HvJ EU 4 oktober 2024, C-31/23, ECLI:EU:C:2024:851

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

4 oktober 2024 ( *1 )

„Hogere voorziening – Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt van betonstaal – Besluit van de Europese Commissie houdende vaststelling van een inbreuk op artikel 65 KS na aflopen van het EGKS-Verdrag, gegeven op grond van verordening (EG) nr. 1/2003 – Besluit dat is genomen na de nietigverklaring van eerdere besluiten – Nieuwe hoorzitting in aanwezigheid van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten – Rechten van de verdediging – Beginsel van behoorlijk bestuur – Vereiste van onpartijdigheid – Redelijke termijn – Motiveringsplicht – Evenredigheid – Beginsel ne bis in idem – Exceptie van onwettigheid – Verzwarende omstandigheden – Recidive – Verzachtende omstandigheden – Gelijke behandeling”

In zaak C‑31/23 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 19 januari 2023,

Ferriere Nord SpA, gevestigd te Osoppo (Italië), vertegenwoordigd door B. Comparini, G. Donà en W. Viscardini, avvocati,

rekwirante,

andere partijen in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Conte, P. Rossi en C. Sjödin als gemachtigden, bijgestaan door M. Moretto, avvocato,

verweerster in eerste aanleg,

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door E. Ambrosini en O. Segnana als gemachtigden,

interveniënt in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: T. von Danwitz, kamerpresident, P. G. Xuereb (rapporteur) en A. Kumin, rechters,

advocaat-generaal: N. Emiliou,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Met haar hogere voorziening verzoekt Ferriere Nord SpA, primair, om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 9 november 2022, Ferriere Nord/Commissie (T‑667/19, EU:T:2022:692; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht haar beroep heeft verworpen dat primair strekte tot nietigverklaring van besluit C(2019) 4969 final van de Commissie van 4 juli 2019 betreffende schending van artikel 65 van het EGKS-Verdrag (zaak AT.37956 – Betonstaal) (hierna: „litigieus besluit”), voor zover dit besluit op haar betrekking had. Subsidiair vordert deze onderneming, ten eerste, vernietiging van het bestreden arrest voor zover daarbij haar subsidiaire vordering tot gedeeltelijke nietigverklaring van het litigieuze besluit is afgewezen en, ten tweede, gedeeltelijke nietigverklaring van dat besluit en verlaging van de haar opgelegde geldboete.

Toepasselijke bepalingen

Verordening nr. 1/2003

2 Artikel 7 („Vaststelling en beëindiging van inbreuken”) van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) bepaalt in lid 1: „Wanneer de Commissie, naar aanleiding van een klacht of ambtshalve, een inbreuk op [artikel 101 of artikel 102 VWEU] vaststelt, kan zij bij beschikking de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen gelasten een einde aan de vastgestelde inbreuk te maken. Zij kan hun daartoe alle maatregelen ter correctie van gedragingen of structurele maatregelen opleggen die evenredig zijn aan de gepleegde inbreuk en noodzakelijk zijn om aan de inbreuk daadwerkelijk een einde te maken. Structurele maatregelen kunnen alleen worden opgelegd als er niet een even effectieve maatregel ter correctie van gedragingen bestaat of als een dergelijke even effectieve maatregel voor de betrokken onderneming belastender zou zijn dan de structurele maatregel. De Commissie kan ook een reeds beëindigde inbreuk vaststellen, indien zij hierbij een legitiem belang heeft.”

3 Artikel 14 („Adviescomité”) van deze verordening bepaalt: „1. De Commissie raadpleegt een adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities alvorens beschikkingen als bedoeld in de artikelen 7, 8, 9, 10 en 23, artikel 24, lid 2, en artikel 29, lid 1, te geven. 2. Voor de bespreking van individuele zaken bestaat het adviescomité uit vertegenwoordigers van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten. […] […] 5. De Commissie houdt zo veel mogelijk rekening met het door het adviescomité uitgebrachte advies. Zij brengt het comité op de hoogte van de wijze waarop zij rekening heeft gehouden met zijn advies. […]”

4 Volgens artikel 23, lid 2, onder a), van die verordening kan de Commissie bij beschikking geldboeten opleggen aan ondernemingen en ondernemersverenigingen wanneer zij opzettelijk of uit onachtzaamheid inbreuk maken op artikel 101 of artikel 102 VWEU.

5 In artikel 25 („Verjaring ter zake van de oplegging van sancties”) van die verordening wordt bepaald: „1. De bevoegdheid van de Commissie overeenkomstig de artikelen 23 en 24 verjaart a) na drie jaar bij inbreuken op de bepalingen betreffende het inwinnen van inlichtingen en het verrichten van inspecties; b) na vijf jaar bij de overige inbreuken. 2. De verjaringstermijn gaat in op de dag waarop de inbreuk is gepleegd. Bij voortdurende of voortgezette inbreuken gaat de verjaringstermijn echter pas in op de dag waarop de inbreuk is beëindigd. 3. De verjaring ter zake van de oplegging van geldboeten en dwangsommen wordt gestuit door elke handeling van de Commissie of van de mededingingsautoriteit van een lidstaat ter instructie of vervolging van de inbreuk. De stuiting van de verjaring treedt in op de dag waarop van de handeling kennis wordt gegeven aan ten minste één onderneming of ondernemersvereniging die aan de inbreuk heeft deelgenomen. Handelingen die de verjaring stuiten, zijn met name: a) een schriftelijk verzoek om inlichtingen van de Commissie of de mededingingsautoriteit van een lidstaat; b) een door de Commissie of de mededingingsautoriteit van een lidstaat aan haar functionarissen verstrekte schriftelijke opdracht tot inspectie; c) de inleiding van een procedure door de Commissie of de mededingingsautoriteit van een lidstaat; d) de mededeling van punten van bezwaar door de Commissie of door de mededingingsautoriteit van een lidstaat. 4. De stuiting van de verjaring geldt ten aanzien van alle ondernemingen en ondernemersverenigingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen. 5. Na iedere stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen. De verjaring treedt echter ten laatste in op de dag waarop een termijn gelijk aan tweemaal de verjaringstermijn is verstreken zonder dat de Commissie een geldboete of een dwangsom heeft opgelegd. Deze termijn wordt verlengd met de periode gedurende welke de verjaring in overeenstemming met lid 6 wordt geschorst. 6. De verjaring ter zake van de oplegging van geldboeten en dwangsommen wordt geschorst zolang de beschikking van de Commissie het voorwerp vormt van een procedure bij het Hof van Justitie.”

6 Artikel 27 („Het horen van partijen, klagers en derden”) van verordening nr. 1/2003 bepaalt het volgende: „1. Alvorens een beschikking op grond van de artikelen 7, 8, 23 of artikel 24, lid 2, te geven, stelt de Commissie ondernemingen en ondernemersverenigingen die het voorwerp van haar procedure uitmaken in de gelegenheid hun standpunt ten aanzien van de door haar in aanmerking genomen bezwaren kenbaar te maken. De Commissie doet haar beschikkingen slechts steunen op de punten van bezwaar waarover de partijen opmerkingen hebben kunnen maken. De klagers worden nauw bij de procedure betrokken. 2. Het recht van verdediging van de partijen wordt in de loop van de procedure ten volle geëerbiedigd. […] 3. Indien de Commissie dit nodig acht, kan zij andere natuurlijke personen of rechtspersonen horen. Wanneer natuurlijke personen of rechtspersonen verzoeken te worden gehoord, en een voldoende belang aantonen, moet hun verzoek worden ingewilligd. Ook de mededingingsautoriteiten van de lidstaten kunnen de Commissie vragen andere natuurlijke personen of rechtspersonen te horen. […]”

Verordening nr. 773/2004

7 Artikel 11 („Recht om te worden gehoord”) van verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2004, L 123, blz. 18), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 622/2008 van de Commissie van 30 juni 2008 (PB 2008, L 171, blz. 3) (hierna: „verordening nr. 773/2004”), bepaalt het volgende: „1. De Commissie biedt de partijen aan wie zij een mededeling van punten van bezwaar richt, de mogelijkheid om te worden gehoord alvorens zij het in artikel 14, lid 1, van verordening (EG) nr. 1/2003 bedoelde [a]dviescomité raadpleegt. 2. De Commissie neemt in haar beschikkingen slechts de bezwaren in aanmerking ten aanzien waarvan de in lid 1 bedoelde partijen hun opmerkingen hebben kunnen maken.”

8 Artikel 12 van verordening nr. 773/2004 bepaalt: „1. De Commissie stelt de partijen aan wie zij een mededeling van punten van bezwaar richt, in de gelegenheid tijdens een hoorzitting hun standpunt toe te lichten, indien zij in hun schriftelijke opmerkingen daarom verzoeken. 2. Bij het indienen van hun verklaringen met het oog op een schikking, bevestigen de partijen evenwel aan de Commissie dat zij alleen de gelegenheid moeten krijgen hun argumenten tijdens een hoorzitting uiteen te zetten wanneer door de mededeling van punten van bezwaar de inhoud van hun verklaringen met het oog op een schikking niet wordt weergegeven.”

9 Artikel 13 („Het horen van andere personen”) van deze verordening luidt als volgt: „1. Indien andere natuurlijke of rechtspersonen dan de in de artikelen 5 en 11 bedoelde personen verzoeken om te worden gehoord en indien zij een voldoende belang aantonen, stelt de Commissie hen schriftelijk in kennis van de aard en het onderwerp van de procedure en stelt zij een termijn vast waarbinnen zij hun standpunt schriftelijk kenbaar kunnen maken. 2. De Commissie kan, in voorkomend geval, de in lid 1 bedoelde personen die in hun schriftelijke opmerkingen daarom verzoeken, in de gelegenheid stellen hun standpunt toe te lichten tijdens de hoorzitting met de partijen aan wie zij een mededeling van punten van bezwaar heeft gericht. 3. De Commissie kan andere personen uitnodigen hun standpunt schriftelijk uiteen te zetten, alsmede deel te nemen aan de hoorzitting met de partijen aan wie zij een mededeling van punten van bezwaar heeft gericht. De Commissie kan deze personen ook uitnodigen hun standpunt uiteen te zetten tijdens deze hoorzitting.”

10 Artikel 14 („Verloop van de hoorzitting”) van die verordening luidt: „1. De hoorzitting wordt door de raadadviseur-auditeur in volle onafhankelijkheid geleid. 2. De Commissie nodigt degenen die zij wil horen uit om op de door haar bepaalde datum deel te nemen aan de hoorzitting. 3. De Commissie nodigt de mededingingsautoriteiten van de lidstaten uit om aan de hoorzitting deel te nemen. Zij kan ook functionarissen en ambtenaren van andere autoriteiten van de lidstaten uitnodigen. […]”

Mededeling van 2011

11 Met de mededeling van de Commissie inzake goede praktijken voor procedures op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU (PB 2011, C 308, blz. 6; hierna: „mededeling van 2011”) wordt blijkens punt 1 ervan voornamelijk beoogd praktisch advies te geven over procedures op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU.

12 In punt 6 van deze mededeling heet het dat deze mededeling vanaf de datum van publicatie ervan van toepassing was „voor in behandeling genomen en voor toekomstige zaken”. Wat de in behandeling genomen zaken betreft, was zij volgens voetnoot 16 van die mededeling van toepassing „voor de na de publicatie nog te nemen procedurestappen”.

13 De punten 84, 86 en 109 van deze mededeling luiden als volgt: „84. De mededeling van punten van bezwaar geeft duidelijk aan of de Commissie voornemens is geldboeten aan de ondernemingen op te leggen indien de bezwaren worden bevestigd […]. De Commissie vermeldt in de mededeling van punten van bezwaar de voornaamste feitelijke en juridische gegevens die tot de oplegging van een boete kunnen leiden, zoals de duur en de zwaarte van de inbreuk en of de inbreuk opzettelijk of uit onachtzaamheid werd gemaakt. Verder wordt in de mededeling van punten van bezwaar op voldoende nauwkeurige wijze vermeld dat bepaalde feiten aanleiding kunnen geven tot verzwarende omstandigheden en, voor zover mogelijk, tot verzachtende omstandigheden. […] 86. Indien de Commissie voornemens is in haar definitieve besluit af te wijken van de feitelijke of juridische gegevens die in de mededeling van punten van bezwaar zijn vermeld, ten nadele van een of meer partijen, of indien zij voornemens is bijkomende belastende bewijsstukken in aanmerking te nemen, worden de betrokken partij of partijen steeds in de gelegenheid gesteld hun standpunt daarover naar behoren kenbaar te maken. […] 109. Wanneer, nadat de mededeling van punten van bezwaar is uitgegaan, nieuw bewijsmateriaal beschikbaar wordt dat de Commissie voornemens is te gebruiken of wanneer de Commissie voornemens is haar juridische beoordeling in het nadeel van de betrokken ondernemingen te wijzigen, moeten de betrokken ondernemingen de gelegenheid krijgen om hun opmerkingen over deze nieuwe aspecten te formuleren.”

Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit

14 De voorgeschiedenis van het geding is uiteengezet in de punten 1 tot en met 31 van het bestreden arrest: „1 [Rekwirante], Ferriere Nord SpA, is een vennootschap naar Italiaans recht die sinds april 1992 actief is in de betonstaalsector. A. Eerste beschikking van de Commissie (2002) 2 Van oktober tot december 2000 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig artikel 47 KS verificaties verricht bij Italiaanse betonstaalproducenten, waaronder [rekwirante], en bij een vereniging van ondernemingen, de Federazione Imprese Siderurgiche Italiane (federatie van Italiaanse ijzer- en staalbedrijven; hierna: [‚Federatie’]). Krachtens diezelfde bepaling heeft zij hun ook om inlichtingen verzocht. 3 Op 26 maart 2002 heeft de Commissie een procedure op grond van artikel 65 KS ingeleid en heeft zij op grond van artikel 36 KS bezwaren geformuleerd die met name aan [rekwirante] zijn meegedeeld (hierna: ‚mededeling van punten van bezwaar’). Laatstgenoemde heeft op 31 mei 2002 op deze mededeling van punten van bezwaar geantwoord. 4 De partijen bij de administratieve procedure zijn gehoord tijdens een hoorzitting op 13 juni 2002. 5 Op 12 augustus 2002 heeft de Commissie op grond van artikel 19, lid 1, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81 en 82 EG] (PB 1962, 13, blz. 204), aan dezelfde adressaten een mededeling van aanvullende punten van bezwaar toegezonden (hierna: ‚mededeling van aanvullende punten van bezwaar’). Daarin heeft zij haar standpunt uiteengezet met betrekking tot het verdere verloop van de procedure na het vervallen van het EGKS‑Verdrag op 23 juli 2002. Op 20 september 2002 heeft [rekwirante] op de mededeling van aanvullende punten van bezwaar geantwoord. 6 De partijen bij de administratieve procedure zijn opnieuw gehoord op 30 september 2002, in aanwezigheid van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten. Deze hoorzitting had betrekking op het onderwerp van de mededeling van aanvullende punten van bezwaar, namelijk de juridische gevolgen van het vervallen van het EGKS-Verdrag voor het verdere verloop van de procedure. 7 Na afloop van de administratieve procedure heeft de Commissie ten aanzien van [de Federatie] en acht ondernemingen waaronder [rekwirante] beschikking C(2002) 5087 definitief van 17 december 2002 inzake een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag (COMP/37.956 – Betonstaal) (hierna: ‚beschikking van 2002’) vastgesteld. Zij heeft daarin geconstateerd dat laatstgenoemden tussen december 1989 en juli 2000 op de Italiaanse markt voor betonstaal in staven of rollen (hierna: ‚betonstaal’) één enkele, complexe en voortdurende mededingingsregeling ten uitvoer hadden gelegd, die tot doel of ten gevolge had dat de prijzen werden vastgelegd en de productie of de afzet werd beperkt of beheerst, hetgeen in strijd was met artikel 65, lid 1, KS. 8 Wat [rekwirantes] deelneming aan de inbreuk betreft, heeft de Commissie vastgesteld dat hiervan sprake was in de periode van 1 april 1993 tot en met 4 juli 2000. Uit dien hoofde heeft zij [rekwirante] een geldboete van 3,57 miljoen EUR opgelegd. Dit bedrag hield een vermindering met 20 % in van de aan [rekwirante] opgelegde geldboete. Die vermindering was toegekend overeenkomstig punt D, lid 1, van de mededeling van de Commissie betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen (PB 1996, C 207, blz. 4 […]), dat voorziet in de mogelijkheid van een vermindering van de verschuldigde geldboete voor ondernemingen die hun medewerking verlenen door, nog vóór de toezending van de mededeling van punten van bezwaar, de Commissie inlichtingen, documenten of andere bewijsstukken te verstrekken die helpen bevestigen dat een inbreuk is gepleegd. 9 Op 10 maart 2003 heeft [rekwirante] bij het Gerecht beroep ingesteld tegen de beschikking van 2002. Het Gerecht heeft deze beschikking nietig verklaard ten aanzien van [rekwirante] (arrest van 25 oktober 2007, Ferriere Nord/Commissie, T‑94/03, niet gepubliceerd, EU:T:2007:320) en de andere ondernemingen tot wie de beschikking was gericht, op grond dat de gebruikte rechtsgrondslag, namelijk artikel 65, leden 4 en 5, KS, niet meer van kracht was toen de beschikking werd vastgesteld. Dientengevolge was de Commissie op grond van deze bepalingen niet bevoegd om na het vervallen van het EGKS-Verdrag een inbreuk op artikel 65, lid 1, KS vast te stellen en te bestraffen. Het Gerecht heeft de andere aspecten van deze beschikking niet onderzocht. 10 De beschikking van 2002 is definitief geworden ten aanzien van [de Federatie], die geen beroep had ingesteld bij het Gerecht. B. Tweede beschikking van de Commissie (2009) 11 Bij brief van 30 juni 2008 heeft de Commissie [rekwirante] en de andere betrokken ondernemingen in kennis gesteld van haar voornemen om een nieuwe beschikking vast te stellen, die op een andere rechtsgrondslag zou zijn gebaseerd. Zij heeft voorts aangegeven dat deze beschikking zou worden gebaseerd op het in de mededeling van punten van bezwaar en in de mededeling van aanvullende punten van bezwaar aangedragen bewijsmateriaal. Op verzoek van de Commissie heeft rekwirante op 1 augustus 2008 schriftelijke opmerkingen ingediend. 12 Bij faxberichten van 24 juli en 25 september 2008 en 13 maart, 30 juni en 27 augustus 2009 heeft de Commissie [rekwirante] om informatie verzocht over de aandeelhouders en de vermogenspositie van de onderneming. [Rekwirante] heeft bij e-mails van respectievelijk 1 augustus en 1 oktober 2008 en 18 maart, 1 juli en 8 september 2009 op deze verzoeken om inlichtingen geantwoord. 13 Op 30 september 2009 is de Commissie overgegaan tot vaststelling van beschikking C(2009) 7492 definitief inzake een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag (COMP/37.956 – Betonstaal, nieuwe beschikking), die tot dezelfde adressaten was gericht als de beschikking van 2002, met inbegrip van [rekwirante]. Deze beschikking is vastgesteld op grond van de procedureregels van het EG-Verdrag en van [verordening nr. 1/2003]. Zij was gebaseerd op de in de mededeling van punten van bezwaar en in de mededeling van aanvullende punten van bezwaar genoemde elementen en nam in wezen de inhoud en de conclusies van de beschikking van 2002 over. In het bijzonder is het bedrag van de aan [rekwirante] opgelegde geldboete, namelijk 3,57 miljoen EUR, ongewijzigd gebleven. 14 Op 8 december 2009 heeft de Commissie een wijzigingsbesluit vastgesteld, waarbij de in haar beschikking van 30 september 2009 ontbrekende tabellen met prijsschommelingen in de bijlage werden opgenomen en de genummerde verwijzingen naar die tabellen in acht voetnoten werden gecorrigeerd. 15 Op 19 februari 2010 heeft [rekwirante] bij het Gerecht beroep ingesteld tegen de beschikking van de Commissie van 30 september 2009, zoals gewijzigd (hierna: ‚beschikking van 2009’). Op 9 december 2014 heeft het Gerecht de aan [rekwirante] opgelegde geldboete verminderd tot 3,42144 miljoen EUR, op grond dat laatstgenoemde gedurende drie jaar niet had deelgenomen aan het onderdeel van de mededingingsregeling dat betrekking had op de beperking of de beheersing van de productie of de afzet, en het beroep voor het overige verworpen (arrest van 9 december 2014, Ferriere Nord/Commissie, T‑90/10, niet gepubliceerd, EU:T:2014:1035). Het Gerecht heeft de beschikking van 2009 gedeeltelijk nietig verklaard ten aanzien van een andere adressaat, de aan een derde adressaat opgelegde geldboete verminderd en de andere beroepen verworpen. 16 Op 20 februari 2015 heeft [rekwirante] hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van 9 december 2014, Ferriere Nord/Commissie (T‑90/10, niet gepubliceerd, EU:T:2014:1035). Bij arrest van 21 september 2017, Ferriere Nord/Commissie (C‑88/15 P, EU:C:2017:716), heeft het Hof dit arrest van het Gerecht vernietigd en de beschikking van 2009 nietig verklaard ten aanzien van met name [rekwirante]. 17 In het arrest van 21 september 2017, Ferriere Nord/Commissie (C‑88/15 P, EU:C:2017:716), heeft het Hof geoordeeld dat wanneer een besluit wordt vastgesteld op grond van verordening nr. 1/2003, de procedure die tot dat besluit leidt, in overeenstemming moet zijn met de procedureregels van deze verordening en van [verordening nr. 773/2004], zelfs wanneer die procedure werd ingeleid vóór de inwerkingtreding van deze verordeningen. 18 Het Hof heeft vastgesteld dat, in casu, de hoorzitting van 13 juni 2002, de enige die de kern van de zaak betrof, niet in overeenstemming was met de procedurevoorschriften inzake de vaststelling van een besluit op grond van verordening nr. 1/2003, aangezien de mededingingsautoriteiten van de lidstaten niet aan deze hoorzitting hadden deelgenomen. 19 Het Hof kwam tot de slotsom dat het Gerecht blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie niet verplicht was om, alvorens de beschikking van 2009 vast te stellen, een nieuwe hoorzitting te organiseren omdat de ondernemingen tijdens de hoorzittingen van 13 juni en 30 september 2002 reeds de mogelijkheid hadden gehad om mondeling te worden gehoord. 20 In zijn arrest van 21 september 2017, Ferriere Nord/Commissie (C‑88/15 P, EU:C:2017:716), heeft het Hof herinnerd aan het belang om op verzoek van de betrokken partijen een hoorzitting te houden waarvoor de mededingingsautoriteiten van de lidstaten worden uitgenodigd, en dat het niet houden van een dergelijke hoorzitting een schending is van wezenlijke vormvoorschriften. 21 Het Hof heeft geoordeeld dat, wanneer dit in verordening nr. 773/2004 vastgelegde recht niet is geëerbiedigd, de onderneming waarvan de rechten op die wijze zijn geschonden, niet hoeft aan te tonen dat deze schending het verloop van de procedure en de inhoud van het litigieuze besluit op een voor haar nadelige wijze heeft kunnen beïnvloeden. 22 Om dezelfde redenen heeft het Hof ook andere arresten van het Gerecht van 9 december 2014 betreffende de rechtmatigheid van de beschikking van 2009 vernietigd en de beschikking van 2009 nietig verklaard ten aanzien van vier andere ondernemingen. De beschikking van 2009 is daarentegen definitief geworden voor de ondernemingen tot wie zij is gericht en die tegen deze arresten geen hogere voorziening hebben ingesteld. C. Besluit van de Commissie (2019) 23 Bij brief van 15 december 2017 heeft de Commissie [rekwirante] in kennis gesteld van haar voornemen om de administratieve procedure te hervatten en om in dat kader de partijen in die procedure opnieuw te horen in aanwezigheid van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten. 24 Bij brief van 1 februari 2018 heeft [rekwirante] opmerkingen ingediend waarin zij de bevoegdheid van de Commissie om de administratieve procedure te hervatten, heeft betwist en de Commissie derhalve heeft verzocht om van die hervatting af te zien. 25 Op 23 april 2018 heeft de Commissie opnieuw een hoorzitting over de kern van de zaak gehouden, waaraan [rekwirante] en drie andere ondernemingen waartoe de beschikking van 2009 was gericht, hebben deelgenomen, in aanwezigheid van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten en de raadadviseur-auditeur. 26 Bij brieven van 19 november 2018 en van 17 januari en 6 mei 2019 heeft de Commissie [rekwirante] drie verzoeken om inlichtingen over haar aandeelhouders en haar vermogenspositie toegezonden. [Rekwirante] heeft op deze verzoeken om inlichtingen geantwoord bij brieven van respectievelijk 10 december 2018 en 31 januari en 9 mei 2019. 27 Op 21 juni 2019 heeft [rekwirante] deelgenomen aan een bijeenkomst met de diensten van de Commissie, tijdens welke deze hebben aangegeven dat zij het college van commissarissen zouden voorstellen een nieuw sanctiebesluit vast te stellen, maar dat zij daarbij, gelet op de feitelijk verlengde termijn, de toepassing van een buitengewone verzachtende omstandigheid zouden voorstellen. 28 Op 4 juli 2019 heeft de Commissie [het litigieuze besluit] vastgesteld, dat is gericht tot de vijf ondernemingen ten aanzien waarvan de beschikking van 2009 nietig was verklaard, namelijk, naast [rekwirante], Alfa Acciai SpA, Feralpi Holding SpA (voorheen Feralpi Siderurgica SpA en Federalpi Siderurgica SRL), Partecipazioni Industriali SpA (voorheen Riva Acciaio SpA en vervolgens Riva Fire SpA; hierna: ‚Riva’), Valsabbia Investimenti SpA en Ferriera Valsabbia SpA. 29 In het [litigieuze] besluit heeft de Commissie dezelfde inbreuk vastgesteld als die waarop de beschikking van 2009 betrekking had, maar heeft zij, wegens de duur van de procedure, de aan de adressaten opgelegde geldboeten met 50 % verminderd. Voorts is [rekwirante] een extra vermindering van de geldboete met 6 % toegekend omdat zij gedurende een bepaalde periode niet had deelgenomen aan het onderdeel van de mededingingsregeling dat betrekking had op de beperking of de beheersing van de productie of de afzet. Bij artikel 2 van het [litigieuze] besluit is [rekwirante] derhalve veroordeeld tot betaling van een geldboete van 2,237 miljoen EUR. 30 Op 8 juli 2019 is [rekwirante] een onvolledig afschrift van het [litigieuze] besluit toegezonden, dat alleen de oneven bladzijden bevatte. Bij brief van 9 juli 2019 heeft zij de Commissie hiervan in kennis gesteld. 31 Op 18 juli 2019 is [rekwirante] een volledige versie van het [litigieuze] besluit toegezonden.”

