HvJ EU 26 februari 2026, C-92/23, ECLI:EU:C:2026:108
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
26 februari 2026 ( *1 )
Inhoud
I. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
1. Machtigingsrichtlijn
2. Kaderrichtlijn
3. Mededingingsrichtlijn
4. Richtlijn 2018/1972
B. Hongaars recht
II. Aan het beroep wegens niet-nakoming ten grondslag liggende feiten
III. Precontentieuze procedure en procedure bij het Hof
IV. Beroep
A. Over de toepasselijkheid van het Unierecht
1. Toepasselijkheid van het regelgevingskader van de Unie inzake elektronische communicatie en van het Handvest
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Hof
1) Over het regelgevingskader van de Unie inzake elektronische communicatie
2) Handvest
2. Toepasselijkheid ratione temporis van richtlijn 2018/1972
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Hof
B. Ontvankelijkheid
1. Ontvankelijkheid van de tegen de litigieuze besluiten aangevoerde grieven
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Hof
2. Ontvankelijkheid van de grief inzake schending van het beginsel van loyale samenwerking
C. Ten gronde
1. Grieven betreffende § 48, lid 7, van de mediawet en het weigeringsbesluit
a) Grief inzake schending van het evenredigheidsbeginsel
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
i) Toepasselijkheid van artikel 10 van de machtigingsrichtlijn
ii) Reikwijdte van § 48, lid 7, onder a), van de mediawet
iii) Schending van het evenredigheidsbeginsel door § 48, lid 7, van de mediawet
b) Grief inzake schending van het non-discriminatiebeginsel
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
c) Grief dat het weigeringsbesluit niet tijdig is vastgesteld
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
d) Conclusie
2. Grieven betreffende de litigieuze aanbesteding en het nietigverklaringsbesluit
a) Grieven inzake schending van het transparantiebeginsel en het evenredigheidsbeginsel
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
i) Nietigheidsgronden in verband met de uitzendingen „Reggeli Gyors ismétlés” en „Kovátsműhely”
ii) Nietigheidsgrond betreffende het ondernemings- en financieringsplan van Klubrádió
b) Grief dat het nietigverklaringsbesluit niet tijdig is vastgesteld
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
c) Conclusie
3. Grieven betreffende § 65, lid 11, van de mediawet
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Hof
1) Grief inzake schending van het non-discriminatiebeginsel
2) Grief inzake schending van het evenredigheidsbeginsel
3) Grief inzake schending van de verplichting om te zorgen voor een efficiënt beheer van het radiospectrum
4) Conclusie
4. Grieven inzake schending van artikel 11 van het Handvest
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Hof
Kosten
„Niet-nakoming – Elektronische-communicatienetwerken en -diensten – Radiospectrum – Richtlijnen 2002/20/EG, 2002/21/EG, 2002/77/EG en (EU) 2018/1972 – Individuele gebruiksrechten – Nationale wetgeving en administratieve besluiten die een commercieel radiostation de mogelijkheid ontnemen om zijn inhoud te verspreiden op een analoge terrestrische FM-frequentie – Beginselen van evenredigheid, transparantie, non-discriminatie en goed bestuur – Artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Vrijheid van meningsuiting en informatievrijheid – Mediavrijheid”
In zaak C‑92/23,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 258 VWEU, ingesteld op 17 februari 2023,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. de Gregorio Merino, U. Małecka, L. Malferrari en A. Tokár als gemachtigden,
verzoekster,
ondersteund door:
Koninkrijk België, aanvankelijk vertegenwoordigd door C. Jacob, M. Jacobs, C. Pochet, L. Van den Broeck en M. Van Regemorter, vervolgens door C. Jacob, M. Jacobs, C. Pochet en M. Van Regemorter als gemachtigden,
Koninkrijk Denemarken, aanvankelijk vertegenwoordigd door D. Elkan, J. F. Kronborg en C. A.‑S. Maertens, vervolgens door D. Elkan en C. A.‑S. Maertens, en ten slotte door C. A.-S. Maertens en J. Sandvik Loft als gemachtigden,
Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en C. S. Schillemans als gemachtigden,
interveniënten,
tegen
Hongarije, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en G. Koós als gemachtigden, bijgestaan door G. Trinn, ügyvéd,
verweerder,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, T. von Danwitz, vicepresident, K. Jürimäe, C. Lycourgos en M. L. Arastey Sahún (rapporteur), kamerpresidenten, S. Rodin, E. Regan, N. Piçarra, D. Gratsias, M. Gavalec, S. Gervasoni, N. Fenger en R. Frendo, rechters,
advocaat-generaal: A. Rantos,
griffier: I. Illéssy, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 2 december 2024,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 april 2025,
het navolgende
Arrest
1 In haar verzoekschrift verzoekt de Europese Commissie het Hof vast te stellen dat Hongarije – de verplichtingen niet is nagekomen die op die lidstaat rusten krachtens de artikelen 5, 7 en 10 van richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en ‑diensten (machtigingsrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 21), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 (PB 2009, L 337, blz. 37) (hierna: „machtigingsrichtlijn”), artikel 4, punt 2, van richtlijn 2002/77/EG van de Commissie van 16 september 2002 betreffende de mededinging op de markten voor elektronische-communicatienetwerken en ‑diensten (PB 2002, L 249, blz. 21; hierna: „mededingingsrichtlijn”), artikel 9 van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en ‑diensten (kaderrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 33), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140 (hierna: „kaderrichtlijn”), de beginselen van evenredigheid, non-discriminatie en loyale samenwerking, alsook artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”): – doordat de Médiatanács (mediaraad, Hongarije) besluit nr. 830/2020 (IX. 8.) van 8 september 2020 heeft vastgesteld, waarbij die mediaraad Klubrádió de verlenging van zijn gebruiksrechten voor het radiospectrum heeft geweigerd; – doordat § 48, lid 7, van de a médiaszolgáltatásokról és a tömegkommunikációról szóló 2010. évi CLXXXV [wet nr. CLXXXV van 2010 inzake mediadiensten en massamedia (Magyar Közlöny 2010/202.; hierna: „mediawet”)] werd vastgesteld, op grond waarvan in geval van herhaaldelijke inbreuken de verlenging van gebruiksrechten voor het radiospectrum in het kader van radio-uitzendingsdiensten automatisch is uitgesloten, zelfs wanneer de inbreuk niet bijzonder ernstig en louter formeel van aard was, en – doordat het Klubrádió als gevolg daarvan op onevenredige en discriminerende wijze onmogelijk werd gemaakt zijn activiteiten in de radio-omroepsector voort te zetten; – de verplichtingen niet is nagekomen die op die lidstaat rusten krachtens de artikelen 8 en 9 van de kaderrichtlijn, artikel 5, lid 3, van de machtigingsrichtlijn en het beginsel van behoorlijk bestuur: – door niet binnen de in artikel 5, lid 3, van de machtigingsrichtlijn gestelde termijn van zes weken een besluit te nemen over de aanvraag van Klubrádió voor de verlenging van zijn gebruiksrechten voor het radiospectrum, en – door niet binnen een dusdanige termijn een procedure voor de toewijzing van de eerder door Klubrádió gebruikte radiofrequentie in te leiden dat een besluit kon worden vastgesteld voordat de gebruiksrechten van Klubrádió vervielen; – de verplichtingen niet is nagekomen die op die lidstaat rusten krachtens artikel 5, lid 2, van de machtigingsrichtlijn, artikel 45 van richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (PB 2018, L 321, blz. 36) en artikel 11 van het Handvest, doordat de mediaraad in zijn op 4 november 2020 gepubliceerde aanbesteding betreffende het gebruik van de mogelijkheid om mediadiensten aan te bieden op de frequentie 92.9 MHz en in besluit nr. 180/2021 (III. 10.) van 10 maart 2021 de toewijzing van de gebruiksrechten voor radiospectrum afhankelijk heeft gesteld van onevenredige vereisten, de criteria voor de toewijzing van deze gebruiksrechten voor dit spectrum niet a priori heeft bepaald, geen enkele beoordelingsmarge heeft voorzien om de ernst en de relevantie te beoordelen van de in de ingediende dossiers gemaakte fouten die zouden kunnen leiden tot de uitsluiting van gegadigden, en geen rekening heeft gehouden met de onbeduidende aard van de fouten, en – de verplichtingen niet is nagekomen die op die lidstaat rusten krachtens artikel 45, lid 1, van richtlijn 2018/1972 en de beginselen van evenredigheid en non-discriminatie doordat die lidstaat § 65, lid 11, van de mediawet heeft vastgesteld, welke bepaling geen mogelijkheid biedt om voorlopige gebruiksrechten aan te vragen indien de gebruiksrechten van een aanbieder van mediadiensten niet eerder zijn verlengd, terwijl deze mogelijkheid wel wordt geboden aan aanbieders van diensten waarvan de gebruiksrechten al een keer zijn verlengd, en die lidstaat dit verschil in behandeling niet heeft gerechtvaardigd, terwijl de redenen die verlenging uitsluiten, niet in de weg staan aan de toewijzing van nieuwe gebruiksrechten.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
2 Het gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatiediensten, voor elektronische-communicatienetwerken alsook voor de bijbehorende faciliteiten en diensten dat van kracht was tot 21 december 2020 bestond uit de kaderrichtlijn en uit vier bijzondere richtlijnen – waaronder de machtigingsrichtlijn –, die werden aangevuld door de mededingingsrichtlijn. De kaderrichtlijn en de machtigingsrichtlijn zijn ingetrokken bij richtlijn 2018/1972 (hierna samen met de mededingingsrichtlijn: „regelgevingskader van de Unie inzake elektronische communicatie”).
1. Machtigingsrichtlijn
3 Artikel 5 van de machtigingsrichtlijn luidde als volgt: „[...] 2. Wanneer individuele gebruiksrechten moeten worden verleend voor radiofrequenties en nummers, verlenen de lidstaten die rechten op verzoek aan alle ondernemingen die diensten of netwerken aanbieden of gebruiken in het kader van de algemene machtiging [als bedoeld in artikel 3], met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 6, 7 en 11, lid 1, onder c), van deze richtlijn en alle andere regels die een efficiënt gebruik van deze middelen moeten waarborgen overeenkomstig richtlijn [2002/21]. Onverminderd de door de lidstaten vooraf aangenomen specifieke criteria voor het verlenen van gebruiksrechten voor radiofrequenties aan aanbieders van inhoud voor radio- en televisieomroepen welke noodzakelijk zijn om de doelstellingen van algemeen belang overeenkomstig het Gemeenschapsrecht na te streven worden dergelijke rechten verleend door middel van procedures die objectief, transparant, niet-discriminerend en evenredig zijn, en in het geval van frequenties, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 9 van richtlijn [2002/21]. De procedures moeten open zijn behalve in gevallen waarin kan worden aangetoond dat het verlenen van individuele gebruiksrechten voor gebruik van radiofrequenties voor aanbieders van diensten inzake inhoud voor radio- en televisiediensten van fundamenteel belang is om te kunnen voldoen aan een specifieke verplichting die door de lidstaten van tevoren is gedefinieerd als noodzakelijk met het oog op het algemeen belang overeenkomstig de communautaire wetgeving. [...] 3. Besluiten over gebruiksrechten worden zo spoedig mogelijk, doch voor nummers uiterlijk binnen drie weken na ontvangst van de volledige aanvraag, door de nationale regelgevende instantie genomen, meegedeeld en gepubliceerd, en voor radiofrequenties die in het nationale frequentieplan zijn toegewezen voor elektronische communicaties binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag door de bevoegde instantie. Deze laatstgenoemde termijnen laten de toepasselijke internationale overeenkomsten betreffende het gebruik van radiofrequenties of van posities in de ruimte onverlet. [...]”
