemotiveerd waarom de financiële correctie voor de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland is opgelegd.
198 In die omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat de Commissie haar motiveringsplicht in de zin van de in punt 193 hierboven aangehaalde rechtspraak en artikel 296, tweede alinea, VWEU niet is nagekomen.
199 Bijgevolg moet de derde grief, en dus het eerste onderdeel van het tweede middel in zijn geheel, worden afgewezen.
2. Tweede onderdeel van het tweede middel: onrechtmatigheid van de oplegging door de Commissie van de bestreden financiële correctie, terwijl het systeem voor de identificatie van blijvend grasland in de Tsjechische Republiek Unierechtconform was
200 Met het tweede onderdeel van het tweede middel voert de Tsjechische Republiek aan dat de Commissie artikel 52, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 heeft geschonden door haar de bestreden financiële correctie op te leggen in verband met de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland, terwijl haar systeem voor de identificatie van blijvend grasland Unierechtconform was.
201 De Commissie betwist dit onderdeel.
202 Er zij aan herinnerd dat in het kader van de conformiteitsgoedkeuringsprocedure die tot de vaststelling van het bestreden besluit heeft geleid, is geconcludeerd dat: – de Tsjechische Republiek met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland niet het meest gedetailleerde en volledige bewijs heeft geleverd dat haar controles daadwerkelijk zijn verricht in de zin van de in punt 115 hierboven aangehaalde rechtspraak, en er niet in is geslaagd aan te tonen dat de bevindingen van de Commissie onjuist waren; de Tsjechische Republiek heeft namelijk pas tijdens het vervolgonderzoek en bij haar brief van 30 juli 2021 voor het eerst duidelijke toelichtingen en aanvullende bewijzen verstrekt op basis waarvan de Commissie kon nagaan dat er geen sprake was van schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland (zie punt 160 hierboven); – de Commissie in het kader van het onderzoek geen rekening hoefde te houden met de resultaten van het vervolgonderzoek naar de vraag of er sprake was van schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland, aangezien in casu niet cumulatief was voldaan aan de voorwaarden van artikel 34, lid 6, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014, op grond waarvan rekening kan worden gehouden met de informatie die de lidstaat te laat heeft verstrekt na verzending van de voorlopige conclusies door de Commissie (zie punt 171 hierboven).
203 In die omstandigheden kan geen rekening worden gehouden met de informatie en de toelichting die de Tsjechische Republiek in het verzoekschrift heeft verstrekt over de schending met betrekking tot de identificatie van blijvend grasland en die niet in het kader van de conformiteitsgoedkeuringsprocedure aan de Commissie waren meegedeeld, aangezien zij buiten de termijnen van artikel 52 van verordening nr. 1306/2013 en artikel 34 van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 zijn verzonden.
204 Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het tweede middel, en derhalve het tweede middel in zijn geheel, worden afgewezen.
C. Derde middel: betwisting van de schending met betrekking tot de selectie van de controlesteekproef
205 Het derde middel, waarmee de schending met betrekking tot de selectie van de controlesteekproef wordt betwist, bestaat uit vier onderdelen.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 7 februari 2023, C-688/21, ECLI:EU:C:2023:75
- Gerecht EU 18 januari 2023, T-33/21, ECLI:EU:T:2023:5
- HvJ EU 17 november 2022, C-443/21, ECLI:EU:C:2022:899
- HvJ EU 7 april 2022, C-176/20, ECLI:EU:C:2022:274
- Gerecht EU 15 december 2021, T-565/19, ECLI:EU:T:2021:904
- Gerecht EU 19 december 2019, T-509/18, ECLI:EU:T:2019:876
- HvJ EU 6 september 2018, C-4/17, ECLI:EU:C:2018:678
- Gerecht EU 16 februari 2017, T-145/15, ECLI:EU:T:2017:86
- HvJ EU 8 mei 2014, C-604/12, ECLI:EU:C:2014:302
- HvJ EU 29 maart 2012, C-564/10, ECLI:EU:C:2012:190
- HvJ EU 29 september 2011, C-521/09, ECLI:EU:C:2011:620
- HvJ EU 29 januari 2009, C-278/07, ECLI:EU:C:2009:38
- Gerecht EU 24 mei 2007, T-289/01, ECLI:EU:T:2007:155
- HvJ EU 21 juli 2005, C-515/03, ECLI:EU:C:2005:491
- HvJ EU 18 september 2003, C-346/00, ECLI:EU:C:2003:474