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

15 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 september 2019, heeft rekwirante beroep ingesteld dat primair strekte tot nietigverklaring van het litigieuze besluit voor zover dit haar betrof, en subsidiair tot verlaging van de haar opgelegde geldboete.

16 Tot staving van haar beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit heeft rekwirante in wezen zes middelen aangevoerd: ten eerste, schending van de rechten van de verdediging en van de procedureregels tijdens de hoorzitting van 23 april 2018, ten tweede, beweerdelijk onrechtmatige weigering van de Commissie om, alvorens het litigieuze besluit vast te stellen, na te gaan of dat besluit verenigbaar is met het beginsel van de redelijke termijn van de procedure, ten derde, schending van het beginsel van de redelijke procestermijn, ten vierde, niet-nakoming van de motiveringsplicht, bevoegdheidsoverschrijding en schending van het evenredigheidsbeginsel, ten vijfde, schending van het beginsel ne bis in idem, en ten zesde, onwettigheid van de verjaringsregeling van artikel 25 van verordening nr. 1/2003.

17 Inzake het eerste middel heeft rekwirante met de eerste twee van de vijf in het kader van dit middel aangevoerde grieven betoogd dat – in de eerste plaats – de onpartijdigheid van het bij verordening nr. 1/2003 ingestelde adviescomité (hierna: „adviescomité”) in het geding was omdat de houding van de vertegenwoordigers van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten waaruit dat comité bestond, kon zijn beïnvloed door het feit dat die autoriteiten kennis hadden gekregen van het standpunt ter zake dat was ingenomen door, ten eerste, de Commissie, in haar beschikkingen van 2002 en 2009 en, ten tweede, het Gerecht, in het arrest van 9 december 2014, Ferriere Nord/Commissie (T‑90/10, EU:T:2014:1035), en – in de tweede plaats – de onafhankelijkheid van de Commissie was aangetast door de omstandigheid dat deze instelling, die zich gesterkt zag door dat arrest, niet meer daadwerkelijk in staat was om een tegengestelde mening van de vertegenwoordigers van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten in het adviescomité te aanvaarden.

18 Met de derde grief van dit middel heeft rekwirante betoogd dat de Commissie, ten eerste, verschillende regels betreffende de organisatie van de hoorzittingen had geschonden en, ten tweede, een fout had gemaakt door de Federatie, Leali SpA en haar dochteronderneming Acciaierie e Ferriere Leali Luigi SpA (hierna samen: „Leali”), Lucchini SpA, Riva, Industrie Riunite Odolesi SpA (hierna: „IRO”) en de Associazione Nazionale Sagomatori Ferro (nationale vereniging van staalondernemingen; hierna: „Ansfer”) niet uit te nodigen voor de hoorzitting van 23 april 2018, hoewel die entiteiten, aangezien zij een belangrijke rol in de zaak hebben gespeeld, de mededingingsautoriteiten van de lidstaten informatie hadden kunnen verstrekken op grond waarvan deze autoriteiten met kennis van zaken hun standpunt hadden kunnen bepalen. Volgens rekwirante zijn haar rechten van verdediging geschonden, aangezien zij geen gebruik heeft kunnen maken van een met kennis van zaken door deze autoriteiten uitgebracht advies.

19 Met de vierde grief van het eerste middel heeft rekwirante aangevoerd dat het door het Hof vastgestelde proceduregebrek niet kon worden verholpen. Wegens de tijd die was verstreken waren de identiteit van de marktdeelnemers en de structuur van de markt volgens haar dusdanig veranderd dat er geen hoorzitting kon plaatsvinden onder omstandigheden die identiek of althans vergelijkbaar waren met die welke golden in 2002.

20 Met de vijfde grief van dit middel heeft rekwirante met name betoogd dat het advies van het adviescomité, dat een door acht mededingingsautoriteiten van de lidstaten ondertekende verklaring bevatte dat de hoorzitting van 23 april 2018 de door het Hof in het arrest van 21 september 2017, Ferriere Nord/Commissie (C‑88/15 P, EU:C:2017:716), vastgestelde procedurefout had verholpen, ongeldig was. Twee van deze acht autoriteiten, waaronder de als rapporteur optredende mededingingsautoriteit, hebben namelijk niet aan die hoorzitting deelgenomen.

21 Ter ondersteuning van haar subsidiaire vordering tot gedeeltelijke nietigverklaring van het litigieuze besluit en een daarmee samenhangende vermindering van de haar opgelegde geldboete heeft rekwirante drie aanvullende middelen aangevoerd: ten zevende, schending van de bewijslast en van het beginsel in dubio pro reo, ten achtste, onwettigheid van de verhoging van de geldboete wegens recidive en, ten negende, schending van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de inaanmerkingneming van verzachtende omstandigheden en te late motivering van een beperkte vermindering van de geldboete.

22 Bij besluit van 11 februari 2020 heeft het Gerecht de interventie van de Raad van de Europese Unie aan de zijde van de Commissie toegestaan.

23 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep in zijn geheel verworpen.

24 Inzake het eerste middel in eerste aanleg heeft het Gerecht ten eerste geoordeeld dat rekwirantes betoog niet kon aantonen dat de onpartijdigheid van zowel de vertegenwoordigers van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten in het adviescomité als van de Commissie in casu niet was gewaarborgd. Ten tweede heeft de Commissie, door bepaalde ondernemingen en verenigingen niet uit te nodigen voor de hoorzitting van 23 april 2018, noch de regels betreffende de organisatie van de hoorzittingen noch de rechten van verdediging van rekwirante geschonden. Ten derde doet de door het verstrijken van de tijd teweeggebrachte gewijzigde context niet af aan de mogelijkheid voor de Commissie om een procedure te hervatten nadat een van haar besluiten bij een arrest van het Hof of het Gerecht nietig is verklaard, voor zover deze instelling zich ervan heeft vergewist dat de voortzetting van de procedure nog een passende oplossing voor de situatie was, zoals de Commissie in casu heeft gedaan. Ten vierde is het betoog waarmee wordt getracht aan te tonen dat het advies van het adviescomité ongeldig was, ongegrond.

25 Wat het derde middel in eerste aanleg betreft, heeft het Gerecht geoordeeld dat noch de duur van de administratieve fasen van de door de Commissie gevoerde procedure, noch de totale duur van deze procedure buitensporig lang was en dat, gesteld al dat de duur van de procedure als strijdig met het beginsel van de redelijke termijn zou kunnen worden beschouwd, rekwirante hoe dan ook geen enkele uit de duur van die procedure voortvloeiende schending van de rechten van de verdediging heeft aangetoond.

26 Inzake het vierde middel in eerste aanleg heeft het Gerecht geoordeeld, ten eerste, dat de Commissie voldoende had uitgelegd waarom zij ondanks de twee nietigverklaringen in het verleden een nieuw besluit had vastgesteld, ten tweede, dat de bij het litigieuze besluit aan rekwirante opgelegde geldboete nog steeds een afschrikkende werking had aangezien de bij de beschikkingen van 2002 en 2009 opgelegde geldboeten na de nietigverklaring van die beschikkingen waren terugbetaald, ten derde, dat rekwirante, gelet op de twee nietigverklaringen, voordat het litigieuze besluit was vastgesteld nog niet was bestraft voor de betrokken inbreuk, ten vierde, dat de hervatting van de procedure en de vaststelling van een nieuw besluit de taak van derden die een schadevordering wensten in te stellen gemakkelijker konden maken, met name gelet op het feit dat andere lidstaten dan de Italiaanse Republiek betrokken konden zijn en de Commissie de toepassing van een ander nationaal recht dan het Italiaanse recht niet kon uitsluiten, en, ten vijfde, dat het evenredigheidsbeginsel niet was geschonden.

27 Wat het vijfde middel in eerste aanleg betreft, heeft het Gerecht geoordeeld dat het beginsel ne bis in idem niet was geschonden, aangezien er op datum van het bestreden arrest geen eindbeslissing ten gronde was genomen over rekwirantes deelname aan de haar ten laste gelegde inbreuken.

28 Inzake het zesde middel in eerste aanleg heeft het Gerecht geoordeeld dat de daarin opgenomen exceptie van onwettigheid ten aanzien van artikel 25 van verordening nr. 1/2003 moest worden afgewezen. Rekwirante heeft niet aangetoond dat de Uniewetgever bij het verzoenen van de doelstellingen waarmee in dit verband rekening moest worden gehouden, de hem in dit verband toekomende marge heeft overschreden. Door voor de bestraffing van inbreuken op het mededingingsrecht van de Unie te voorzien in een verjaringstermijn van vijf jaar en, wanneer deze termijn wordt gestuit, tien jaar, wordt het optreden van de Commissie immers strikt begrensd in de tijd. Met betrekking tot het feit dat volgens artikel 25, lid 6, van verordening nr. 1/2003 de verjaring wordt geschorst tijdens de beroepen tegen het besluit van de Commissie, heeft het Gerecht benadrukt dat het gaat om situaties waarin het stilzitten van de Commissie niet het gevolg is van een gebrek aan zorgvuldigheid van deze instelling.

29 Wat het achtste middel in eerste aanleg betreft, heeft het Gerecht geoordeeld, ten eerste, dat de verhoging van de aan rekwirante opgelegde geldboete wegens recidive voldoende voorzienbaar was voor rekwirante en dus haar rechten van verdediging niet schond, ten tweede, dat de termijn die in aanmerking moest worden genomen om te beslissen of een dergelijke verhoging moest worden opgelegd, niet buitensporig lang was, en, ten derde, dat de verhoging met 50 % die in casu wegens recidive is toegepast, niet buitensporig was.

30 Inzake het negende middel in eerste aanleg heeft het Gerecht geoordeeld, ten eerste, dat het verschil tussen de aan rekwirante en een andere onderneming toegekende verlagingspercentages gerechtvaardigd was op grond dat deze ondernemingen niet hadden deelgenomen aan een specifiek onderdeel van de mededingingsregeling waarop het litigieuze besluit betrekking heeft, en, ten tweede, dat de Commissie de desbetreffende informatie niet te laat had verstrekt.

Conclusies van partijen voor het Hof

31 Met haar hogere voorziening verzoekt rekwirante het Hof: – primair, het bestreden arrest te vernietigen en bijgevolg het litigieuze besluit nietig te verklaren; – subsidiair, het bestreden arrest te vernietigen voor zover daarbij haar subsidiaire vordering tot gedeeltelijke nietigverklaring van het litigieuze besluit is afgewezen, dit besluit gedeeltelijk nietig te verklaren en de haar opgelegde geldboete te verlagen; – de Commissie te verwijzen in de kosten van beide procedures.