4 Artikel 7 de machtigingsrichtlijn luidde: „[...] 3. Wanneer de verlening van gebruiksrechten voor radiofrequenties moet worden beperkt, verlenen de lidstaten deze rechten op basis van objectieve, transparante, niet-discriminerende en evenredige selectiecriteria. Dergelijke selectiecriteria moeten naar behoren belang hechten aan de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 8 van richtlijn [2002/21] en aan de eisen van artikel 9 van die richtlijn. 4. Wanneer vergelijkende en op mededinging gebaseerde selectieprocedures moeten worden toegepast, kunnen de lidstaten de in artikel 5, lid 3, genoemde termijn van zes weken verlengen zolang als nodig is om ervoor te zorgen dat deze procedures billijk, redelijk, open en transparant zijn voor alle belanghebbende partijen, welke verlenging echter niet meer dan acht maanden mag bedragen. [...]”
5 Artikel 10 van de machtigingsrichtlijn luidde als volgt: „1. De nationale regelgevende instanties houden toezicht op de naleving van de voorwaarden van de algemene machtiging of van het gebruik van gebruiksrechten en met de specifieke in artikel 6, lid 2, bedoelde verplichtingen overeenkomstig artikel 11. [...] 3. De instantie in kwestie kan eisen dat de in lid 2 bedoelde inbreuk wordt gestopt, hetzij onmiddellijk hetzij binnen een redelijke termijn en neemt passende en evenredige maatregelen met het oog op naleving. [...] 5. De nationale regelgevende instanties kunnen, bij ernstige en herhaaldelijke niet-nakoming van de voorwaarden voor de algemene machtiging of de gebruiksrechten of van de specifieke verplichtingen van artikel 6, lid 2, wanneer de in lid 3 van dit artikel bedoelde maatregelen om naleving van de voorwaarden te verzekeren hebben gefaald, een onderneming beletten verder elektronische-communicatienetwerken of -diensten aan te bieden, of de gebruiksrechten opschorten of intrekken. Sancties en straffen die doelmatig, evenredig en ontmoedigend zijn kunnen worden toegepast om de periode van een inbreuk te bestrijken, zelfs indien de inbreuk vervolgens is rechtgezet. [...]”
2. Kaderrichtlijn
6 Overweging 5 van de kaderrichtlijn luidde als volgt: „De convergentie van de sectoren telecommunicatie, media en informatietechnologie houdt in dat alle transmissienetwerken en -diensten binnen eenzelfde regelgevingskader moeten vallen. Dit regelgevingskader wordt gevormd door deze richtlijn en vier specifieke richtlijnen: richtlijn [2002/20], richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (toegangsrichtlijn) [(PB 2002, L 108, blz. 7)], richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (universeledienstrichtlijn) [(PB 2002, L 108, blz. 7)], alsmede richtlijn 97/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de telecommunicatiesector [(PB 1998, L 24, blz. 1)] (hierna ‚de bijzondere richtlijnen’ genoemd). Het is noodzakelijk dat de regelgeving inzake transmissie wordt gescheiden van de regelgeving inzake inhoud. Dit kader bestrijkt derhalve niet de inhoud van de diensten die via elektronische-communicatienetwerken met behulp van elektronische-communicatiediensten worden geleverd, zoals de inhoud van omroepprogramma’s, financiële diensten en bepaalde diensten van de informatiemaatschappij, en heeft derhalve geen gevolgen voor maatregelen die communautair of nationaal, overeenkomstig de Gemeenschapswetgeving, worden genomen om de culturele en taalkundige verscheidenheid te bevorderen en het pluralisme in de media te garanderen. De inhoud van televisieprogramma’s valt onder richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten [(PB 1989, L 298, blz. 23)]. De scheiding tussen de regelgeving inzake transmissie en de regelgeving inzake inhoud staat er niet aan in de weg dat rekening wordt gehouden met de relaties die tussen beide bestaan, teneinde pluralisme in de media, culturele verscheidenheid en consumentenbescherming te garanderen.”
7 Artikel 1 van de kaderrichtlijn bepaalde: „1. Bij deze richtlijn wordt een geharmoniseerd kader voor de regulering van elektronische-communicatiediensten, elektronische-communicatienetwerken, bijbehorende faciliteiten en bijbehorende diensten vastgesteld, evenals bepaalde aspecten van eindapparatuur om de toegang voor gebruikers met een handicap te vergemakkelijken. De richtlijn legt taken van de nationale regelgevende instanties vast alsmede een reeks procedures om de geharmoniseerde toepassing van het regelgevingskader in de gehele Gemeenschap te waarborgen. 2. Deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen laten de verplichtingen onverlet die door het nationale recht in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht of door het Gemeenschapsrecht zijn opgelegd met betrekking tot diensten die worden geleverd met behulp van elektronische-communicatienetwerken en -diensten. 3. Deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen laten de maatregelen onverlet die op communautair of nationaal niveau met inachtneming van het communautaire recht zijn genomen voor de verwezenlijking van doelstellingen van algemeen belang, in het bijzonder wat betreft regulering van de inhoud en audiovisueel beleid. [...]”
8 Artikel 2 van die richtlijn luidde: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: a) ‚elektronische-communicatienetwerk’: de transmissiesystemen en in voorkomend geval de schakel- of routeringsapparatuur en andere middelen, waaronder netwerkelementen die niet actief zijn, die het mogelijk maken signalen over te brengen via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische middelen waaronder satellietnetwerken, vaste (circuit- en pakketgeschakelde, met inbegrip van internet) en mobiele terrestrische netwerken, elektriciteitsnetten, voor zover deze voor overdracht van signalen worden gebruikt, netwerken voor radio- en televisieomroep en kabeltelevisienetwerken, ongeacht de aard van de overgebrachte informatie; [...] c) ‚elektronische-communicatiedienst’: een gewoonlijk tegen vergoeding aangeboden dienst die geheel of hoofdzakelijk bestaat in het overbrengen van signalen via elektronische communicatienetwerken, waaronder telecommunicatiediensten en transmissiediensten op netwerken die voor omroep worden gebruikt, doch niet de dienst waarbij met behulp van elektronische-communicatienetwerken en ‑diensten overgebrachte inhoud wordt geleverd of redactioneel wordt gecontroleerd. Hij omvat niet de diensten van de informatiemaatschappij zoals omschreven in artikel 1 van richtlijn 98/34/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PB 1998, L 204, blz. 37), zoals gewijzigd bij richtlijn 98/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juli 1998 (PB 1998, L 217, blz. 18)], die niet geheel of hoofdzakelijk bestaan uit het overbrengen van signalen via elektronische-communicatienetwerken; [...]”
9 Artikel 8 van de kaderrichtlijn bepaalde: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties bij de uitvoering van de in deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen omschreven regelgevende taken alle redelijke maatregelen treffen die gericht zijn op de verwezenlijking van de in de leden 2, 3 en 4 genoemde doelstellingen. Die maatregelen dienen in evenredigheid te zijn met die doelstellingen. [...] De nationale regelgevende instanties kunnen binnen hun bevoegdheden bijdragen tot het waarborgen van de uitvoering van beleid ter bevordering van culturele en taalkundige verscheidenheid en pluralisme in de media. 2. De nationale regelgevende instanties bevorderen de concurrentie bij de levering van elektronische-communicatienetwerken en -diensten en de bijbehorende faciliteiten en diensten, onder meer op de volgende wijze: a) zij zorgen ervoor dat de gebruikers, met inbegrip van gebruikers met een handicap, oudere gebruikers en gebruikers met speciale sociale behoeften optimaal profiteren wat betreft keuze, prijs en kwaliteit; [...] d) zij bevorderen efficiënt gebruik en zorgen voor een efficiënt beheer van de radiofrequenties en de nummervoorraad. [...]”
10 Artikel 9, lid 1, van die richtlijn luidde als volgt: „Naar behoren rekening houdend met het feit dat radiofrequenties een publiek goed zijn dat een belangrijke maatschappelijke, sociale en economische waarde heeft, zorgen de lidstaten ervoor dat de radiofrequenties voor elektronische communicatiediensten op hun grondgebied overeenkomstig de artikelen 8 en 8 bis efficiënt worden beheerd. Zij zorgen ervoor dat de spectrumtoewijzing voor elektronische-communicatiediensten en de afgifte van algemene machtigingen of individuele gebruiksrechten voor die radiofrequenties door de bevoegde nationale instanties gebaseerd zijn op objectieve, transparante, niet-discriminerende en proportionele criteria. [...]”
3. Mededingingsrichtlijn
11 Artikel 4 van de mededingingsrichtlijn luidt als volgt: „Zonder afbreuk te doen aan de specifieke criteria en procedures zoals goedgekeurd door de lidstaten voor de verlening van machtigingen voor het gebruik van radiofrequenties aan aanbieders van diensten in verband met de inhoud op televisie of radio met het oog op de verwezenlijking van doelstellingen van algemeen belang in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht: 1) verlenen lidstaten geen uitsluitende of bijzondere rechten voor het gebruik van radiofrequenties voor de verstrekking van elektronische-communicatiediensten, 2) dient de toewijzing van radiofrequenties voor elektronische-communicatiediensten te geschieden op basis van objectieve, doorzichtige, niet-discriminerende en evenredige criteria.”
4. Richtlijn 2018/1972
12 Overweging 1 van richtlijn 2018/1972 luidt als volgt: „[De richtlijnen 2002/20 en 2002/21] zijn ingrijpend gewijzigd. Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, moeten die richtlijnen ter wille van de duidelijkheid worden herschikt.”
13 Artikel 2, lid 4, van richtlijn 2018/1972 luidt als volgt: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: [...] 4) ‚elektronischecommunicatiedienst’: een gewoonlijk tegen vergoeding via elektronischecommunicatienetwerken aangeboden dienst, die, met uitzondering van diensten waarbij met behulp van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten overgebrachte inhoud wordt geleverd of redactioneel wordt gecontroleerd, de volgende soorten diensten omvat: a) ‚internettoegangsdienst’ [...]; b) interpersoonlijke communicatiedienst; en c) diensten die geheel of hoofdzakelijk bestaan in het overbrengen van signalen zoals transmissiediensten die voor het verlenen van intermachinale diensten en voor omroep worden gebruikt”.
