Art. 52 VvL, Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen
Verdrag betreffende de Europese Unie (VvL)
1. Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
2. De door dit Handvest erkende rechten die voorkomen in bepalingen van de Verdragen, worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen die door deze Verdragen zijn gesteld.
3. Voor zover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt.
4. Voor zover dit Handvest grondrechten erkent zoals die voortvloeien uit de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben, moeten die rechten in overeenstemming met die tradities worden uitgelegd.
5. Aan de bepalingen van dit Handvest die beginselen bevatten, kan uitvoering worden gegeven door wetgevings- en uitvoeringshandelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie en door handelingen van de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, bij de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden. De rechterlijke bevoegdheid ten aanzien van die bepalingen blijft beperkt tot de uitlegging van genoemde handelingen en de toetsing van de wettigheid ervan.
6. Met de nationale wetgevingen en praktijken moet ten volle rekening worden gehouden, zoals bepaald in dit Handvest.
7. De toelichting, die is opgesteld om richting te geven aan de uitlegging van dit Handvest van de grondrechten, wordt door de rechterlijke instanties van de Unie en van de lidstaten naar behoren in acht genomen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CBb 8 mei 2018, ECLI:NL:CBB:2018:325
- Hof Den Haag 22 juli 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:3607
- Conclusie A-G Wattel 30 januari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:132
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 15 december 2014, ECLI:NL:OGHACMB:2014:89
- Rb. Den Haag 1 augustus 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:9926
- HR 11 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3855
- HR 11 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5093
- Hof Den Haag 5 oktober 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2856
- CBb 8 mei 2018, ECLI:NL:CBB:2018:312
- Rb. Den Haag 16 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:2508
- Conclusie A-G Paridaens 27 augustus 2024, ECLI:NL:PHR:2024:814
- Conclusie A-G Hofstee 29 maart 2022, ECLI:NL:PHR:2022:303
- Conclusie A-G Wattel 3 augustus 2017, ECLI:NL:PHR:2017:723
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 9 november 2022, ECLI:NL:OGHACMB:2022:186
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 3 juni 2016, ECLI:NL:OGHACMB:2016:42
- CRvB 4 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2914
- CBb 22 juni 2021, ECLI:NL:CBB:2021:636