32 De Commissie verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – rekwirante te verwijzen in de kosten.

33 De Raad verzoekt het Hof de exceptie van onwettigheid van artikel 25 van verordening nr. 1/2003 af te wijzen en rekwirante te verwijzen in de kosten van de hogere voorziening.

Hogere voorziening

34 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert rekwirante acht middelen aan.

Eerste middel

35 Met haar eerste middel, dat uit vier onderdelen bestaat, betoogt rekwirante dat het Gerecht de rechten van de verdediging heeft geschonden, bewijzen niet heeft onderzocht, feiten en het bewijsmateriaal kennelijk onjuist heeft opgevat, zijn verplichting tot motivering van zijn arresten niet is nagekomen, en willekeurige beoordelingen heeft verricht.

Derde onderdeel

– Argumenten van partijen

36 Met het derde onderdeel van haar eerste middel, dat als eerste moet worden onderzocht, voert rekwirante in wezen aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 158 tot en met 162 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie het door het Hof in het arrest van 21 september 2017, Ferriere Nord/Commissie (C‑88/15 P, EU:C:2017:716), vastgestelde proceduregebrek kon verhelpen door de hoorzitting van 23 april 2018 te organiseren, ondanks dat de identiteit van de marktdeelnemers en de structuur van de markt waren veranderd. Zij betwist de motivering in de punten 159 en 160 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat er wegens het verstrijken van de tijd geen hoorzitting kon plaatsvinden onder omstandigheden die vergelijkbaar waren aan die welke golden in de loop van 2002. Volgens rekwirante is de onrechtmatigheid die in het arrest van 21 september 2017, Ferriere Nord/Commissie (C‑88/15 P, EU:C:2017:716), is vastgesteld niet onherstelbaar vanwege de veranderingen die zich in de loop van de tijd hebben voorgedaan, maar vanwege de onrechtmatige medewerking van deze instelling aan het begaan van die onrechtmatigheid.

37 De Commissie stelt dat dit betoog nieuw en dus niet-ontvankelijk is. Dit betoog is volgens haar hoe dan ook ongegrond.

– Beoordeling door het Hof

38 Volgens artikel 170, lid 1, tweede volzin, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof mag het voorwerp van het geschil voor het Gerecht in hogere voorziening niet worden gewijzigd. Wanneer een partij een middel en argumenten die zij voor het Gerecht niet heeft aangevoerd, voor het eerst voor het Hof zou mogen aanvoeren, zou zij volgens vaste rechtspraak in feite bij het Hof, dat een beperkte bevoegdheid in hogere voorziening heeft, een geschil aanhangig mogen maken met een ruimere strekking dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen. In hogere voorziening is het Hof dus alleen bevoegd om de beoordeling door het Gerecht van de in eerste aanleg besproken middelen en argumenten te onderzoeken (arrest van 29 februari 2024, Euranimi/Commissie, C‑95/23 P, niet gepubliceerd, EU:C:2024:177, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39 In punt 158 van het bestreden arrest heeft het Gerecht opgemerkt dat rekwirantes grief dat het door het Hof vastgestelde proceduregebrek niet kon worden verholpen, was gebaseerd op de vaststelling dat de identiteit van de marktdeelnemers en de structuur van de markt dusdanig waren veranderd dat er geen hoorzitting kon plaatsvinden onder omstandigheden die identiek of althans vergelijkbaar waren met die welke golden in 2002.

40 Deze beschrijving van de grief in eerste aanleg is door rekwirante in haar hogere voorziening niet betwist. Vastgesteld moet evenwel worden dat uit die beschrijving niet blijkt dat rekwirante voor het Gerecht heeft aangevoerd dat de fouten van de Commissie de in het arrest van 21 september 2017, Ferriere Nord/Commissie (C‑88/15 P, EU:C:2017:716), vastgestelde procedurefout, onherstelbaar hebben gemaakt.

41 Het is juist dat rekwirante in haar memorie van dupliek verklaart dat zij in de punten 62, 82, 97, 127, 133, 136, 167, 182 en 205 van haar verzoekschrift in eerste aanleg heeft opgemerkt dat het gecombineerde effect van de fouten van de Commissie en de abnormaal lange duur van de procedure het onmogelijk maakte de door het Hof vastgestelde procedurefout te verhelpen. Uit geen van deze punten blijkt echter dat rekwirante voor het Gerecht had betoogd dat het niet de in de loop van de tijd opgetreden veranderingen waren die het door het Hof in het arrest van 21 september 2017, Ferriere Nord/Commissie (C‑88/15 P, EU:C:2017:716), vastgestelde procedurefout onherstelbaar hadden gemaakt, maar de onrechtmatige medewerking van de Commissie aan de totstandkoming van die onrechtmatigheid.

42 Hieruit volgt dat het betoog met betrekking tot het derde onderdeel van het eerste middel voor het eerst voor het Hof is aangevoerd, zodat het niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Eerste onderdeel

– Argumenten van partijen

43 Met het eerste onderdeel van haar eerste middel betoogt rekwirante in wezen dat het Gerecht in de punten 64 tot en met 78 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat zowel de Commissie als de vertegenwoordigers van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten tijdens de hoorzitting van 23 april 2018 en bij de vaststelling van het advies van het adviescomité voldeden aan het vereiste van onpartijdigheid.

44 In de eerste plaats konden deze autoriteiten volgens rekwirante geen andere standpunten innemen dan die welke reeds in de beschikking van 2009 waren vervat en door het Gerecht waren bevestigd in het arrest van 9 december 2014, Ferriere Nord/Commissie (T‑90/10, EU:T:2014:1035), en in zeven andere arresten die in de loop van 2014 zijn gewezen op beroepen die door andere adressaten van de beschikking van 2009 tegen deze beschikking waren ingesteld (hierna samen: „arresten van 2014”), waarvan sommige definitief waren geworden.

45 In de tweede plaats is de beoordeling van het Gerecht dat met betrekking tot de Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato (AGCM) (mededingings- en marktautoriteit, Italië) aan het vereiste van onpartijdigheid is voldaan, onjuist en berust zij op een kennelijke onjuiste opvatting of zelfs op de omstandigheid dat de feiten en het bewijsmateriaal zonder meer niet zijn beoordeeld.

46 Het Gerecht heeft rekening gehouden met het feit dat AGCM kennis had van de beschikking van 2009 en van het arrest van 9 december 2014, Ferriere Nord/Commissie (T‑90/10, EU:T:2014:1035). Het Gerecht heeft echter geen rekening gehouden met het feit dat die autoriteit zich, zoals uit verschillende aan het Gerecht overgelegde documenten blijkt, op dat besluit en op dat arrest heeft gebaseerd toen zij in 2017 een mededingingsregeling heeft bestraft die dezelfde ondernemingen en hetzelfde soort gedragingen betrof als die waarop die beschikking betrekking had (hierna: „besluit van de AGCM van 2017”). Rekwirante benadrukt dat de twee personen die de AGCM vertegenwoordigden tijdens de hoorzitting van 23 april 2018 een beslissende rol hebben gespeeld in de procedure tot vaststelling van het besluit van de AGCM van 2017.

47 Gelet op deze elementen zijn de twee premissen waarop het Gerecht zich in punt 75 van het bestreden arrest heeft gebaseerd, onjuist. Ten eerste is het feit dat de mededingingsregeling waarop het besluit van de AGCM van 2017 betrekking had, verschilde van die waarop het litigieuze besluit betrekking had, irrelevant. Ten tweede is ook de premisse dat het besluit van de AGCM van 2017 geen invloed op die autoriteit kon hebben omdat dit besluit door een Italiaanse rechter nietig was verklaard, onjuist. Deze nietigverklaring dateert immers van na de hoorzitting van 23 april 2018, aangezien zij voortvloeit uit een vonnis van de Tribunale amministrativo regionale del Lazio (bestuursrechter in eerste aanleg Latium, Italië) van 12 juni 2018. In deze omstandigheden is rekwirante van mening dat de AGCM er tijdens deze hoorzitting belang bij had om de bezwaren van de Commissie te bevestigen. Toen de AGCM op 27 juni en 1 juli 2019 haar advies uitbracht in het kader van het adviescomité, was het hoger beroep dat zij tegen dat vonnis had ingesteld nog aanhangig.

48 In de derde plaats had de Commissie na de arresten van 2014 geen enkele reden om zich door een eventueel andersluidend advies van het adviescomité te laten beïnvloeden.

49 Voorts voert rekwirante aan dat het Gerecht zich niet heeft uitgesproken over haar betoog inzake schending van het vermoeden van onschuld in de punten 123 tot en met 127 van het verzoekschrift in eerste aanleg. Het Gerecht had in het arrest van 9 december 2014, Ferriere Nord/Commissie (T‑90/10, EU:T:2014:1035), vastgesteld dat rekwirante had deelgenomen aan de in het litigieuze besluit bedoelde mededingingsregeling, een feit waarvan de vertegenwoordigers van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten niet onkundig konden zijn, noch tijdens de hoorzitting van 23 april 2018, noch bij hun latere interventies binnen het adviescomité.

50 De Commissie stelt dat dit betoog niet-ontvankelijk is omdat het deels te onnauwkeurig en deels nieuw is. Het betoog is volgens haar hoe dan ook ongegrond.

– Beoordeling door het Hof

51 Wat de ontvankelijkheid van het tweede onderdeel van het eerste middel betreft, zij eraan herinnerd, ten eerste, dat uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, alsmede uit artikel 168, lid 1, onder d), en artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering volgt dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven tegen welke punten van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening of van het betrokken middel (arrest van 11 januari 2024, Foz/Raad, C‑524/22 P, EU:C:2024:23, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52 De onderdelen van een hogere voorziening waarin geen argumenten naar voren worden gebracht waarmee specifiek wordt aangegeven op welk punt het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten, voldoen niet aan dit vereiste en moeten niet-ontvankelijk worden verklaard (arrest van 22 juni 2023, YG/Commissie, C‑818/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2023:511, punt 105 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53 Ten tweede kan een verzoeker een hogere voorziening instellen waarin hij voor het Hof middelen aanvoert die uit het bestreden arrest zelf voortvloeien en die ertoe strekken de gegrondheid van het arrest in rechte te betwisten (arrest van 6 juli 2023, EIB en Commissie/ClientEarth, C‑212/21 P en C‑223/21 P, EU:C:2023:546, punt 96 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54 In casu voert rekwirante weliswaar in het opschrift van het eerste middel en met betrekking tot de hoorzitting van 23 april 2018 en het advies van het adviescomité aan dat artikel 266 VWEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) zijn geschonden, maar in strijd met de in punt 51 van dit arrest aangehaalde rechtspraak legt zij niet uit waarom deze bepalingen een grief inzake een gebrek aan onpartijdigheid van de leden van het adviescomité en de Commissie zouden kunnen ondersteunen. Dit onderdeel moet dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het is gebaseerd op de schending van die bepalingen.

55 De grief inzake schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld, dat is neergelegd in artikel 48, lid 1, van het Handvest en artikel 6, lid 2, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (EVRM), is daarentegen voldoende duidelijk uiteengezet om te begrijpen dat rekwirante stelt dat het Gerecht heeft nagelaten uitspraak te doen over een deel van haar beroep in eerste aanleg. Deze grief is derhalve ontvankelijk.

56 Voorts heeft rekwirante voor het Gerecht aangevoerd dat, gelet op het besluit van de AGCM van 2017, de vertegenwoordigers van de AGCM die hebben deelgenomen aan de hoorzitting van 23 april 2018 en aan de werkzaamheden van het adviescomité met betrekking tot de vaststelling van het litigieuze besluit, niet als objectief en onpartijdig konden worden beschouwd. Uit punt 75 van het bestreden arrest blijkt evenwel dat het Gerecht deze stelling heeft afgewezen op grond dat het besluit van de AGCM van 2017 later nietig is verklaard bij vonnis van 12 juni 2018 van de Tribunale amministrativo regionale del Lazio. Overeenkomstig de in punt 53 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak kan rekwirante dus in het kader van haar hogere voorziening tegen deze beoordeling opkomen met het argument dat de datum van dit arrest relevant was.