14 Artikel 45 van deze richtlijn luidt als volgt: „1. Naar behoren rekening houdend met het feit dat radiospectrum een publiek goed is dat een belangrijke maatschappelijke, sociale en economische waarde heeft, zorgen de lidstaten ervoor dat radiospectrum voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten op hun grondgebied efficiënt wordt beheerd overeenkomstig de artikelen 3 en 4. Zij zorgen ervoor dat de toewijzing van, de afgifte van algemene machtigingen met betrekking tot, en de verlening van individuele gebruiksrechten voor radiospectrum voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten door de bevoegde instanties gebaseerd zijn op objectieve, transparante, concurrentiebevorderende, niet-discriminerende en proportionele criteria. [...] 2. De lidstaten bevorderen de harmonisatie van het gebruik van radiospectrum voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten in de [Europese]Unie in overeenstemming met de noodzaak een daadwerkelijk en efficiënt gebruik daarvan te waarborgen en met als doel voordelen voor de consumenten, zoals concurrentie, schaalvoordelen en interoperabiliteit van diensten en netwerken. Zij handelen daarbij in overeenstemming met artikel 4 van onderhavige richtlijn en beschikking nr. 676/2002/EEG [van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een regelgevingskader voor het radiospectrumbeleid in de Europese Gemeenschap (radiospectrumbeschikking) (PB 2002, L 108, blz. 1)] door onder meer: [...] c) te zorgen voor voorspelbaarheid en consistentie bij de verlening, verlenging, wijziging, beperking en intrekking van gebruiksrechten voor radiospectrum teneinde langetermijninvesteringen te bevorderen; [...] g) de voorschriften voor het verlenen, overdragen, verlengen, aanpassen en intrekken van gebruiksrechten inzake radiospectrum, die duidelijk en transparant zijn geformuleerd, toe te passen teneinde rechtszekerheid, consistentie en voorspelbaarheid te waarborgen; [...]”
15 Artikel 48, lid 3, van die richtlijn bepaalt: „De procedures moeten open zijn, behalve wanneer het verlenen van individuele gebruiksrechten voor gebruik van radiospectrum aan aanbieders van diensten inzake inhoud voor radio- en televisiediensten noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan een verplichting van algemeen belang, zoals door de lidstaten bepaald overeenkomstig het Unierecht.”
16 Artikel 124, lid 1, eerste alinea, van diezelfde richtlijn luidt als volgt: „Uiterlijk op 21 december 2020 stellen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast en maken zij deze bekend om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die maatregelen onmiddellijk mee.”
17 Artikel 125 van richtlijn 2018/1972 bepaalt: „De richtlijnen [2002/20 en 2002/21] worden met ingang van 21 december 2020 ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in deel B van bijlage XII genoemde termijnen voor omzetting in intern recht en toepassingsdata van de aldaar genoemde richtlijnen. [...] Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage XIII.”
B. Hongaars recht
18 § 22, lid 8, van de mediawet, in de versie die van toepassing was ten tijde van de vaststelling van de besluiten van de mediaraad nr. 354/2017 (IV. 19.) (hierna: „besluit nr. 354/2017”) en 1224/2017 (XI. 14.) (hierna: „besluit nr. 1224/2017”) bepaalde: „De aanbieders van mediadiensten zijn verplicht om de mediaraad maandelijks gegevens te verstrekken aan de hand waarvan de naleving van de uitzendquota kan worden gecontroleerd. [...]”
19 § 22, lid 8, van de mediawet, in de versie die actueel van toepassing is, bepaalt: „De aanbieders van lineaire mediadiensten respectievelijk de aanbieders van mediadiensten op verzoek zijn verplicht om de mediaraad maandelijks en uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op de betrokken maand, respectievelijk uiterlijk op 31 januari van het jaar volgend op het referentiejaar gegevens te verstrekken aan de hand waarvan de naleving van de uitzendquota kan worden gecontroleerd [...].”
20 § 48 van die wet luidt als volgt: „1. Tenzij in deze wet anders is bepaald, kan een analoge lineaire mediadienst die gebruikmaakt van beperkte middelen waarover de staat beschikt, worden aangeboden op basis van een bestuursrechtelijke overeenkomst die is gegund in het kader van een door de mediaraad uitgeschreven en georganiseerde aanbesteding. [...] 5. Het recht om analoge lineaire mediadiensten aan te bieden waarbij gebruik wordt gemaakt van beperkte middelen die eigendom zijn van de staat, heeft een maximale geldigheidsduur van tien jaar voor radio-uitzendingen en tien jaar voor audiovisuele mediadiensten; bij het verstrijken van dit recht kan het op initiatief van de aanbieder van mediadiensten eenmaal zonder aanbesteding worden verlengd voor een periode van ten hoogste zeven jaar, met dien verstande dat de overeenkomsten voor de levering van audiovisuele mediadiensten aflopen op de datum die is genoemd in § 38, lid 1, van de a műsorterjesztés és a digitális átállás szabályairól szóló 2007. évi LXXIV. Törvény [(wet nr. LXXIV van 2007 betreffende de regels inzake omroepen en digitalisering) (Magyar Közlöny 2007/80.)]. [...] Het verlengingsverzoek moet 14 maanden voor het verstrijken van de termijn aan de mediaraad worden meegedeeld. Indien deze termijn niet in acht wordt genomen, wordt geen verlenging verleend. In het kader van de uitoefening van eigendomsrechten namens de staat stelt de mediaraad de aanbieder van mediadiensten ten vroegste 6 maanden en uiterlijk 4 maanden voor het vervallen van de rechten in kennis van de verlenging van het betrokken recht of van het feit dat hij niet voornemens is dat recht te verlengen. De aanbieder van mediadiensten kan geen aanspraak maken op verlenging van het recht om mediadiensten te leveren en het initiatief tot verlenging houdt voor de mediaraad geen enkele verplichting in om een overeenkomst te sluiten. [...] 7. Het recht kan niet worden verlengd: a) indien de aanbieder van mediadiensten bij definitief besluit van de mediaraad schuldig is bevonden aan herhaalde of ernstige schendingen van de overeenkomst of van de bepalingen van de a sajtószabadságról és a médiatartalmak alapvető szabályairól szóló 2010. évi CIV. Törvény [(wet nr. CIV van 2010 inzake de persvrijheid en de fundamentele regels inzake media-inhoud) (Magyar Közlöny 2010/170.; hierna: ‚wet op de persvrijheid’)] of van de wet, of b) indien de aanbieder van mediadiensten op het tijdstip van indiening of onderzoek van het initiatief nog een bedrag aan heffingen met betrekking tot de mediadiensten verschuldigd is. [...]”
21 § 55, lid 1, van de mediawet bepaalt: „Aan de aanbestedingsprocedure kan worden deelgenomen door elke onderneming: a) die geen betalingsachterstand van meer dan 60 dagen heeft uit hoofde van douane- of socialezekerheidsbijdragen, verschuldigde belastingschulden die zijn opgenomen in de registers van de centrale belastingdienst, of opeisbare betalingsverplichtingen jegens een gespecialiseerd staatsfonds, tenzij de schuldeiser schriftelijk uitstel van betaling heeft verleend; b) die niet is onderworpen aan een faillissementsprocedure, vereffening wegens staking van betaling of vrijwillige liquidatie, noch aan enige andere procedure tot ontbinding, en c) ten aanzien waarvan in de loop van de vijf jaar voorafgaand aan de bekendmaking van de aanbesteding ca) geen definitief administratief besluit is vastgesteld waarbij een ernstige inbreuk is geconstateerd in de zin van de niet-naleving van de bestuursrechtelijke overeenkomst, of cb) geen bestuursrechtelijke overeenkomst door de mediaraad is opgezegd, d) die geen vervallen schulden heeft bij de mediaraad.”
22 § 59 van deze wet bepaalt: „1. Bij het onderzoek van de materiële geldigheid van de offerte beoordeelt de mediaraad de offerte van de inschrijver op de aanbesteding in zijn geheel en elk onderdeel apart en onderzoekt hij de gegrondheid ervan. [...] 3. De offerte is materieel nietig [...] c) indien de offerte wegens gebrek aan grondslag niet geschikt is om de in deze wet of in de aanbesteding omschreven doelstellingen te verwezenlijken, of [...]”
23 § 63 van deze wet bepaalt: „1. Op het tijdstip waarop het in § 62, lid 1, onder b), bedoelde besluit ter kennis wordt gebracht van de geselecteerde inschrijver aan wie de opdracht is gegund, leidt de mediaraad ambtshalve een administratieve procedure in met het oog op het sluiten van een bestuursrechtelijke overeenkomst met die gegadigde. De termijn voor de behandeling van deze administratieve procedure bedraagt 45 dagen. [...] 12. De aanbieder van mediadiensten heeft het recht en de verplichting om programma’s uit te zenden overeenkomstig de bepalingen van de bestuursrechtelijke overeenkomst, met gebruikmaking van zijn eigen netwerk, uitrusting en faciliteiten of door gebruik te maken van de (omroep)diensten van een aanbieder van elektronische-communicatiediensten. Een machtiging voor het aanbieden van telecommunicatiediensten is niet vereist voor omroep- en distributieactiviteiten die door de aanbieder van mediadiensten met zijn eigen apparatuur worden verricht, onverminderd de machtigingen die op grond van andere wet- of regelgeving moeten worden verkregen. [...]”
24 § 65 van de mediawet bepaalt: „1. Op verzoek kan de mediaraad, rekening houdend met overwegingen betreffende de mediamarkt en het mediabeleid, een tijdelijke bestuursrechtelijke overeenkomst voor maximaal 180 dagen sluiten om gebruik te maken van de mogelijkheid om mediadiensten te leveren: [...] c) ten aanzien waarvan [de Nemzeti Média- és Hírközlési Hatóság (nationale media- en telecommunicatieautoriteit) (hierna: ‚NMHH’)] aantoont dat het mogelijk is om deze te leveren zonder interferentie te veroorzaken voor anderen en zonder inbreuk te maken op internationale normen. [...] 11. Indien het recht om lineaire radiomediadiensten aan te bieden vervalt nadat het reeds een keer door de mediaraad is verlengd en de aanbestedingsprocedure voor het aanbieden van mediadiensten reeds is gestart, kan de mediaraad met de aanbieder van mediadiensten die voorheen houder was van het recht, op diens verzoek, eventueel zelfs meerdere malen, een tijdelijke bestuursrechtelijke overeenkomst sluiten met een looptijd van ten hoogste 60 dagen. Een tijdelijke bestuursrechtelijke overeenkomst op grond van dit lid kan slechts worden gesloten totdat de aanbestedingsprocedure is afgerond of, in geval van bezwaar tegen het besluit tot beëindiging van de aanbestedingsprocedure, totdat de zaak definitief is beslecht. De tijdelijke bestuursrechtelijke overeenkomst eindigt op de datum waarop de bestuursrechtelijke overeenkomst met de geselecteerde gegadigde wordt gesloten. [...]”
25 § 66, lid 4, van die wet luidt als volgt: „De lineaire gemeenschapsmediadienst: [...] g) presenteert gedurende meer dan twee derde van zijn wekelijkse zendtijd programma’s die beantwoorden aan de doelstellingen van openbare dienstverlening als bedoeld in § 83, met inbegrip van voorlichtingsprogramma’s betreffende de betrokken gemeenschap, politieke voorlichtingsprogramma’s, culturele programma’s en soortgelijke inhoud die niet in de eerste plaats voor een bepaalde gemeenschap is bestemd; h) wijdt in het geval van een radio-mediadienst ten minste 50 procent van zijn jaarlijkse zendtijd aan muziekprogramma’s ter presentatie van Hongaarse muziekprogramma’s.”