57 Ten gronde zij opgemerkt dat het Gerecht om te beginnen in de punten 64 tot en met 66 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht dat het arrest van 9 december 2014, Ferriere Nord/Commissie (T‑90/10, EU:T:2014:1035), door het Hof is vernietigd, zodat het uit de rechtsorde van de Unie is verdwenen. Vervolgens heeft het in de punten 71 en 72 van het bestreden arrest geoordeeld dat „de mogelijke kennis van een oplossing waarvoor eerder is gekozen en die in voorkomend geval is bevestigd in een later door het Hof in hogere voorziening vernietigd arrest van het Gerecht, […] immers inherent [is] aan de verplichting om aan een nietigverklaring of vernietiging consequenties te verbinden”. Volgens het Gerecht zou oordelen dat deze kennis „op zichzelf een hervatting van de procedure zou kunnen beletten” onverenigbaar zijn met artikel 266 VWEU, dat in geval van nietigverklaring op grond van artikel 263 VWEU de instellingen, organen en instanties van de Unie verplicht om de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van de ten aanzien van hen gewezen arresten, zonder hen evenwel te bevrijden van de taak om op de onder hun bevoegdheid vallende gebieden de toepassing van het Unierecht te verzekeren. Ten slotte heeft het Gerecht in punt 73 van het bestreden arrest geoordeeld dat een hervatting van de procedure in dergelijke omstandigheden slechts verboden is indien rekwirante met concrete aanwijzingen kon aantonen dat de onpartijdigheid van de vertegenwoordigers van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten en van de Commissie „daadwerkelijk negatief is beïnvloed”.

58 Deze beoordeling geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

59 In dit verband zij eraan herinnerd dat op grond van het in artikel 41 van het Handvest neergelegde recht op behoorlijk bestuur eenieder er onder meer recht op heeft dat zijn zaken onpartijdig door de instellingen van de Unie worden behandeld. Dit vereiste van onpartijdigheid omvat enerzijds subjectieve onpartijdigheid, in die zin dat met de zaak belaste leden van de betrokken instelling geen blijk mogen geven van vooroordelen of persoonlijke vooringenomenheid, en anderzijds objectieve onpartijdigheid, in die zin dat die instelling voldoende waarborgen moet bieden om elke gerechtvaardigde twijfel ter zake uit te sluiten (arrest van 1 februari 2024, Scania e.a./Commissie, C‑251/22 P, EU:C:2024:103, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

60 In casu heeft rekwirantes betoog, met uitzondering van het geval van de AGCM, enkel betrekking op de objectieve onpartijdigheid van de vertegenwoordigers van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten en van de Commissie.

61 Gesteld al dat het vereiste van onpartijdigheid, zoals dat voortvloeit uit artikel 41 van het Handvest, ook van toepassing is op de vertegenwoordigers van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten wanneer zij deelnemen aan een hoorzitting en een bijdrage leveren tot het door het adviescomité uit te brengen advies over een ontwerpbesluit van de Commissie inzake mededinging, kan het enkele feit dat deze vertegenwoordigers kennis hadden van een eerder besluit van de Commissie dat in een arrest van het Gerecht is bevestigd en vervolgens door het Hof nietig is verklaard, op zich en bij gebreke van enig ander objectief gegeven, niet volstaan om bij derden legitieme twijfel te doen rijzen over het bestaan van eventuele vooroordelen bij die vertegenwoordigers. Wanneer de leden van het adviescomité deelnemen aan een hoorzitting en een bijdrage leveren tot de opstelling van het advies van dit comité over een ontwerpbesluit van de Commissie inzake mededinging, zijn zij namelijk niet verplicht om rekening te houden met een dergelijke eerder besluit. De loutere kennis van een dergelijk besluit kan op zich dus geen legitieme twijfel doen rijzen over het mogelijke bestaan van een vooroordeel van de leden van dat comité.

62 Dit geldt a fortiori voor de Commissie. Mocht rekwirantes betoog worden aanvaard, zou dit namelijk tot gevolg hebben dat deze instelling de procedure niet kan hervatten nadat het Gerecht of het Hof een eerder besluit nietig heeft verklaard, al was het maar in een situatie als die welke in casu aan de orde is en dit zelfs wanneer er geen enkele concrete aanwijzing is die legitieme twijfel kan doen rijzen over haar onpartijdigheid. Een dergelijk verbod zou, zoals het Gerecht terecht heeft opgemerkt, onverenigbaar zijn met artikel 266 VWEU, dat in geval van nietigverklaring van een handeling de instellingen, organen en instanties van de Unie waarvan die handeling afkomstig is, verplicht om de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van de ten aanzien van hen gewezen arresten, zonder de mogelijkheid uit te sluiten dat een nieuwe handeling wordt vastgesteld die vrij is van de door de Unierechter vastgestelde gebreken. Bovendien zou een dergelijke oplossing de Commissie beletten haar taak te vervullen om de toepassing te verzekeren van de onder haar bevoegdheid vallende gebieden van het Unierecht.

63 Wat het vermeende gebrek aan onpartijdigheid van de AGCM betreft, voert rekwirante aan dat deze autoriteit zich bij het vaststellen van het besluit van de AGCM van 2017 heeft gebaseerd op de beschikking van 2009 en de arresten van 2014.

64 Uit de door rekwirante in dit verband aangevoerde bewijzen blijkt dat de beschikking van 2009 en de arresten van 2014, hoewel zij worden vermeld in het besluit van de AGCM van 2017, niet een van de grondslagen van dat besluit vormen. Bovendien waren de beweringen van rekwirante over het gebrek aan objectiviteit of onpartijdigheid van de AGCM niet duidelijk uiteengezet in haar verzoekschrift in eerste aanleg. In deze omstandigheden heeft het Gerecht de feiten en het bewijs niet onjuist opgevat en evenmin nagelaten uitspraak te doen over rekwirantes betoog.

65 Wat de grief betreft dat het Gerecht geen uitspraak heeft gedaan over het betoog inzake schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld, moet worden opgemerkt dat rekwirante in eerste aanleg heeft aangevoerd dat het Gerecht in het arrest van 9 december 2014, Ferriere Nord/Commissie (T‑90/10, EU:T:2014:1035), haar deelname aan de mededingingsregeling reeds had vastgesteld, zodat de vertegenwoordigers van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten tijdens de hoorzitting van 23 april 2018 en de daaropvolgende werkzaamheden van het adviescomité haar onschuld niet konden vermoeden. Deze grief viel dus samen met het betoog waarmee rekwirante meer in het algemeen betoogde dat deze autoriteiten niet onpartijdig waren. Aangezien het Gerecht dit betoog in zijn geheel heeft afgewezen, hoefde het zich niet specifiek over die grief uit te spreken. In dit verband moet worden opgemerkt dat rekwirante geen enkel argument had aangevoerd om haar grief inzake de eerbiediging van het vermoeden van onschuld concreter te maken.

66 Hieruit volgt dat het eerste onderdeel van het eerste middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond moet worden verklaard.

Tweede onderdeel

– Argumenten van partijen

67 Met het tweede onderdeel van het eerste middel betoogt rekwirante dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen door in de punten 79 tot en met 157 van het bestreden arrest haar betoog af te wijzen dat de hoorzitting van 23 april 2018 onvolledig was omdat de Commissie Riva, Leali, IRO, Lucchini, de Federatie en Ansfer niet heeft uitgenodigd. In het bijzonder heeft het Gerecht een onjuist antwoord gegeven op de vraag of de Commissie, wat die hoorzitting betreft, op enigerlei andere wijze dan door schending van een voor haar geldende regel rekwirante in haar rechten van verdediging had belemmerd.

68 Wat in de eerste plaats Riva betreft, stelt rekwirante dat deze adressaat van het litigieuze besluit gedwongen was af te zien van deelneming aan de hoorzitting van 23 april 2018. Wegens de tijd die sinds de betrokken feiten is verstreken, kon geen van de werknemers van Riva namelijk nuttige elementen tegen de grieven van de Commissie aanvoeren. Rekwirante wijst erop dat haar rechten van verdediging niet zijn aangetast door de afwezigheid van Riva tijdens de hoorzitting van 23 april 2018, maar door de abnormaal lange duur van de procedure. Bijgevolg heeft deze buitensporig lange duur het adviescomité belet Riva te horen en een volledig beeld te krijgen van de context en de verweermiddelen met betrekking tot de mededingingsregeling die de Commissie wilde bestraffen.

69 Wat in de tweede plaats de situatie betreft van de ondernemingen en verenigingen die volgens rekwirante overeenkomstig artikel 27, lid 3, tweede volzin, van verordening nr. 1/2003 en artikel 13, leden 1 en 2, van verordening nr. 773/2004 in hun hoedanigheid van belanghebbende derden voor de hoorzitting van 23 april 2018 hadden moeten worden uitgenodigd, betoogt rekwirante, ten eerste, dat het Gerecht in punt 102 van het bestreden arrest haar betoog inzake de schending van de rechten van de verdediging als gevolg van de afwezigheid van Leali, IRO en de Federatie heeft afgewezen op grond van irrelevante overwegingen.

70 Ten tweede stelt rekwirante dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de Commissie mocht aannemen dat Lucchini en Ansfer niet de hoedanigheid van belanghebbende derde hadden.

71 De beoordeling van het Gerecht met betrekking tot Lucchini is willekeurig, rigide en formalistisch. Uit deze beoordeling kan namelijk niet worden opgemaakt waarom het verzoek van Lucchini om toestemming te krijgen om aan de hoorzitting van 23 april 2018 deel te nemen als partij bij de procedure, niet aldus kon worden uitgelegd dat deze onderneming als belanghebbende derde wenste te worden uitgenodigd.

72 Met betrekking tot de hoedanigheid van belanghebbende derde van Ansfer stelt rekwirante dat het Gerecht de feiten tegenstrijdig en onjuist heeft opgevat en op willekeurige wijze heeft beoordeeld. Zij voert hiervoor drie grieven aan.

73 Ten eerste zijn de overwegingen in de punten 126 tot en met 128 van het bestreden arrest tegenstrijdig. Na te hebben vastgesteld dat het legitiem zou zijn dat een entiteit waarvan de hoedanigheid van belanghebbende derde in een eerdere fase van de procedure is erkend, deze hoedanigheid gedurende de gehele procedure behoudt, heeft het Gerecht namelijk onderzocht of Ansfer die status in casu had kunnen behouden.

74 Ten tweede heeft het Gerecht punt 110 van het litigieuze besluit, waarin de Commissie Ansfer de hoedanigheid van belanghebbende derde heeft verleend, onjuist opgevat door in punt 129 van het bestreden arrest te oordelen dat „de belangstelling die Ansfer had laten blijken voor deelname aan de procedure niet gedurende de gehele procedure is blijven bestaan”. Bovendien heeft het Gerecht in punt 124 van dat arrest de strekking van de grief in eerste aanleg beperkt tot de procedurele situatie van Ansfer in de loop van 2002.

75 Het Gerecht is ook voorbijgegaan aan artikel 13, leden 1 en 2, van verordening nr. 773/2004, op grond waarvan de Commissie belanghebbende derden in kennis moet stellen van de aard en het onderwerp van de procedure, en hen in de gelegenheid stelt, indien zij in hun schriftelijke opmerkingen daarom verzoeken, hun standpunt toe te lichten tijdens de hoorzitting met de partijen aan wie zij een mededeling van punten van bezwaar heeft gericht. Vast staat evenwel dat de Commissie Ansfer niet in kennis heeft gesteld van de hervatting van de administratieve procedure in december 2017 en haar niet heeft uitgenodigd om deel te nemen aan de hoorzitting van 23 april 2018.

76 Voorts heeft het Gerecht artikel 5, leden 1 en 2, en artikel 6, lid 2, van besluit 2011/695/EU van de voorzitter van de Europese Commissie van 13 oktober 2011 betreffende de functie en het mandaat van de raadadviseur-auditeur in bepaalde mededingingsprocedures (PB 2011, L 275, blz. 29) geschonden.

77 Ten derde, zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat moest worden nagegaan of Ansfer haar hoedanigheid van belanghebbende derde had behouden, is de redenering in de punten 132 tot en met 135 van het bestreden arrest, op grond waarvan het Gerecht tot de slotsom is gekomen dat dit niet het geval was en die met name op bepaalde specifieke feiten was gebaseerd, logisch noch doorslaggevend.