26 § 185 van die wet is verwoord als volgt: „1. De mediaraad of het bureau [van de NMHH (hierna: ‚Bureau’)] kan rechtsgevolgen opleggen aan daders van inbreuken op de regels betreffende het bestuur van de media, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 186 tot en met 189. 2. Bij de toepassing van de rechtsgevolgen nemen de mediaraad en het bureau het beginsel van gelijke behandeling in acht en houden zij rekening met het progressiviteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel; bij de toepassing van het progressiviteitsbeginsel nemen zij de ernst van de inbreuk in aanmerking alsook de vraag of die inbreuk bij herhaling voorkomt en leggen zij rechtsgevolgen op die evenredig zijn in het licht van alle bijzondere omstandigheden en de met de rechtsgevolgen nagestreefde doelstelling. [...]”
27 § 187 van deze wet luidt: „1. In geval van herhaalde inbreuken leggen de mediaraad en het bureau een boete van maximaal 2000000 [Hongaarse forint (HUF) (ongeveer 5240 EUR)] op aan de verantwoordelijke van de inbreukmakende entiteit, afhankelijk van de ernst en de aard van de inbreuk en de specifieke kenmerken van de zaak. 2. De mediaraad en het bureau houden bij de bepaling van de rechtsgevolgen rekening met de beoordelingscriteria van de a közigazgatási les bályszegések szankcióiról szóló 2017. évi CXXV. törvény [wet nr. CXXV van 2017 inzake sancties voor administratieve overtredingen) (Magyar Közlöny 2017/171.)], en naargelang van de aard van de inbreuk, met de ernst en de continuïteit van de inbreuk, de belangen en persoonlijkheidsrechten die zijn aangetast ten gevolge van de inbreuk, en de weerslag van de inbreuk op de markt. [...] 5. Voor de toepassing van de leden 1 tot en met 4 wordt een inbreuk als herhaald beschouwd wanneer de inbreukmaker binnen een termijn van 365 dagen dezelfde onrechtmatige gedraging – die onder dezelfde rechtsgrondslag, dezelfde rechtsbepaling en hetzelfde gebied valt – pleegt als die welke bij een definitief administratief besluit is vastgesteld, met uitzondering van onbeduidende inbreuken. In geval van een inbreuk op de §§ 20 en 21, § 22, lid 2, § 22, lid 3, § 22, lid 5, en § 22, lid 6, wordt een inbreuk als herhaald beschouwd wanneer de inbreukmaker binnen een termijn van drie jaar dezelfde onrechtmatige gedraging – die onder dezelfde rechtsgrondslag, dezelfde rechtsbepaling en hetzelfde gebied valt – herhaalt als die welke bij een definitief administratief besluit is vastgesteld, met uitzondering van onbeduidende inbreuken. [...]”
28 § 187, lid 4, van de mediawet, in de versie die van toepassing was op de datum van vaststelling van de besluiten nr. 354/2017 en nr. 1224/2017 bepaalde: „Voor de toepassing van de leden 1 tot en met 3 wordt een inbreuk als herhaald beschouwd wanneer de inbreukmaker binnen een termijn van 365 dagen dezelfde onrechtmatige gedraging – die onder dezelfde rechtsgrondslag, dezelfde rechtsbepaling en hetzelfde gebied valt – pleegt als die welke bij een definitief administratief besluit is vastgesteld, met uitzondering van onbeduidende inbreuken. In geval van een inbreuk op de §§ 20 en 21, § 22, lid 2, § 22, lid 3, § 22, lid 5, en § 22, lid 6, wordt een inbreuk als herhaald beschouwd wanneer de inbreukmaker binnen een termijn van drie jaar dezelfde onrechtmatige gedraging – die onder dezelfde rechtsgrondslag, dezelfde rechtsbepaling en hetzelfde gebied valt – herhaalt als die welke bij een definitief administratief besluit is vastgesteld.”
II. Aan het beroep wegens niet-nakoming ten grondslag liggende feiten
29 Klubrádió is een Hongaarse commerciële zender die sinds 1999 uitzendingen aanbood op de frequentie 95,3 MHz in het uitzendgebied van Boedapest (Hongarije).
30 Op 13 februari 2014 hebben de mediaraad en Klubrádió de uitzendovereenkomst voor deze frequentie beëindigd en een overeenkomst gesloten betreffende het recht om mediadiensten over de frequentie 92.9 MHz in het uitzendgebied van Boedapest (hierna: „frequentie 92.9 MHz”) aan te bieden voor de periode van 14 februari 2014 tot en met 14 februari 2021 (hierna: „uitzendovereenkomst van Klubrádió”). Deze overeenkomst kon voor een periode van vijf jaar worden verlengd.
31 Op 8 november 2019 heeft Klubrádió op grond van § 48, lid 5, van de mediawet de verlenging ervan aangevraagd.
32 Bij besluit nr. 830/2020 (IX. 8.) van 8 september 2020 heeft de mediaraad die aanvraag afgewezen (hierna: „weigeringsbesluit”).
33 De mediaraad heeft zich gebaseerd op het feit dat hij in besluit nr. 1224/2017 had vastgesteld dat Klubrádió niet had voldaan aan de in § 22, lid 8, van de mediawet neergelegde verplichting om maandelijks informatie door te geven over de uitzendquota (hierna: „verplichting om gegevens over uitzendquota door te geven”), dat deze inbreuk niet onbeduidend was en dat het hierbij ging om een herhaalde inbreuk overeenkomstig § 187, lid 4, van deze wet, in de op de datum van dat besluit toepasselijke versie, aangezien dit radiostation deze verplichting binnen een termijn van 365 dagen al eerder had geschonden, zoals de mediaraad reeds had vastgesteld in besluit nr. 354/2017. De mediaraad is dan ook tot de slotsom gekomen dat de uitzendovereenkomst van Klubrádió overeenkomstig § 48, lid 7, van die wet niet kon worden verlengd.
34 Op 4 november 2020 heeft de mediaraad de aanbesteding betreffende het gebruik van de mogelijkheid om mediadiensten aan te bieden op de frequentie 92.9 MHz (hierna: „litigieuze aanbesteding”) gepubliceerd. Klubrádió en twee andere aanbieders van mediadiensten, namelijk Közösségi Rádiózásért Egyesület en LBK Médiaszolgáltató 2020 Kft., hebben ingeschreven op de aanbesteding.
35 Bij twee besluiten van 22 december 2020 heeft de mediaraad vastgesteld dat de inschrijvingen van de twee laatstgenoemde leveranciers formeel nietig waren.
36 Bij besluit nr. 180/2021 (III. 10.) van 10 maart 2021 heeft de mediaraad daarenboven vastgesteld dat de inschrijving van Klubrádió inhoudelijk nietig was en bijgevolg verklaard dat de litigieuze aanbesteding geen resultaat had opgeleverd (hierna: „nietigverklaringsbesluit”).
37 Dit besluit was gebaseerd op drie redenen, namelijk, ten eerste, dat Klubrádió in punt III.3 van het formulier dat bij zijn offerte was gevoegd, had nagelaten een programma te beschrijven dat was opgenomen in het wekelijkse programma-aanbod zoals vermeld in punt III.2 van dat formulier, ten tweede, dat er in verband met een andere uitzending een verschil van vijf minuten bestond tussen de in punt III.2 van dat formulier en punt III.3 ervan aangegeven duur van de uitzending en, ten derde, dat de rekeningen van Klubrádió gedurende de vijf jaar voorafgaand aan de indiening van de inschrijving een negatief eigen vermogen vertonen en dat dit radiostation zijn uitgaven kon niet dekken met alleen maar de netto omzet.
38 Volgens de mediaraad konden de gebreken inzake het programma-aanbod overeenkomstig de mediawet en de regels van de litigieuze aanbesteding niet geregulariseerd worden na de datum van indiening van de inschrijving. In het geval van negatief eigen vermogen kan volgens de mediaraad het doel van punt 1.2 van de litigieuze aanbesteding, namelijk ervoor zorgen dat er op de mediamarkt een stabiel en qua werking voorspelbaar radiostation bestaat, niet worden bereikt.
39 Op 30 maart 2021 hebben de mediaraad en Közösségi Rádiózásért Egyesület op grond van § 65 van de mediawet een tijdelijke bestuursrechtelijke overeenkomst gesloten met het oog op de exploitatie van de frequentie 92.9 MHz gedurende de periode van 3 mei tot en met 29 oktober 2021.
40 Het weigeringsbesluit en het nietigverklaringsbesluit (hierna: „litigieuze besluiten”) zijn in rechte betwist door Klubrádió. Beide besluiten zijn bevestigd, eerst door de Fővárosi Törvényszék (rechter voor de stad Boedapest, Hongarije), en daarna door de Kúria (hoogste rechterlijke instantie, Hongarije). Bovendien heeft Klubrádió bij de Alkotmánybíróság (grondwettelijk hof, Hongarije) een exceptie van ongrondwettigheid ingeroepen, die deze laatste instantie heeft verworpen.
III. Precontentieuze procedure en procedure bij het Hof
41 Op 22 oktober 2020 heeft de Commissie de Hongaarse autoriteiten een brief gestuurd met een verzoek om nadere informatie over de redenen voor het weigeringsbesluit en over de toepasselijke Hongaarse wetgeving.
42 In antwoord op die brief heeft de voorzitter van de NMHH op 12 november 2020 verklaard dat § 48, lid 7, van de mediawet de mediaraad geen enkele beoordelingsmarge verleent op grond waarvan bij de beoordeling van een aanvraag tot verlenging van het recht om mediadiensten aan te bieden, kan worden nagegaan of verlenging van dit recht mogelijk is in geval van een minder ernstige, maar herhaalde inbreuk. Zij heeft gepreciseerd dat dit recht volgens de bepalingen van deze wet niet kan worden verlengd wanneer bij een definitief besluit van de mediaraad is vastgesteld dat de betrokken aanbieder een herhaalde inbreuk of een ernstige inbreuk heeft gepleegd.
43 Op 12 februari 2021 heeft de Commissie de Hongaarse autoriteiten een nieuwe brief gestuurd waarin zij haar bezorgdheid uitte over de vertragingen bij de toewijzing van radiofrequenties voor radio-uitzendingen en te kennen gaf dat zij zich afvroeg of het weigeringsbesluit in overeenstemming was met het Unierecht, gelezen in het licht van het in artikel 11 van het Handvest neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting en informatievrijheid.
44 In antwoord op deze brief heeft de voorzitter van de NMHH op 19 februari 2021 aangegeven dat Klubrádió in de betrokken situatie geen enkele juridische mogelijkheid had om op tijdelijke basis mediadiensten aan te bieden. Bovendien heeft zij de in haar antwoord van 12 november 2020 gegeven uitleg herhaald.
45 Op 9 juni 2021 heeft de Commissie Hongarije een aanmaningsbrief gestuurd omdat zij van mening was dat de litigieuze besluiten en de nationale regels die als grondslag voor de vaststelling ervan hadden gediend, een schending vormden van meerdere bepalingen van het regelgevingskader van de Unie inzake elektronische communicatie, alsook van artikel 11 van het Handvest.
46 Hongarije heeft op deze brief geantwoord bij brief van 9 augustus 2021, waarin het heeft betoogd dat de betrokken nationale regeling en de uitkomst van de twee op basis van die regeling ingeleide administratieve procedures niet in strijd waren met het Unierecht.
47 Op 21 december 2021 heeft de Commissie een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij in de eerste plaats heeft gesteld dat Hongarije de verplichtingen niet is nagekomen die op die lidstaat rusten krachtens de artikelen 5, 7 en 10 van de machtigingsrichtlijn, artikel 4, punt 2, van de mededingingsrichtlijn, artikel 5, lid 2, en artikel 9 van de kaderrichtlijn, het evenredigheidsbeginsel, het discriminatieverbod en het beginsel van loyale samenwerking, alsmede krachtens artikel 11 van het Handvest. Deze niet-nakomingen vloeien volgens de Commissie voort uit, ten eerste, de vaststelling van het weigeringsbesluit door de mediaraad, ten tweede, in de veronderstelling dat de uitlegging van het Hongaarse recht door de mediaraad juist is, de vaststelling van een wet op grond waarvan in geval van herhaalde inbreuken de verlenging van gebruiksrechten voor radiospectrum automatisch is uitgesloten, zelfs wanneer de inbreuk niet bijzonder ernstig en louter formeel van aard is, ten derde, het niet verstrekken van de door de Commissie gevraagde informatie om te bepalen of de afwijzing van de door Klubrádió ingediende aanvraag tot verlenging in overeenstemming was met het beginsel van non-discriminatie, en ten vierde, de omstandigheid dat het dit radiostation als gevolg daarvan op onevenredige en discriminerende wijze onmogelijk werd gemaakt zijn activiteiten in de radio-omroepsector voort te zetten.
48 In de tweede plaats heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat Hongarije de artikelen 4, 8 en 9 van de kaderrichtlijn, artikel 5, lid 3, van de machtigingsrichtlijn en het beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden, omdat, ten eerste, niet binnen de termijn van zes weken die is neergelegd in de machtigingsrichtlijn een besluit is genomen over de aanvraag van Klubrádió voor de verlenging van zijn gebruiksrechten voor radiospectrum, ten tweede, niet binnen een dusdanige termijn een procedure voor de toewijzing van de eerder door Klubrádió gebruikte radiofrequentie is ingeleid dat een besluit kon worden vastgesteld voordat de gebruiksrechten van Klubrádió vervielen en, ten derde, de toewijzingsprocedure is geschorst omdat Klubrádió zijn recht van beroep heeft uitgeoefend.
49 In de derde plaats heeft de Commissie aangevoerd dat Hongarije artikel 5, lid 2, van de machtigingsrichtlijn, artikel 45 van richtlijn 2018/1972 en artikel 11 van het Handvest heeft geschonden omdat de mediaraad de toewijzing van gebruiksrechten voor radiospectrum afhankelijk heeft gesteld van onevenredige vereisten, de criteria voor de toewijzing van die rechten niet a priori heeft bepaald, geen enkele beoordelingsmarge heeft voorzien om de ernst en de relevantie te beoordelen van de fouten die de gegadigden zouden kunnen hebben gemaakt in de ingediende dossiers, welke fouten zouden kunnen leiden tot de uitsluiting van die gegadigden, en hij geen rekening heeft gehouden met de onbeduidende aard van de fouten in de door Klubrádió ingediende offerte.
50 In de vierde plaats heeft de Commissie aangevoerd dat Hongarije artikel 45, lid 1, van richtlijn 2018/1972 en de beginselen van evenredigheid en non-discriminatie heeft geschonden omdat aanbieders van mediadiensten waarvan de gebruiksrechten voor radiofrequenties niet waren verlengd niet de mogelijkheid hadden om een tijdelijke bestuursrechtelijke overeenkomst te sluiten met het oog op de exploitatie van een radiofrequentie, terwijl deze mogelijkheid wel werd geboden aan aanbieders van diensten waarvan de gebruiksrechten voor radiofrequenties al een keer zijn verlengd, en dit verschil in behandeling niet gerechtvaardigd is.
51 De Commissie heeft Hongarije verzocht het met redenen omkleed advies binnen twee maanden na ontvangst ervan op te volgen.
52 Op 2 februari 2022 heeft Hongarije op dit met redenen omkleed advies geantwoord, en daarbij ten eerste betwist dat in het aan de orde zijnde geval de door de Commissie aangevoerde bepalingen en beginselen van het Unierecht van toepassing waren en, ten tweede, betoogd dat noch de toepasselijke regels van Hongaars recht noch de litigieuze besluiten in strijd waren met het Unierecht.
53 De Commissie was niet overtuigd door dat antwoord van Hongarije, waarop zij heeft besloten het onderhavige beroep in te stellen.
54 Bij beschikkingen van de president van het Hof van 17 augustus 2023 zijn het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken en het Koninkrijk der Nederlanden toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.
IV. Beroep
A. Over de toepasselijkheid van het Unierecht
1. Toepasselijkheid van het regelgevingskader van de Unie inzake elektronische communicatie en van het Handvest
a) Argumenten van partijen
55 Hongarije voert in de eerste plaats aan dat het regelgevingskader van de Unie inzake elektronische communicatie niet van toepassing is op de litigieuze besluiten en evenmin op de procedures die tot de vaststelling van die besluiten hebben geleid, omdat die procedures en besluiten geen betrekking hebben op de toewijzing van gebruiksrechten voor radiofrequenties, maar op het recht om mediadiensten aan te bieden.
56 In dit verband beroept deze lidstaat zich om te beginnen op overweging 5, artikel 1, leden 2 en 3, en artikel 2, onder a) en c), van de kaderrichtlijn, die het onderscheid tot uiting brengen tussen, enerzijds het recht om mediadiensten aan te bieden, dat slaat op het leveren van inhoud en dat onder het mediarecht valt, en anderzijds het recht om radiofrequenties te gebruiken, dat slaat op de toewijzing van radiofrequenties in verband met het recht om mediadiensten aan te bieden en dat valt onder de regels inzake elektronische communicatie. Uit deze bepalingen volgt dat het aanbieden van mediadiensten en bijgevolg de daarmee verband houdende machtigingen en procedures niet vallen onder de werkingssfeer van het regelgevingskader van de Unie inzake elektronische communicatie.
57 Tegen deze achtergrond beklemtoont Hongarije dat de machtigingen voor het aanbieden van mediadiensten in het Hongaarse recht vallen onder de bevoegdheid van de mediaraad en worden geregeld door de mediawet, terwijl de machtigingen voor het gebruik van radiofrequenties vallen onder de bevoegdheid van de NMHH en worden geregeld door de a nemzeti frekvenciafelosztásról, valamint a frekvenciasávok felhasználási szabályairól szóló 7/2015. (XI. 13.) NMHH rendelet [verordening 7/2015 (XI. 13.) van de nationale media- en telecommunicatieautoriteit tot vaststelling van regels voor de toewijzing van nationale frequenties en het gebruik van frequenties,] en de a polgári frekvenciagazdálkodás egyes hatósági eljárásairól szóló 7/2012. (I. 26.) NMHH rendelet [verordening 7/2012 (I. 26.) van de nationale media- en telecommunicatieautoriteit betreffende bepaalde procedures voor het beheer van civiele frequenties].
58 De procedures die tot deze twee categorieën machtigingen leiden, zijn overigens verschillend van elkaar en autonoom.
59 Wat ten eerste de procedure betreft voor de verlening van een machtiging om overeenkomstig de mediawet mediadiensten aan te mogen bieden, schrijft de mediaraad immers een aanbestedingsprocedure uit waarbij hij een beslissing neemt die alleen maar betrekking heeft op offertes die zijn ingediend om de mogelijkheid te krijgen om die diensten aan te bieden. Na afloop van deze aanbestedingsprocedure leidt de mediaraad een procedure in voor de sluiting van een bestuursrechtelijke overeenkomst met de geselecteerde inschrijver op grond waarvan die het recht krijgt om mediadiensten aan te bieden indien deze overeenkomst uiteindelijk wordt gesloten (hierna: „uitzendovereenkomst”). Deze overeenkomst bevat geen bepalingen betreffende het gebruik van radiofrequenties of elektronische communicatie, aangezien de werkingssfeer ervan enkel de rechten en verplichtingen omvat die verband houden met het recht om mediadiensten aan te bieden.
60 Wat ten tweede de procedure betreft voor het verlenen van een machtiging voor het gebruik van radiofrequenties in verband met de mogelijkheid om mediadiensten aan te bieden overeenkomstig de in punt 57 van het onderhavige arrest vermelde verordeningen, kunnen de gebruiksrechten van de frequenties in de frequentiebanden die bestemd zijn voor radio-uitzendingen uitsluitend worden verkregen door een aanbieder van mediadiensten die bij een door de mediaraad uitgeschreven aanbesteding is geselecteerd en die door het sluiten van een uitzendovereenkomst een machtiging voor het aanbieden van mediadiensten heeft verkregen, dan wel door een omroeporganisatie die een overeenkomst heeft gesloten met een aanbieder van mediadiensten. Op verzoek geeft NMHH individuele uitzendingsmachtigingen af, waarbij deze enkel de naleving van technische voorwaarden onderzoekt.
61 Vervolgens stelt Hongarije dat de voorwaarden voor machtigingen voor het aanbieden van radiomediadiensten en de regels inzake de desbetreffende procedures zodanig zijn vastgesteld dat doelstellingen van algemeen belang worden verwezenlijkt, zoals de bevordering van het recht op informatie en informatie over publieke aangelegenheden, alsook de bevordering van cultuur.
62 Uit artikel 5, lid 2, tweede alinea, van de machtigingsrichtlijn en artikel 4 van de mededingingsrichtlijn blijkt dat dergelijke procedures niet vallen onder het regelgevingskader van de Unie inzake elektronische communicatie.
63 Tot slot benadrukt Hongarije dat bij de huidige stand van het Unierecht de voorwaarden en procedures voor het verlenen van rechten om radio-inhoud aan te bieden onder de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten vallen.
64 Met haar beroept probeert de Commissie volgens Hongarije dan ook de werkingssfeer van het Unierecht inzake elektronische communicatie uit te breiden tot kwesties in verband met de opzet van het mediasysteem in de lidstaten, die onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen.
65 In de tweede plaats betoogt Hongarije dat, aangezien de litigieuze besluiten en de procedures die tot de vaststelling van die besluiten hebben geleid het Unierecht niet ten uitvoer brengen, het Handvest niet van toepassing is op die besluiten en procedures. In zijn dupliek preciseert het dat, zoals blijkt uit artikel 51, lid 1, van het Handvest, de vraag of dit Handvest in een bepaalde zaak kan worden ingeroepen niet afhangt van de specifieke omstandigheden en context waarin de betrokken nationale maatregelen zijn vastgesteld, maar van de vraag of het Unierecht, in casu het regelgevingskader van de Unie inzake elektronische communicatie, van toepassing is.