78 Om te beginnen heeft Ansfer volgens rekwirante namelijk niet deelgenomen aan de hoorzitting van 30 september 2002, aangezien deze geen betrekking had op de grond van de zaak, maar enkel op de rechtsgevolgen van het aflopen van het EGKS-Verdrag. Dat deze vereniging tijdens de hoorzitting van 13 juni 2002 niet het woord heeft genomen, is irrelevant, aangezien de deelnemers daartoe niet verplicht waren. Voorts is het feit dat de schriftelijke opmerkingen van Ansfer in het dossier zijn opgenomen en vervolgens in het ontwerp van het litigieuze besluit zijn overgenomen, geenszins doorslaggevend, aangezien het anders zelfs niet nodig zou zijn om partijen voor een nieuwe hoorzitting uit te nodigen. Ten slotte is de beoordeling in punt 133 van het bestreden arrest, dat in het belang van een behoorlijk bestuur „moet worden vermeden dat er een zeer groot aantal partijen aan de procedure gaat deelnemen” onbegrijpelijk, aangezien er weinig entiteiten aanwezig waren op de hoorzitting van 23 april 2018.

79 Uit de voorgaande overwegingen blijkt hoe dan ook duidelijk dat de beoordeling van de Commissie, zoals die door het Gerecht is bevestigd, willekeurig was.

80 Wat in de derde plaats de situatie van de in artikel 27, lid 3, eerste volzin, van verordening nr. 1/2003 en artikel 13, lid 3, van verordening nr. 773/2004 bedoelde andere derden betreft, dat wil zeggen andere personen dan de adressaten van de mededeling van punten van bezwaar en belanghebbende derden, zoals Leali, IRO en de Federatie, stelt rekwirante dat het Gerecht deze bepalingen heeft geschonden.

81 Hetzelfde geldt voor Lucchini. Terwijl sommige adressaten van de beschikkingen van 2002 en 2009 intussen waren verdwenen nadat zij failliet waren verklaard, waren anderen namelijk buiten de procedure voor de vaststelling van het litigieuze besluit gebleven omdat zij de beschikking van 2002 of de arresten van 2014 niet hadden aangevochten. In deze omstandigheden was de Commissie verplicht het verzoek van Lucchini om aan de hoorzitting van 23 april 2018 deel te nemen, in te willigen. De weigering van de Commissie heeft inbreuk gemaakt op de rechten van verdediging van de bij het onderzoek betrokken ondernemingen, die niet de mogelijkheid hebben gehad om de getuigenis van Lucchini in hun voordeel te gebruiken. Bovendien zou de afwezigheid van deze onderneming afbreuk hebben gedaan aan de prerogatieven van de leden van het adviescomité die de mededingingsautoriteiten van de lidstaten vertegenwoordigen. De Commissie heeft haar beoordelingsbevoegdheid ten aanzien van Lucchini dus willekeurig uitgeoefend, hetgeen het Gerecht niet heeft vastgesteld.

82 Om soortgelijke redenen stelt rekwirante dat de Commissie Ansfer als andere derde moest uitnodigen om aan de hoorzitting van 23 april 2018 deel te nemen, aangezien de Commissie haar beoordelingsbevoegdheid ook ten aanzien van deze vereniging willekeurig heeft uitgeoefend.

83 De Commissie betoogt dat rekwirantes betoog in verschillende opzichten niet-ontvankelijk is. Ten eerste heeft dit betoog in wezen tot doel van het Hof een nieuwe beoordeling van de in eerste aanleg overgelegde feiten en bewijzen te verkrijgen. Ten tweede berust dit betoog niet op enige specifieke grief, maar beperkt het zich tot het uiten van twijfels. Ten derde is het te algemeen en heeft het niet specifiek betrekking op een onjuiste rechtsopvatting. Ten vierde zijn de grieven inzake de vermeende willekeurige uitoefening door de Commissie van haar beoordelingsbevoegdheid nieuw. Rekwirantes betoog is volgens haar hoe dan ook ongegrond.

– Beoordeling door het Hof

84 Los van de vraag of de betrokken ondernemingen en verenigingen het recht hadden om deel te nemen aan een hoorzitting voordat het litigieuze besluit kon worden vastgesteld, zij om te beginnen opgemerkt dat rekwirante erop wijst dat het houden van de hoorzitting op 23 april 2018, in aanwezigheid van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten, laatstgenoemden niet toeliet een volledig beeld te krijgen van de context en de verweermiddelen met betrekking tot de mededingingsregeling die de Commissie wilde bestraffen, waardoor rekwirantes rechten van verdediging zijn geschonden. Uit haar betoog blijkt evenwel dat rekwirante ook wenst aan te voeren dat de Commissie de procedureregels inzake hoorzittingen heeft geschonden door bepaalde ondernemingen of verenigingen niet uit te nodigen om aan die hoorzitting deel te nemen.

85 Wat in de eerste plaats de situatie van Riva betreft, betwist rekwirante niet de vaststelling van het Gerecht in punt 93 van het bestreden arrest dat deze onderneming niet heeft verzocht om deel te nemen aan de hoorzitting van 23 april 2018. In strijd met de vereisten die voortvloeien uit de in punt 52 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, voert rekwirante geen enkel argument aan waarmee specifiek wordt aangegeven op welk punt het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten. Het tweede onderdeel van het eerste middel moet dus niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het betrekking heeft op de situatie van Riva.

86 Wat in de tweede plaats de situatie betreft van ondernemingen en verenigingen die als belanghebbende derden kunnen worden beschouwd, zij opgemerkt, ten eerste, dat rekwirante weliswaar de relevantie betwist van de in punt 102 van het bestreden arrest uiteengezette overweging – volgens welke de Commissie rekwirantes rechten van verdediging niet heeft geschonden door Leali, IRO en de Federatie niet uit te nodigen om als belanghebbende derden deel te nemen aan de hoorzitting van 23 april 2018 – maar dat zij zich dienaangaande niet beroept op een onjuiste rechtsopvatting.

87 Ten tweede, aangaande Lucchini, heeft het Gerecht in punt 103 van het bestreden arrest opgemerkt dat deze onderneming na de hervatting van de procedure op 15 december 2017 de Commissie heeft verzocht te mogen deelnemen aan de hoorzitting van 23 april 2018, niet als belanghebbende derde, maar als partij in die procedure, in het bijzonder, in dezelfde hoedanigheid als rekwirante. Het Gerecht heeft vastgesteld dat de Commissie geen fout had gemaakt door het verzoek van Lucchini af te wijzen en voorts dat Lucchini vervolgens niet had aangevoerd dat zij als belanghebbende derde voor de hoorzitting kon worden uitgenodigd. In punt 104 van dat arrest heeft het Gerecht uit deze vaststellingen afgeleid dat de Commissie, door Lucchini niet uit te nodigen om deel te nemen aan de hoorzitting van 23 april 2018, geen procedureregel had geschonden die gevolgen kon hebben voor de uitoefening door rekwirante van haar rechten van verdediging.

88 Rekwirante preciseert dienaangaande niet de juridische argumenten op grond waarvan zij opkomt tegen die punten van het bestreden arrest, maar verzoekt het Hof enkel de argumenten die zij reeds voor het Gerecht had aangevoerd, opnieuw te onderzoeken en de feiten opnieuw te beoordelen, zonder dat zij zich op een onjuiste opvatting beroept.

89 Overeenkomstig artikel 256, lid 1, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie is de hogere voorziening evenwel beperkt tot rechtsvragen. Het Gerecht is bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsmede om de bewijzen te beoordelen. De beoordeling van deze feiten en bewijzen levert, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig door het Hof kan worden getoetst in hogere voorziening (arrest van 29 februari 2024, Euranimi/Commissie, C‑95/23 P, niet gepubliceerd, EU:C:2024:177, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

90 Bovendien heeft rekwirante voor het eerst in de onderhavige hogere voorziening aangevoerd dat het verzoek van Lucchini om aan de hoorzitting van 23 april 2018 deel te nemen als partij bij de procedure, aldus had moeten worden uitgelegd dat daarmee subsidiair ook werd beoogd als belanghebbende derde aan deze hoorzitting deel te nemen.

91 Rekwirantes betoog dat Lucchini als belanghebbende derde voor de hoorzitting van 23 april 2018 had moeten worden uitgenodigd, moet dus niet-ontvankelijk worden verklaard, gelet op de in de punten 38 en 89 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.

92 Ten derde, aangaande Ansfer, zij eraan herinnerd dat het Gerecht in punt 130 van het bestreden arrest bepaalde feiten heeft opgesomd die rekwirante niet heeft betwist, met name dat Ansfer, nadat zij in 2002 kennis had genomen van de inleiding van de door de Commissie gevoerde procedure, had verzocht om als belanghebbende derde te mogen deelnemen aan de hoorzitting van 13 juni 2002; dat dit verzoek door de Commissie was ingewilligd; dat Ansfer op die hoorzitting was verschenen, waar zij, zonder dat haar vertegenwoordiger daar het woord had genomen, schriftelijke opmerkingen had ingediend, en dat Ansfer op basis daarvan was uitgenodigd om deel te nemen aan de hoorzitting van 30 september 2002 over de gevolgen van het aflopen van het EGKS-Verdrag, maar dat Ansfer niet op die uitnodiging had gereageerd en evenmin op die hoorzitting is verschenen.

93 Op basis van deze feiten heeft het Gerecht in punt 135 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie kon oordelen dat Ansfer ervan had afgezien aan de procedure deel te nemen, of althans haar argumenten niet nader wenste toe te lichten tijdens de hoorzitting van 23 april 2018.

94 Geen van de drie grieven die rekwirante tegen deze beoordeling heeft aangevoerd, zoals vermeld in de punten 73 tot en met 79 van het onderhavige arrest, kan slagen.

95 Anders dan rekwirante in haar eerste grief stelt, blijkt uit de redenering van het Gerecht in de punten 126 tot en met 128 van het bestreden arrest niet dat er sprake is van enige tegenstrijdigheid. Na in de punten 126 en 127 van dat arrest het beginsel te hebben bevestigd dat een entiteit waaraan de hoedanigheid van belanghebbende derde is toegekend, deze hoedanigheid gedurende de gehele procedure behoudt, ook al is deze onderbroken door gerechtelijke procedures die hebben geleid tot arresten houdende nietigverklaring, heeft het Gerecht in punt 128 van dat arrest immers benadrukt dat moest worden nagegaan of dit, gelet op de feiten van de zaak, dit in het geval van Ansfer anders was.

96 Wat rekwirantes tweede grief betreft, is het juist dat de in punt 129 van het bestreden arrest geformuleerde en in punt 74 van het onderhavige arrest samengevatte vaststelling dat rekwirante heeft erkend dat de belangstelling van Ansfer om aan de procedure deel te nemen niet tijdens de gehele duur van de procedure was blijven bestaan, rekwirantes betoog in eerste aanleg niet nauwkeurig weergeeft. Laatstgenoemde stelde namelijk dat Ansfer die hoedanigheid had behouden en derhalve had moeten worden uitgenodigd om deel te nemen aan de hoorzitting van 23 april 2018.

97 Niettemin blijkt uit de context van die vaststelling dat het Gerecht rekwirantes betoog in wezen niet onjuist heeft opgevat. In de punten 123 en 125 van het bestreden arrest heeft het Gerecht er immers aan herinnerd dat rekwirante had aangevoerd dat Ansfer de hoedanigheid van belanghebbende derde had verkregen en deze in de loop van de procedure niet had verloren.

98 In punt 129 van het bestreden arrest kunnen de woorden „niet door [rekwirante] wordt betwist” aldus worden opgevat dat zij betrekking hebben op de in punt 130 van dat arrest opgesomde en in punt 92 van het onderhavige arrest samengevatte feiten. Deze feiten werden echter niet betwist door rekwirante. De door rekwirante aangevoerde fout berust dus op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en kan niet leiden tot vernietiging van het dictum van het bestreden arrest.

99 Vervolgens betoogt rekwirante dat het Gerecht in punt 129 van het bestreden arrest overweging 110 van het litigieuze besluit onjuist heeft opgevat. Dit argument berust echter op een onjuiste lezing van deze overweging. In die overweging wordt namelijk enkel vastgesteld dat de raadadviseur-auditeur Ansfer op een bepaald moment als belanghebbende derde had beschouwd, maar wordt er niet ingegaan op de vraag of Ansfer, nadat de procedure was hervat, die status behield, met name met het oog op de hoorzitting van 23 april 2018.

100 Voorts betoogt rekwirante dat het Gerecht in punt 124 van het bestreden arrest haar betoog in eerste aanleg onjuist heeft opgevat door de draagwijdte ervan te beperken tot de procedurele situatie in 2002. In punt 125 van dat arrest heeft het Gerecht evenwel opgemerkt dat rekwirante had aangevoerd dat de aan Ansfer toegekende hoedanigheid van belanghebbende derde de Commissie ertoe had moeten brengen deze vereniging uit te nodigen voor de hoorzitting van 23 april 2018. Het argument van rekwirante berust dus op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.