66 De Commissie erkent in de eerste plaats weliswaar dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de regelgeving inzake de inhoud van mediadiensten en die betreffende uitzendingen, maar merkt toch op dat de litigieuze besluiten en de nationale regels die als grondslag voor de vaststelling ervan hebben gediend, betrekking hebben op procedures inzake het gebruik van de frequentie 92.9 MHz door Klubrádió, en bijgevolg vallen onder het regelgevingskader van de Unie inzake elektronische communicatie.
67 Dit kader is immers van toepassing op alle procedures waarbij de lidstaten omroeporganisaties die geluids- en televisiecontent aanbieden, gebruiksrechten voor radiofrequenties garanderen. Uit de arresten van 31 januari 2008, Centro Europa 7 (C‑380/05, EU:C:2008:59), en 26 juli 2017, Persidera (C‑112/16, EU:C:2017:597), blijkt dat dit kader van toepassing is op aanbieders van elektronische-communicatiediensten die tegelijkertijd aanbieders van mediadiensten zijn.
68 Ten eerste volgt uit § 48, lid 7, van de mediawet dat het recht om mediadiensten aan te bieden het recht omvat om het radiospectrum, te weten radiofrequenties, te gebruiken. Ten tweede, hoewel volgens Hongarije de toewijzing van radiofrequenties in het Hongaarse recht gebeurt na afloop van een andere procedure dan die inzake de verlening van het recht om mediadiensten aan te bieden en op grond van een andere nationale regeling dan de mediawet, wijst niets erop dat in casu een andere procedure dan de litigieuze aanbesteding is ingeleid om de exploitant te selecteren die gemachtigd is om de frequentie 92.9 MHz te gebruiken.
69 Bovendien voorziet artikel 5, lid 2, van de machtigingsrichtlijn, net als artikel 48, lid 3, van richtlijn 2018/1972, slechts in één afwijking van het beginsel dat gebruiksrechten voor radiofrequenties via openbare procedures moeten worden verleend en die afwijking heeft betrekking op de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. Bijgevolg moet de procedure voor de verlening van individuele gebruiksrechten voor radiofrequenties hoe dan ook objectief, transparant, niet-discriminerend en evenredig zijn, hetgeen wordt bevestigd door het arrest van 26 juli 2017, Persidera (C‑112/16, EU:C:2017:597).
70 Daarenboven betwist de Commissie het argument van Hongarije dat het Unierecht bij de huidige stand van zaken niet van toepassing is op de litigieuze besluiten en de nationale regels die als grondslag voor de vaststelling ervan hebben gediend. Om te beginnen valt de toewijzing van radiofrequenties namelijk niet onder de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten. Voorts betekent het feit dat criteria inzake de inhoud van mediadiensten, zoals het programma-aanbod, ook zijn beoordeeld in het kader van de litigieuze aanbesteding, niet dat het regelgevingskader van de Unie inzake elektronische communicatie niet van toepassing is. In dit verband benadrukt de Commissie, onder verwijzing naar het arrest van 3 september 2020, Vivendi (C‑719/18, EU:C:2020:627), dat de nationale bevoegdheden op het gebied van mediaregulering moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met het Unierecht.
71 Ten slotte is het argument van Hongarije dat de Commissie de werkingssfeer van het regelgevingskader van de Unie inzake elektronische communicatie tracht uit te breiden, ongegrond, aangezien deze instelling de litigieuze besluiten en de nationale regels die als grondslag voor de vaststelling ervan hebben gediend, slechts betwist voor zover zij betrekking hebben op elektronische-communicatienetwerken en gebruiksrechten voor radiofrequenties.
72 In de tweede plaats is de Commissie van mening dat, aangezien de mediaraad met de vaststelling van de litigieuze besluiten regels van het regelgevingskader van de Unie inzake elektronische communicatie ten uitvoer heeft gelegd, hij verplicht was het Handvest en met name het in artikel 11 daarvan neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting en informatievrijheid te eerbiedigen.
73 Het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken en het Koninkrijk der Nederlanden ondersteunen het betoog van de Commissie.
b) Beoordeling door het Hof
1) Over het regelgevingskader van de Unie inzake elektronische communicatie
74 Zoals reeds blijkt uit artikel 1, lid 1, van de kaderrichtlijn, voert het regelgevingskader van de Unie inzake elektronische communicatie een geharmoniseerde regeling in op het gebied van elektronische-communicatienetwerken en -diensten om de totstandbrenging van een interne markt op dit gebied te waarborgen. Daartoe worden in dit kader met name de regels vastgesteld voor de verlening van gebruiksrechten voor radiofrequenties.
75 In dit verband bepalen de artikelen 5 en 7 van de machtigingsrichtlijn, artikel 9 van de kaderrichtlijn, artikel 4 van de mededingingsrichtlijn en artikel 45 van richtlijn 2018/1972, waarvan de Commissie stelt dat zij zijn geschonden, dat deze rechten moeten worden toegewezen op basis van objectieve, transparante, niet-discriminerende en evenredige criteria. Zoals het Hof reeds heeft gepreciseerd, moeten deze criteria niet alleen bij de oorspronkelijke radiofrequentietoewijzing in acht worden genomen, maar ook bij elke volgende toewijzing (arrest van 26 juli 2017, Persidera, C‑112/16, EU:C:2017:597, punt 40). Bijgevolg moeten deze criteria ook in acht worden genomen bij de verlenging van die rechten.
76 In casu hebben de litigieuze besluiten, de procedures die hebben geleid tot de vaststelling van die besluiten en de litigieuze nationale regels (hierna: „litigieuze nationale maatregelen”) weliswaar betrekking op het aanbieden van mediadiensten, maar op basis van de gegevens van het aan het Hof overgelegde dossier kan, zoals de advocaat-generaal in punt 31 van zijn conclusie heeft gedaan, worden vastgesteld dat de litigieuze nationale maatregelen ook betrekking hebben op de toewijzing van gebruiksrechten voor radiofrequenties.
77 Ten eerste blijkt namelijk om te beginnen uit de bewoordingen van het inleidende gedeelte en de motivering van het weigeringsbesluit, dat als bijlage bij het verzoekschrift van de Commissie is gevoegd, dat dit besluit betrekking heeft op de niet-verlenging van het recht om mediadiensten aan te bieden „op de frequentie 92.9 MHz”. Vervolgens blijkt uit het opschrift van de litigieuze aanbesteding, die eveneens bij het verzoekschrift van de Commissie is gevoegd, dat deze aanbesteding betrekking had op het gebruik van de mogelijkheid om radiomediadiensten aan te bieden in de dekkingszone „Boedapest 92.9 MHz”. De tabel met informatie in de litigieuze aanbesteding vermeldt ook deze radiofrequentie. Voorts bepaalt punt 1.2.1 van deze aanbesteding dat de aanbesteding tot doel heeft ervoor te zorgen „dat de mediaraad een verantwoordelijk, passend en efficiënt beheer verzekert van de mogelijkheid om mediadiensten aan te bieden voor de frequentie Boedapest 92 MHz, als eigendom van de staat”. Bovendien heeft § 48 van de mediawet betrekking op „een analoge lineaire mediadienst die gebruikmaakt van beperkte middelen waarover de staat beschikt” en „het recht om analoge lineaire mediadiensten aan te bieden waarbij gebruik wordt gemaakt van beperkte overheidsmiddelen”. Ten slotte verwijst § 65 van deze wet naar de sluiting van een tijdelijke bestuursrechtelijke overeenkomst voor de exploitatie van een mogelijkheid tot het aanbieden van mediadiensten, waarvoor NMHH aantoont dat het mogelijk is de mediadiensten met name „zonder interferentie voor anderen” aan te bieden.
78 Uit de bewoordingen zelf van het weigeringsbesluit, de litigieuze aanbesteding en § 48 van de mediawet volgt dus dat dit besluit, deze aanbesteding en die paragraaf niet alleen betrekking hebben op de levering van mediadiensten, maar ook op de toewijzing van het gebruiksrecht voor een radiofrequentie, in casu de frequentie 92.9 MHz. Uit de bewoordingen van § 65 van de mediawet blijkt eveneens dat de tijdelijke bestuursrechtelijke overeenkomst die op basis van die bepaling kan worden gesloten niet alleen betrekking heeft op het aanbieden van mediadiensten, maar eveneens op het gebruik van radiofrequenties.
79 Ten tweede volgt uit de bewoordingen van het besluit van de NMHH van 13 februari 2014 inzake de aan Klubrádió verleende machtiging tot het gebruik van de frequentie 92.9 MHz, welke besluit Hongarije heeft gevoegd bij zijn memorie van dupliek, dat deze machtiging dezelfde geldigheidsduur had als de uitzendovereenkomst van Klubrádió, namelijk van 14 februari 2014 tot en met 14 februari 2021. Bovendien is in dit besluit vermeld dat aan de machtiging een einde kwam bij het verstrijken van de in deze overeenkomst vastgestelde termijn, dan wel, in geval van beëindiging van die overeenkomst, in onderlinge overeenstemming, dan wel door de mediaraad op de datum van die beëindiging, zonder specifieke administratieve procedure voor materiële intrekking of een administratief besluit.
80 Uit de bewoordingen van genoemd besluit kan derhalve worden afgeleid dat de geldigheid van de betrokken machtiging afhing van de geldigheid van het recht om mediadiensten aan te bieden, zodat bij verlies van dat recht, automatisch ook het recht om de frequentie 92.9 MHz te gebruiken verloren gaat.
81 Ten derde blijkt uit de uitleg die Hongarije gedurende het schriftelijk gedeelte van de procedure en ter terechtzitting heeft gegeven in verband met de manier waarop de procedures inzake de verlening van rechten om mediadiensten aan te bieden en die inzake de verlening van gebruiksrechten voor radiofrequenties worden toegepast, eveneens dat er in Hongarije een rechtstreeks verband bestaat tussen het recht om mediadiensten aan te bieden en het recht om een radiofrequentie te gebruiken.
82 Uit die uitleg volgt namelijk dat de mediaraad voorafgaand aan de toewijzing van radiofrequenties een aanbestedingsprocedure voor de verstrekking van mediadiensten op een bepaalde radiofrequentie moet uitschrijven. Aan de geselecteerde inschrijver van deze aanbesteding wordt het recht verleend om deze diensten aan te bieden op grond van een met de mediaraad gesloten bestuursrechtelijke overeenkomst, namelijk de uitzendovereenkomst. Vervolgens geeft de NMHH, na verificatie van de technische voorwaarden, op verzoek een machtiging af voor het gebruik van deze radiofrequentie door deze geselecteerde inschrijver of door de omroeporganisatie waarmee deze geselecteerde inschrijver een overeenkomst heeft gesloten voor de uitzending van zijn radio-inhoud.
83 Hieruit volgt dat de toegang tot radiofrequenties voor de uitzending van radio-inhoud in Hongarije in de praktijk alleen toekomt aan de houders van het recht om mediadiensten aan te bieden, waarbij het niet uitmaakt of zij hun inhoud zelf op de betrokken radiofrequentie uitzenden, of dat die uitzending wordt verricht door een omroeporganisatie die daartoe met die houders een overeenkomst heeft gesloten.