101 In deze context kan rekwirantes betoog niet aldus worden opgevat dat daarmee ook wordt opgekomen tegen de gronden waarop het Gerecht heeft geoordeeld dat de Commissie de hervatting van de administratieve procedure in december 2017 niet ter kennis van Ansfer hoefde te brengen. Deze gronden, die zijn opgenomen in de punten 108 tot en met 122 van het bestreden arrest, worden door de hogere voorziening namelijk niet ter discussie gesteld, aangezien rekwirante enkel stelt dat die gronden irrelevant zijn.

102 Tevens moet worden opgemerkt dat rekwirante zich heeft beperkt tot de stelling dat het Gerecht artikel 5, leden 1 en 2, en artikel 6, lid 2, van besluit 2011/695 betreffende de raadadviseur-auditeur heeft geschonden, zonder evenwel nauwkeurig aan te geven welke punten van het bestreden arrest zij aldus wilde bekritiseren en welke juridische argumenten deze kritiek specifiek staven, in strijd met de in punt 51 van het onderhavige arrest genoemde bepalingen.

103 Anders dan rekwirante stelt, is de beoordeling van het Gerecht in punt 133 van het bestreden arrest, dat in het belang van een behoorlijk bestuur moest worden vermeden dat er een zeer groot aantal partijen aan de procedure gaat deelnemen, niet zinloos. Uit punt 134 van dat arrest blijkt immers dat het Gerecht in het licht van die beoordeling heeft vastgesteld dat Ansfer als belanghebbende derde was uitgenodigd om in de loop van 2002 deel te nemen aan hoorzittingen. Uit het bestreden arrest blijkt echter niet dat het Gerecht zich op die beoordeling heeft gebaseerd om te oordelen dat de Commissie geen fout had gemaakt door te oordelen dat Ansfer die hoedanigheid nadien had verloren.

104 Wat de derde grief betreft, heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat een entiteit die als belanghebbende derde is erkend, deze hoedanigheid vervolgens kan verliezen, met name als gevolg van haar gedrag.

105 Onder het mom van een onjuiste rechtsopvatting verzoekt rekwirante het Gerecht in feite om de in punt 92 van het onderhavige arrest genoemde feiten opnieuw te beoordelen, zonder aan te voeren dat deze onjuist zijn opgevat. Overeenkomstig de in punt 89 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte bepalingen moet deze derde grief dus niet-ontvankelijk worden verklaard.

106 Met haar kritiek op het willekeurige karakter van de beoordeling van de situatie van Ansfer door de Commissie voert rekwirante in het kader van de onderhavige hogere voorziening een nieuw juridisch argument aan, dat derhalve niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van de in punt 38 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte regels inzake de procedure in hogere voorziening.

107 Wat in de derde plaats de situatie van andere derden betreft, betoogt rekwirante dat het Gerecht artikel 27, lid 3, eerste volzin, van verordening nr. 1/2003 en artikel 13, lid 3, van verordening nr. 773/2004 onjuist heeft toegepast door de beslissing van de Commissie om Leali, IRO, Lucchini, de Federatie en Ansfer in die hoedanigheid niet uit te nodigen voor de hoorzitting van 23 april 2018, te aanvaarden.

108 Zoals blijkt uit de bewoordingen ervan, voorzien deze bepalingen in de mogelijkheid en niet in de verplichting voor de Commissie om andere natuurlijke of rechtspersonen dan de bij de procedure betrokken personen en belanghebbende derden te horen en hen uit te nodigen hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en deel te nemen aan de hoorzitting met de partijen aan wie zij een mededeling van punten van bezwaar heeft gericht. Zoals het Gerecht in punt 149 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, volgt hieruit dat de Commissie over een beoordelingsmarge beschikt om te bepalen of de deelname van deze derden nuttig kan zijn. Bijgevolg kan de schending van deze bepalingen slechts worden vastgesteld indien wordt aangetoond dat de Commissie de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid kennelijk heeft overschreden.

109 Rekwirante stelt echter niet dat dit het geval was wat Leali, IRO en de Federatie betreft.

110 Rekwirante betoogt dat de Commissie haar beoordelingsbevoegdheid ten aanzien van Lucchini en Ansfer willekeurig heeft uitgeoefend. Aangezien dit betoog echter voor het eerst in het kader van de onderhavige hogere voorziening is aangevoerd, moet het, gelet op de in punt 38 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, niet-ontvankelijk worden geacht.

111 Rekwirante betoogt voorts dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet te onderzoeken of de Commissie op enigerlei andere wijze dan door schending van een voor haar geldende regel haar had belemmerd in haar rechten van verdediging. Opgemerkt zij dat het Gerecht in punt 156 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat rekwirante „niet heeft aangetoond dat zij los van de schending van een regel is belemmerd in de uitoefening van haar rechten van verdediging vanwege de afwezigheid van een onderneming of een derde tijdens de hoorzitting [van 23 april 2018]”.

112 Een dergelijke belemmering in de uitoefening van haar rechten van verdediging heeft rekwirante ook in haar hogere voorziening niet aangetoond.

113 Het is juist dat de aanwezigheid van Leali, IRO, Lucchini, de Federatie en Ansfer op deze hoorzitting nuttig had kunnen zijn in die zin dat zij het adviescomité een vollediger beeld had kunnen geven van de context en de verweermiddelen met betrekking tot de mededingingsregeling. Deze hypothetische overweging volstaat echter niet om aan te tonen dat rekwirantes rechten van verdediging zijn geschonden.

114 Hieruit volgt dat het tweede onderdeel van het eerste middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond moet worden verklaard.

Vierde onderdeel

– Argumenten van partijen

115 Met het vierde onderdeel van het eerste middel voert rekwirante aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 163 tot en met 195 van het bestreden arrest te oordelen dat de twee leden van het adviescomité die niet aan de hoorzitting van 23 april 2018 hadden deelgenomen, over de noodzakelijke elementen beschikten om met volledige kennis van zaken uitspraak te doen, zelfs zonder registratie van de hoorzitting, en dat de afwezigheid van de als rapporteur optredende mededingingsautoriteit tijdens de hoorzitting het advies van dit comité niet aantastte.

116 In punt 185 van het bestreden arrest heeft het Gerecht eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak, wanneer belangrijke en volkomen nieuwe beoordelingselementen niet aan het adviescomité zijn meegedeeld, dit comité moet worden geacht niet in staat te zijn gesteld met volledige kennis van zaken zijn advies uit te brengen. Volgens rekwirante was dit in casu het geval. Rekwirante stelt dat haar mondelinge opmerkingen tijdens de hoorzitting van 23 april 2018 slechts gedeeltelijk zijn overgenomen in de aan het adviescomité toegezonden documenten. Zo heeft zij tijdens die hoorzitting met name de kwestie van de toenmalige situatie van de ijzer- en staalsector besproken.

117 Door de inhoud van de in het kader van de procedure in eerste aanleg overgelegde bijlagen A.7 en E.1 niet te vergelijken, heeft het Gerecht dus nagelaten bewijsmateriaal te onderzoeken, of althans delen van het dossier onjuist opgevat. In deze omstandigheden is rekwirante van mening dat het adviescomité, omdat het niet over de registratie van de hoorzitting beschikte, geen toegang heeft gehad tot belangrijke en volkomen nieuwe beoordelingselementen.

118 Wat de grief betreft dat de als rapporteur optredende mededingingsautoriteit tijdens de hoorzitting niet aanwezig was, neemt rekwirante akte van het arrest waarop het Gerecht zich in punt 194 van het bestreden arrest heeft gebaseerd om te oordelen dat deze autoriteit niet op de hoorzitting aanwezig hoefde te zijn, en verzoekt zij het Hof om „dit punt te verduidelijken”. Zij merkt in dit verband op dat in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, de mededingingsautoriteiten van de lidstaten een afschrift van het proces-verbaal van de hoorzitting hadden ontvangen, hetgeen in de onderhavige zaak niet het geval was. Gelet op het belang van de als rapporteur optredende mededingingsautoriteit binnen het adviescomité, zou het bovendien onlogisch zijn te oordelen dat deze autoriteit de regelmatigheid zou kunnen bevestigen van een hoorzitting waaraan zij niet heeft deelgenomen.

119 De Commissie stelt dat rekwirantes betoog niet-ontvankelijk en hoe dan ook ongegrond is.

– Beoordeling door het Hof

120 In de eerste plaats stelt rekwirante in wezen dat zij tijdens de hoorzitting van 23 april 2018 mondeling belangrijke en volkomen nieuwe elementen heeft aangedragen. Doordat twee leden van het adviescomité niet aanwezig waren tijdens deze hoorzitting en doordat de hoorzitting niet was geregistreerd, heeft dit comité zijn advies niet met volledige kennis van zaken uitgebracht.

121 Het Gerecht heeft in punt 186 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat rekwirante in casu niet had gesteld dat het niet meedelen van de registratie van die hoorzitting het adviescomité op essentiële punten zou hebben misleid, en dat zij geen enkele aanwijzing had verstrekt over mogelijke verschillen tussen haar schriftelijke antwoorden op de mededelingen van punten van bezwaar, zoals deze aan het comité waren toegezonden, en haar mondelinge opmerkingen tijdens die hoorzitting.

122 Tegen dat punt van het bestreden arrest is rekwirante in haar hogere voorziening niet opgekomen. Hieruit volgt dat het betoog inzake het beweerde verschil tussen haar mondelinge uiteenzetting tijdens de hoorzitting van 23 april 2018 en de inhoud van de documenten die in het bezit zijn van het adviescomité, voor het eerst voor het Hof is aangevoerd en dus overeenkomstig de in punt 38 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak niet-ontvankelijk is.

123 Rekwirante betwist de in punt 187 van het bestreden arrest uiteengezette overweging, volgens welke het onderzoek van het dossier geen elementen aan het licht heeft gebracht die twijfel doen rijzen over het feit dat het adviescomité tijdens zijn bijeenkomst over de voor zijn beraadslagingen noodzakelijke elementen beschikte. Onder het mom van een onjuiste opvatting van de bewijselementen en de processtukken beperkt rekwirante zich er in werkelijkheid evenwel toe in algemene zin te verwijzen naar twee documenten in het dossier en een opsomming te geven van een aantal beweerdelijk nieuwe kwesties die zij tijdens de hoorzitting van 23 april 2018 aan de orde zou hebben gesteld, zonder enige precisering te verstrekken die het bestaan van een dergelijke onjuiste opvatting kan staven. Rekwirante verklaart in het bijzonder dat zij tijdens deze hoorzitting de kwestie van de toenmalige situatie van de ijzer- en staalsector heeft aangesneden, mede in het licht van het in maart 2018 gepubliceerde bericht van inleiding van een onderzoek met het oog op de vaststelling van vrijwaringsmaatregelen met betrekking tot de invoer van ijzer- en staalproducten. Deze verklaring volstaat echter niet om aan te tonen dat haar mondelinge verklaringen tijdens die hoorzitting belangrijke en volkomen nieuwe beoordelingselementen bevatten met betrekking tot de inhoud van de documenten die aan het adviescomité waren meegedeeld.

124 In de tweede plaats verzoekt rekwirante het Hof enkel om een „verduidelijking”, zonder evenwel juridische argumenten aan te voeren die haar verzoek tot vernietiging van het bestreden arrest specifiek staven, in strijd met de verplichting die op haar rust krachtens de in punt 51 van het onderhavige arrest genoemde rechtspraak.

125 Voorts betoogt rekwirante dat het onlogisch is ervan uit te gaan dat de als rapporteur optredende mededingingsautoriteit de regelmatigheid kan aantonen van een hoorzitting waaraan zij niet heeft deelgenomen, zonder enig juridisch argument aan te voeren waarmee specifiek de in de punten 192 en 193 van het bestreden arrest uiteengezette redenen ter discussie worden gesteld.

126 Hieruit volgt dat het vierde onderdeel van het eerste middel, en dus dit middel in zijn geheel, gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond moet worden verklaard.

Vijfde middel

Argumenten van partijen

127 Met haar vijfde middel betoogt rekwirante dat de in de punten 349 tot en met 367 van het bestreden arrest uiteengezette overwegingen waarmee het Gerecht de exceptie van onwettigheid van artikel 25 van verordening nr. 1/2003 heeft afgewezen, blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting.

128 Ten eerste herinnert rekwirante eraan dat volgens deze bepaling de verjaring, in geval van stuiting ervan, ten laatste binnen een termijn van tien jaar intreedt. Wegens de schorsing van de verjaring tijdens de gerechtelijke procedures loopt de procedure in casu evenwel nog steeds, meer dan twintig jaar na de beëindiging van het inbreukmakende gedrag, dus langer dan het „dubbele van het dubbele” van de gewone verjaringstermijn. Deze omstandigheid toont aan dat de Uniewetgever geen evenwicht heeft gevonden tussen de vereisten van rechtszekerheid en eerlijke rechtsbedeling.

129 Ten tweede zou de redenering van het Gerecht tot gevolg hebben dat rekwirante moet aanvaarden dat haar ofwel een onrechtmatige sanctie zou worden opgelegd, ofwel dat tegen haar een procedure van onbepaalde duur zou worden gevoerd. De Commissie mag echter geen profijt kunnen trekken uit haar fouten om de termijn waarbinnen zij sancties kan opleggen te verlengen. Bovendien mag het recht op rechterlijke bescherming niet tegen de justitiabele worden gebruikt doordat het te zijnen nadele de feitelijke onverjaarbaarheid van de sanctiebevoegdheid van de Commissie tot gevolg heeft.

130 Ten derde merkt rekwirante op dat de betrokken ondernemingen in geval van schending van de redelijke termijn nietigverklaring van het besluit waarbij een inbreuk wordt vastgesteld kunnen vorderen, mits die schending de uitoefening van hun rechten van verdediging heeft belemmerd, of een beroep tot schadevergoeding kunnen instellen. Volgens rekwirante bestaat het enige middel dat een volledige bescherming van het beginsel van de redelijke termijn kan verzekeren evenwel in de nietigverklaring van het besluit dat is vastgesteld met kennelijke schending van die termijn, ongeacht of de verjaringstermijn is verstreken. Overweging 37 van verordening nr. 1/2003, volgens welke deze verordening moet worden uitgelegd en toegepast in overeenstemming met de in het Handvest erkende grondrechten en beginselen, komt geenszins tot uiting in de bewoordingen van artikel 25 van die verordening.

131 Wat ten vierde het evenredigheidsbeginsel betreft, stelt rekwirante dat het Gerecht met name heeft verwezen naar het arrest van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie (C‑238/99 P, C‑245/99 P, C‑244/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, EU:C:2002:582, punt 144), terwijl dit arrest is bekritiseerd in de conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak ThyssenKrupp Nirosta/Commissie (C‑352/09 P, EU:C:2010:635, punten 183‑185). Het Gerecht heeft niet geantwoord op het voorstel van rekwirante om de in die conclusie voorgestane oplossing te volgen.

132 De Raad en de Commissie bestrijden rekwirantes betoog.

Beoordeling door het Hof

133 Zoals het Gerecht in punt 354 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht, is artikel 25 van verordening nr. 1/2003 het resultaat van het streven van de Uniewetgever om, bij de uitoefening van de hem toegekende bevoegdheden, twee doelstellingen te verzoenen, namelijk enerzijds de noodzaak om de rechtszekerheid te waarborgen door te voorkomen dat na verloop van tijd geconsolideerde situaties tot in het oneindige aan de orde kunnen worden gesteld, en anderzijds het vereiste om de naleving van het recht te verzekeren door inbreuken op het recht van de Unie te vervolgen, vast te stellen en te bestraffen.

134 Zoals het Gerecht in de punten 355 en 356 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, heeft de Uniewetgever, de grenzen van zijn beoordelingsmarge niet overschreden door te trachten deze doelstellingen met elkaar te verzoenen. Artikel 25, lid 1, onder b), en, lid 5, van verordening nr. 1/2003 bepaalt met betrekking tot de vervolging van inbreuken op de artikelen 101 en 102 VWEU immers dat de verjaring intreedt na een termijn van vijf jaar of, in geval van stuiting van de verjaring, uiterlijk op de dag waarop een termijn gelijk aan tweemaal de verjaringstermijn is verstreken zonder dat de Commissie een geldboete of dwangsom heeft opgelegd. Uit deze bepalingen volgt dat de bevoegdheid van deze instelling om sancties op te leggen aan strikte grenzen is gebonden.

135 Het resultaat van deze verzoening is eveneens in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, zoals het Gerecht in de punten 359 tot en met 366 van het bestreden arrest heeft geoordeeld.

136 Het is juist dat in geval van een beroep bij de Unierechter de verjaringstermijn overeenkomstig artikel 25, lid 6, van verordening nr. 1/2003 wordt geschorst tot het einde van die contentieuze procedure. Zoals het Gerecht in punt 363 van het bestreden arrest in wezen heeft opgemerkt, beschermt deze schorsing de Commissie tegen de werking van de verjaring in situaties waarin het stilzitten van de Commissie niet het gevolg is van een gebrek aan zorgvuldigheid van deze instelling. De mogelijkheid dat als gevolg van dergelijke schorsingen de totale duur van de procedure, zoals in casu, de in artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 1/2003 op vijf of tien jaar gestelde verjaringstermijn of, in geval van stuiting van de verjaring, de in artikel 25, lid 5, van die verordening gestelde termijn van tien jaar aanzienlijk overschrijdt, maakt niet dat de wetgever van de Unie kan worden geacht de grenzen van zijn beoordelingsmarge te hebben overschreden.

137 Zoals het Gerecht in punt 356 van het bestreden arrest in wezen heeft uiteengezet, kunnen justitiabelen die menen dat zij aan een onredelijk lange procedure zijn onderworpen, de nietigverklaring van het na afloop van die procedure vastgestelde besluit verkrijgen, mits de lengte van die procedure tot een schending van de rechten van de verdediging heeft geleid, dan wel, bij gebreke van een dergelijke schending van de rechten van de verdediging, door bij de Unierechter een vordering tot schadevergoeding in te stellen.

138 Op grond van het feit dat de totale duur van de procedure in casu meer dan twintig jaar bedraagt, kan niet worden geoordeeld dat artikel 25 van verordening nr. 1/2003 onrechtmatig is.

139 Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door rekwirantes overige argumenten.

140 Ten eerste kan rekwirante, gelet op de in punt 134 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte verjaringstermijnen en niettegenstaande de duur van de betrokken procedure, niet stellen dat zij het risico loopt dat de Commissie tegen haar een procedure van onbepaalde duur zou voeren of dat de sanctiebevoegdheid van deze instelling feitelijk niet kan verjaren.

141 Ten tweede kunnen de moeilijkheden waarmee een justitiabele zou kunnen worden geconfronteerd wanneer hij de in punt 137 van het onderhavige arrest bedoelde rechtsmiddelen tracht toe te passen, hoe belangrijk zij ook zijn, niet volstaan om aan te nemen dat alleen de nietigverklaring van het besluit waarbij hem een sanctie wordt opgelegd, een doeltreffend rechtsmiddel vormt in geval van schending van het beginsel van de redelijke termijn, ongeacht of de verjaringstermijn is verstreken.

142 Ten derde beperkt rekwirante zich ertoe te betogen dat de eerbiediging van de grondrechten en de door het Handvest erkende beginselen weliswaar in overweging 37 van verordening nr. 1/2003 wordt vermeld, maar niet tot uiting komt in de bewoordingen van artikel 25 van deze verordening, zonder dienaangaande evenwel enige verduidelijking te geven.

143 Wat ten vierde de relevantie betreft van de uitlegging die wordt voorgestaan in de punten 183 tot en met 185 van de conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak ThyssenKrupp Nirosta/Commissie (C‑352/09 P, EU:C:2010:635), volstaat het eraan te herinneren dat, zoals rekwirante overigens zelf erkent, deze uitlegging niet is weerspiegeld in de bewoordingen van het arrest in die zaak of, meer in het algemeen, in de rechtspraak van het Hof.

144 Voor zover rekwirante ten slotte betoogt dat het Gerecht zich in het bestreden arrest had moeten uitspreken over deze passage uit de conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak ThyssenKrupp Nirosta/Commissie (C‑352/09 P, EU:C:2010:635) en dus heeft nagelaten zich daarover uit te spreken, zij opgemerkt dat die passage ging over de uitlegging van de betrokken regels en niet over de geldigheid ervan. Het in die conclusie uitgedrukte standpunt kan dan ook geen steun bieden aan de exceptie van onwettigheid waarop het vijfde middel betrekking heeft.

145 Bijgevolg moet het vijfde middel ongegrond worden verklaard.

Tweede middel

146 Met haar tweede middel betwist rekwirante de gronden waarop het Gerecht in de punten 229 tot en met 272 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat het beginsel van de redelijke termijn niet was geschonden.

147 Dit middel bevat drie onderdelen.

148 Met de eerste twee onderdelen betwist rekwirante om te beginnen de beoordeling door het Gerecht van de duur van de procedure voor de vaststelling van de beschikking van 2009 en van het litigieuze besluit, en verder de beoordeling van de totale duur van de procedure, die op de datum van vaststelling van dat besluit reeds meer dan 19 jaar bedroeg.

149 Met het derde onderdeel betwist zij het oordeel van het Gerecht dat de duur van de procedure geen afbreuk heeft gedaan aan haar rechten van verdediging.

150 Zoals het Gerecht in punt 215 van het bestreden arrest in wezen in herinnering heeft gebracht, kan schending van het beginsel van inachtneming van een redelijke termijn de nietigverklaring van een besluit dat is genomen na afloop van een administratieve procedure op grond van artikel 101 VWEU of artikel 102 VWEU slechts rechtvaardigen wanneer er tevens sprake is van schending van het recht van verdediging van de betrokken onderneming (zie in die zin arrest van 9 juni 2016, PROAS/Commissie, C‑616/13 P, EU:C:2016:415, punten 74‑76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

151 Hieruit volgt dat, zoals het Gerecht in punt 230 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, de duur van de procedure volgens het Hof kan leiden tot de nietigverklaring van een bestreden besluit indien tegelijk aan twee voorwaarden is voldaan, namelijk dat de duur van de procedure onredelijk lang is geweest en de overschrijding van de redelijke termijn in de weg heeft gestaan aan de uitoefening van de rechten van de verdediging.

152 Het derde onderdeel van het tweede middel moet in het licht van de tweede voorwaarde worden onderzocht.

Argumenten van partijen

153 Met het derde onderdeel van het tweede middel betoogt rekwirante dat, anders dan in de punten 266 tot en met 272 van het bestreden arrest is geoordeeld, de duur van de procedure haar rechten van verdediging heeft geschonden en haar schade heeft berokkend. In het bijzonder is de buitensporig lange duur van deze procedure de reden dat de meeste entiteiten die voor haar verweer nuttige gegevens, waaronder elementen à décharge, hadden kunnen aandragen, niet in staat waren om deel te nemen aan de hoorzitting van 23 april 2018. Indien alle belanghebbenden vóór de vaststelling van de beschikking van 2002 of van de beschikking van 2009 ten gronde waren gehoord, had de Commissie mogelijk een ander besluit vastgesteld.

154 Volgens de Commissie is dit betoog niet-ontvankelijk en in elk geval ongegrond.

Beoordeling door het Hof

155 Anders dan de Commissie betoogt, beperkt rekwirante zich er niet toe het Hof te verzoeken het beroep in eerste aanleg opnieuw te onderzoeken en de feiten opnieuw te beoordelen, zonder precies aan te geven welke fouten in het bestreden arrest zijn gemaakt. Om aan te tonen dat de duur van de procedure haar rechten van verdediging heeft geschonden, herhaalt rekwirante evenwel haar betoog in het kader van haar eerste middel van de onderhavige hogere voorziening, dat in punt 126 van het onderhavige arrest gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

156 Derhalve moet ook het derde onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.

157 Hieruit volgt dat niet is voldaan aan een van de twee in punt 151 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat de schending van het beginsel van de redelijke termijn tot nietigverklaring van een besluit kan leiden.

158 Bijgevolg moet het tweede middel, ontleend aan schending van het beginsel van de redelijke termijn, ongegrond worden verklaard, zonder dat het eerste en het tweede onderdeel van dit middel hoeven te worden onderzocht.

Derde middel

Eerste onderdeel

– Argumenten van partijen

159 Met het eerste onderdeel van het derde middel betoogt rekwirante dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 275 tot en met 296 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie voldoende de redenen heeft uiteengezet waarom zij een nieuw besluit houdende oplegging van een geldboete heeft vastgesteld.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in