84 In Hongarije hebben besluiten die – zoals het nietigverklaringsbesluit – worden vastgesteld in het kader van een aanbesteding zoals de litigieuze aanbesteding, dus uiteindelijk betrekking op de toewijzing van gebruiksrechten voor radiofrequenties.
85 Gelet op het voorgaande is het duidelijk dat het Hongaarse systeem voor de verlening van rechten inzake het aanbieden van radio-mediadiensten en het gebruik van radiofrequenties zo is ontworpen en georganiseerd dat deze rechten rechtstreeks aan elkaar gekoppeld zijn. Daaruit volgt dat alle nationale maatregelen in verband met de verlening van rechten om dergelijke diensten aan te bieden, zoals de litigieuze nationale maatregelen, noodzakelijkerwijze gevolgen hebben voor de rechten op het gebruik van radiofrequenties, en dus binnen de materiële werkingssfeer van het regelgevingskader van de Unie inzake elektronische communicatie vallen.
86 Bijgevolg vallen de litigieuze nationale maatregelen binnen de materiële werkingssfeer van het regelgevingskader van de Unie inzake elektronische communicatie.
87 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat deze nationale maatregelen eveneens betrekking hebben op de levering van radio-mediadiensten en dat – zoals Hongarije heeft aangevoerd – de regelgeving inzake de levering van deze diensten niet valt onder het regelgevingskader van de Unie inzake elektronische communicatie, zoals met name blijkt uit artikel 2, onder c), van de kaderrichtlijn en artikel 2, punt 4, van richtlijn 2018/1972.
88 Er kan immers worden volstaan met de vaststelling dat wanneer een lidstaat, zoals Hongarije, bij de uitoefening van de beoordelingsmarge waarover hij beschikt in verband met de aard en de modaliteiten van de door hem georganiseerde procedures voor de toewijzing van radiofrequenties beslist dat bij de selectie van de gebruikers ervan rekening wordt gehouden met criteria die verband houden met de levering van radiocontentdiensten, deze lidstaat zich niet kan onttrekken aan de vereisten die worden gesteld door het regelgevingskader van de Unie inzake elektronische communicatie voor de toewijzing van het radiospectrum, en met name aan het beginsel dat rechten op het gebruik van radiofrequenties worden verleend op basis van objectieve, transparante, niet-discriminerende en evenredige criteria (zie naar analogie arrest van 20 april 2023, DIGI Communications, C‑329/21, EU:C:2023:303, punt 31).
89 Zoals de advocaat-generaal in punt 33 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, zouden de lidstaten anders gemakkelijk de regels van dit kader inzake de verlening van gebruiksrechten voor radiofrequenties kunnen omzeilen en zo de met dit kader nagestreefde doelstellingen in gevaar kunnen brengen, zoals die zijn omschreven in artikel 8, leden 2 tot en met 4 van de kaderrichtlijn, en in het bijzonder de doelstelling om de concurrentie bij de levering van elektronische-communicatienetwerken en -diensten en de bijbehorende faciliteiten en diensten te bevorderen, alsook de doelstelling van een efficiënt gebruik en beheer van de radiofrequenties. Deze regels zouden aldus hun nuttig effect verliezen.
90 Aangezien het regelgevingskader van de Unie inzake elektronische communicatie slechts van toepassing is op de litigieuze nationale maatregelen voor zover zij betrekking hebben op de toewijzing van gebruiksrechten voor radiofrequenties, kan bovendien niet worden gesteld dat afbreuk is gedaan aan de bevoegdheden van de lidstaten op het gebied van mediaregulering.
91 Ten slotte kan het argument van Hongarije dat de procedures die hebben geleid tot de vaststelling van de litigieuze besluiten vallen onder de afwijking van de toepassing van het regelgevingskader van de Unie inzake elektronische communicatie die is neergelegd in artikel 5, lid 2, tweede alinea, van de machtigingsrichtlijn, evenmin worden aanvaard.
92 Zoals de Commissie stelt, biedt deze bepaling, net als artikel 48, lid 3, van richtlijn 2018/1972, enkel dan de mogelijkheid om af te wijken van het beginsel dat gebruiksrechten voor radiofrequenties worden verleend via openbare procedures, wanneer het verlenen van individuele gebruiksrechten voor gebruik van radiospectrum aan aanbieders van diensten inzake inhoud voor radio- en televisiediensten noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan een verplichting van algemeen belang, zoals door de lidstaten bepaald overeenkomstig het Unierecht.
93 Zoals met name uit punt 34 van het onderhavige arrest blijkt, kan in casu niet worden geoordeeld dat de litigieuze aanbestedingsprocedure niet „open” was in de zin van artikel 5, lid 2, tweede alinea, van de machtigingsrichtlijn en artikel 48, lid 3, van richtlijn 2018/1972.
94 Hoe dan ook houdt de in die bepalingen voorziene afwijking niet in dat het regelgevingskader van de Unie inzake elektronische communicatie buiten toepassing moet worden gelaten. In het bijzonder moeten, zelfs wanneer deze afwijking van toepassing is, de gebruiksrechten voor radiofrequenties overeenkomstig artikel 9 van de kaderrichtlijn worden verleend op basis van objectieve, transparante, niet-discriminerende en evenredige criteria (zie in die zin arrest van 31 januari 2008, Centro Europa 7, C‑380/05, EU:C:2008:59, punt 125).
2) Handvest
95 Er zij aan herinnerd dat de werkingssfeer van het Handvest voor wat betreft het handelen van de lidstaten is omschreven in artikel 51, lid 1, daarvan, waarin is vastgesteld dat de bepalingen van het Handvest tot de lidstaten zijn gericht „wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen” en dat die bepaling de vaste rechtspraak van het Hof bevestigt volgens welke de in de rechtsorde van de Unie gewaarborgde grondrechten toepassing kunnen vinden in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst, maar niet daarbuiten [arrest van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy), C‑585/18, C‑624/18 en C‑625/18, EU:C:2019:982, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
96 Aangezien de litigieuze nationale maatregelen in casu uitvoering geven aan het regelgevingskader van de Unie inzake elektronische communicatie, moet in casu worden vastgesteld dat Hongarije bij de vaststelling van die maatregelen verplicht was om de door het Handvest gewaarborgde grondrechten, en met name het in artikel 11 van het Handvest neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting en informatievrijheid, waarop de Commissie zich beroept, te eerbiedigen.
97 Hieruit volgt dat de litigieuze nationale maatregelen kunnen worden getoetst aan zowel het regelgevingskader van de Unie inzake elektronische communicatie als het Handvest.
98 Bijgevolg moet het betoog van Hongarije dat dit kader en het Handvest niet van toepassing zijn op deze maatregelen, worden afgewezen.
2. Toepasselijkheid ratione temporis van richtlijn 2018/1972
a) Argumenten van partijen
99 De Commissie is van mening dat op basis van het beginsel tempus regit actum de machtigingsrichtlijn en de kaderrichtlijn van toepassing zijn op het weigeringsbesluit en de litigieuze aanbesteding, terwijl richtlijn 2018/1972 van toepassing is op het nietigverklaringsbesluit.
100 Hongarije betoogt daarentegen dat dit beginsel niet van toepassing is op een reeds lopende administratieve procedure. Volgens deze lidstaat wordt een dergelijke procedure beheerst door de regels die van kracht waren op de datum waarop zij werd ingeleid. Aangezien in casu de litigieuze aanbesteding is uitgeschreven vóór de datum van inwerkingtreding van richtlijn 2018/1972, valt zowel deze aanbesteding als het nietigverklaringsbesluit onder de machtigingsrichtlijn en de kaderrichtlijn, ook al is dit besluit vastgesteld na het verstrijken van de termijn voor omzetting van richtlijn 2018/1972. Wat dat besluit betreft, kan de Commissie haar beroep dus niet baseren op een schending van richtlijn 2018/1972.
101 Het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken en het Koninkrijk der Nederlanden ondersteunen het betoog van de Commissie.
b) Beoordeling door het Hof
102 Gepreciseerd moet worden dat het meningsverschil tussen de Commissie en Hongarije over de toepasselijkheid ratione temporis van richtlijn 2018/1972 enkel betrekking heeft op de grieven betreffende de litigieuze aanbesteding en het nietigverklaringsbesluit. In dit verband heeft de Commissie in het bijzonder aangevoerd dat Hongarije de op de lidstaten rustende verplichting niet is nagekomen om ervoor te zorgen dat de toewijzing van de individuele gebruiksrechten voor radiospectrum met name gebaseerd is op transparante en evenredige criteria, welke verplichting voortvloeit uit artikel 5, lid 2, tweede alinea, van de machtigingsrichtlijn en, vanaf de datum waarop richtlijn 2018/1972 van toepassing wordt, uit artikel 45, lid 1, ervan.
103 Voorts moet er rekening mee worden gehouden dat richtlijn 2018/1972, zoals blijkt uit overweging 1 ervan, verschillende richtlijnen herschikt, waaronder met name de machtigings- en de kaderrichtlijn. In dit verband preciseert artikel 125 van richtlijn 2018/1972 dat deze richtlijnen met ingang van 21 december 2020 worden ingetrokken en dat verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar richtlijn 2018/1972. Artikel 45, lid 1, van richtlijn 2018/1972 komt overeen met artikel 9, lid 1, van de kaderrichtlijn, dat met name de verplichting voor de lidstaten bevat om ervoor te zorgen dat de toewijzing van radiospectrum voor elektronische-communicatiediensten gebaseerd is op transparante en evenredige criteria.
104 Deze verplichting, die in artikel 5, lid 2, tweede alinea, van de machtigingsrichtlijn in herinnering wordt gebracht, komt overeen met de verplichting om bij de toewijzing van radiofrequenties de beginselen van transparantie en evenredigheid in acht te nemen, zoals die in artikel 45, lid 1, van richtlijn 2018/1972 wordt opgelegd aan de lidstaten.
105 In die omstandigheden moet het betoog van Hongarije betreffende de toepasselijkheid ratione temporis van richtlijn 2018/1972 hoe dan ook worden afgewezen.
B. Ontvankelijkheid
1. Ontvankelijkheid van de tegen de litigieuze besluiten aangevoerde grieven
a) Argumenten van partijen
106 Hongarije betwist de ontvankelijkheid van het beroep, voor zover het betrekking heeft op de litigieuze besluiten.
107 In de eerste plaats voert de Commissie volgens deze lidstaat weliswaar formeel aan dat Unierechtelijke bepalingen zijn geschonden, maar trekt zij in werkelijkheid de verenigbaarheid van die besluiten met de bepalingen van de mediawet of de regels van de litigieuze aanbesteding in twijfel.
108 De vraag of een besluit van de mediaraad in overeenstemming is met een aantal bepalingen van de mediawet of met de litigieuze aanbesteding, gaat evenwel veel verder dan het voorwerp van het beroep wegens niet-nakoming, dat uitsluitend tot doel heeft het Hof in staat te stellen om vast te stellen dat een lidstaat de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens het Unierecht, en om een einde te maken aan die niet-nakoming.
109 In de tweede plaats betoogt Hongarije dat volgens vaste rechtspraak van het Hof een beroep wegens niet-nakoming alleen kan worden ingesteld tegen een vaste, constante en algemene administratieve praktijk, en betwist het de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep, aangezien het betrekking heeft op twee individuele administratieve besluiten, die daarenboven na de voor de nationale rechterlijke instanties ingeleide beroepen zijn bevestigd bij rechterlijke beslissingen met gezag van gewijsde.
110 In de memorie van dupliek verduidelijkt Hongarije dat de litigieuze besluiten, anders dan de besluiten die worden genoemd in de arresten waarnaar de Commissie verwijst, geen algemene besluiten betreffende een niet nauwkeurig omschreven groep exploitanten zijn waaruit een coherente en homogene praktijk blijkt, maar besluiten die gericht zijn tot een specifieke exploitant.
111 De Commissie betoogt in de eerste plaats dat zij in haar beroep uitsluitend een schending van het Unierecht aanvoert. Zij verduidelijkt dat er zich in het kader van de precontentieuze procedure twee mogelijkheden voordoen. De eerste berust op de beweringen van Hongarije dat de mediaraad op grond van de mediawet geen beoordelingsmarge heeft bij de vaststelling van de litigieuze besluiten. In een dergelijk geval zou de mediawet in strijd zijn met het Unierecht, aangezien de mediaraad zou worden verplicht om besluiten vast te stellen die onverenigbaar zijn met dat recht. De tweede mogelijkheid berust op de uitlegging die volgens de Commissie blijkt uit de bewoordingen van de mediawet, die de mediaraad een beoordelingsmarge toekende bij de vaststelling van de litigieuze besluiten. In dat geval heeft de mediaraad bij de vaststelling van die besluiten deze beoordelingsmarge uitgeoefend op een manier die onverenigbaar is met het Unierecht.
112 In de tweede plaats betoogt de Commissie dat zij volgens vaste rechtspraak niet alleen tegen een administratieve praktijk een niet-nakomingsprocedure kan inleiden, maar dit ook kan doen in individuele gevallen waarin het Unierecht onjuist is toegepast.
113 Daarenboven staat de omstandigheid dat op nationaal niveau een beroep is ingesteld tegen een besluit er niet aan in de weg dat de Commissie in het kader van een niet-nakomingsprocedure kan aanvoeren dat dit besluit niet in overeenstemming is met het Unierecht, in het bijzonder wanneer – zoals in het onderhavige geval – de betrokken nationale rechterlijke instanties het Hof geen prejudiciële vraag hebben gesteld.
114 Het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken en het Koninkrijk der Nederlanden ondersteunen het betoog van de Commissie.
b) Beoordeling door het Hof
115 Wat betreft in de eerste plaats het in de punten 107 en 108 van het onderhavige arrest bedoelde middel van niet-ontvankelijkheid, is het juist dat de Commissie weliswaar in bepaalde delen van haar verzoekschrift is ingegaan op de mogelijkheid dat er tegenstrijdigheden bestaan tussen de litigieuze besluiten en nationale regels die als grondslag voor de vaststelling ervan hebben gediend, met name wat betreft het weigeringsbesluit, maar uit dat verzoekschrift blijkt echter duidelijk dat de Commissie uitsluitend wil laten vaststellen dat de litigieuze besluiten of deze regels niet in overeenstemming zijn met meerdere bepalingen van het regelgevingskader van de Unie inzake elektronische communicatie en met artikel 11 van het Handvest.
116 Wat betreft in de tweede plaats de niet-ontvankelijkheidsgrond die verband houdt met het feit dat tegen individuele besluiten geen beroep wegens niet-nakoming kan worden ingesteld, moet om te beginnen worden opgemerkt dat de artikelen 258 en 259 VWEU de toetsing die het Hof in het kader van een beroep wegens niet-nakoming dient te verrichten, niet beperken tot de door de lidstaten vastgestelde bepalingen of handelingen van algemene strekking. Hieruit kan dus worden afgeleid dat ook tegen door de lidstaten vastgestelde besluiten en individuele handelingen een beroep wegens niet-nakoming kan worden ingesteld, indien de Commissie van mening is dat zij in strijd met het Unierecht zijn vastgesteld.
117 Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de Commissie, gelet op haar rol van hoedster van de Verdragen, bij uitsluiting bevoegd is om te beslissen of het opportuun is om een niet-nakomingsprocedure in te leiden, en op grond van welk aan de betrokken lidstaat toe te rekenen handelen of nalaten de procedure moet worden ingeleid. In het kader daarvan heeft het Hof gepreciseerd dat de Commissie het Hof met name kan verzoeken vast te stellen dat in een bepaald geval het door een richtlijn beoogde resultaat niet is bereikt en er dus sprake is van een niet-nakoming (arrest van 10 april 2003, Commissie/Duitsland, C‑20/01 en C‑28/01, EU:C:2003:220, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
118 In dit verband moet evenwel worden opgemerkt dat uit artikel 9, lid 1, van de kaderrichtlijn met name blijkt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de toewijzing van het spectrum van radiofrequenties door de nationale regelgevende instanties gebaseerd is op objectieve, transparante, niet-discriminerende en evenredige criteria. In deze bepaling wordt gepreciseerd dat deze verplichting zowel geldt voor de afgifte van algemene machtigingen als voor de afgifte van individuele gebruiksrechten voor dergelijke radiofrequenties.
119 Onverminderd de verplichting van de Commissie om aan de op haar rustende bewijslast te voldoen, heeft het Hof derhalve reeds erkend dat een beroep wegens niet-nakoming betrekking kan hebben op een individuele handeling of individueel besluit.
120 Daarenboven heeft het Hof in zijn rechtspraak over de mogelijkheid om ten aanzien van een bestuurspraktijk een beroep wegens niet-nakoming in te stellen, enkel weergegeven aan welke voorwaarden een dergelijke praktijk voor de instelling van een beroep wegens niet-nakoming moet voldoen, en zich er niet over uitgesproken of het al dan niet mogelijk is om een dergelijk beroep in te stellen tegen een individuele handeling of individueel besluit.
121 Ten slotte wijst niets in de artikelen 258 en 259 VWEU of in de rechtspraak van het Hof erop dat er geen beroep wegens niet-nakoming openstaat tegen een dergelijk individueel besluit, wanneer de nationale beroepen die tegen dit besluit zijn ingesteld door de nationale rechterlijke instanties zijn afgewezen bij beslissingen die gezag van gewijsde hebben.
122 Gelet op het voorgaande moeten de door Hongarije aangevoerde middelen van niet-ontvankelijkheid worden afgewezen wat betreft de ten aanzien van de litigieuze besluiten aangevoerde grieven.
2. Ontvankelijkheid van de grief inzake schending van het beginsel van loyale samenwerking
123 In de eerste vordering van haar verzoekschrift stelt de Commissie dat Hongarije het beginsel van loyale samenwerking heeft geschonden.
124 Deze instelling vermeldt dit beginsel echter niet bij de uiteenzetting van de grieven waarop het onderhavige beroep is gebaseerd, noch in het betoog dat zij ter staving van die grieven heeft aangevoerd.
125 Bijgevolg is dit beroep niet-ontvankelijk voor zover het ertoe strekt te doen vaststellen dat Hongarije het beginsel van loyale samenwerking heeft geschonden.
C. Ten gronde
126 Ter onderbouwing van haar beroep voert de Commissie vier reeksen grieven aan.
127 De eerste reeks grieven, die betrekking heeft op § 48, lid 7, van de mediawet en het weigeringsbesluit, betreft de schending van de artikelen 5, 7 en 10 van de machtigingsrichtlijn, artikel 4 van de mededingingsrichtlijn, artikel 9 van de kaderrichtlijn, alsook van de beginselen van evenredigheid, non-discriminatie en behoorlijk bestuur. De tweede reeks, die betrekking heeft op de litigieuze aanbesteding en het nietigverklaringsbesluit, betreft de schending van artikel 5, leden 2 en 3, van de machtigingsrichtlijn, van de artikelen 8 en 9 van de kaderrichtlijn en van artikel 45 van richtlijn 2018/1972. De derde reeks, die betrekking heeft op § 65, lid 11, van de mediawet, betreft de schending van artikel 45, lid 1, van richtlijn 2018/1972 en van de beginselen van evenredigheid en non-discriminatie. De vierde reeks grieven betreft schending van artikel 11 van het Handvest.
1. Grieven betreffende § 48, lid 7, van de mediawet en het weigeringsbesluit
128 De Commissie betoogt in wezen dat Hongarije de verplichtingen niet is nagekomen die op die lidstaat rusten krachtens de artikelen 5, 7 en 10 van de machtigingsrichtlijn, artikel 4 van de mededingingsrichtlijn, artikel 9 van de kaderrichtlijn en de beginselen van evenredigheid en non-discriminatie. Deze niet-nakomingen vloeien voort uit, ten eerste, de vaststelling van het weigeringsbesluit door de mediaraad, ten tweede, de vaststelling van § 48, lid 7, van de mediawet, op grond waarvan de verlenging van gebruiksrechten voor het radiospectrum in het kader van FM-radio-uitzendingen automatisch is uitgesloten indien de houder van de rechten zijn verplichting om gegevens over uitzendquota door te geven meermaals niet is nagekomen, ook wanneer de gepleegde inbreuken onbeduidend zijn, puur formeel zijn en reeds bestraft zijn met boetes, wat vervolgens heeft geleid tot volledige naleving, en ten derde, de omstandigheid dat het Klubrádió als gevolg daarvan op discriminerende en onevenredige wijze onmogelijk werd gemaakt zijn activiteiten in de radio-omroepsector voort te zetten.
129 Voorts verwijt de Commissie Hongarije dat het zijn verplichtingen krachtens artikel 5, lid 3, van de machtigingsrichtlijn en het beginsel van behoorlijk bestuur niet is nagekomen door niet binnen de in dit besluit voorziene termijn van zes weken een besluit te nemen over de aanvraag van Klubrádió voor de verlenging van zijn gebruiksrechten voor radiospectrum.
a) Grief inzake schending van het evenredigheidsbeginsel
1) Argumenten van partijen
130 De Commissie betoogt dat § 48, lid 7, van de mediawet, of althans de wijze waarop de mediaraad deze bepaling op Klubrádió heeft toegepast, niet in overeenstemming is met de artikelen 5, 7 en 10 van de machtigingsrichtlijn, artikel 4 van de mededingingsrichtlijn en artikel 9 van de kaderrichtlijn, en in het bijzonder met het in die artikelen neergelegde evenredigheidsbeginsel.
131 In de eerste plaats betoogt de Commissie dat het weigeringsbesluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel omdat de weigering om het recht van Klubrádió te verlengen om mediadiensten aan te bieden uitsluitend is gebaseerd op het feit dat dit radiostation gedurende de zeven jaar van de geldigheid van de uitzendovereenkomst van Klubrádió tweemaal inbreuk heeft gepleegd op de verplichting om gegevens over uitzendquota door te geven.
132 De Commissie is van mening dat de weigering om het recht te verlengen om mediadiensten aan te bieden, neerkomt op een sanctie. Zij baseert zich in dit verband op de ernst van de gevolgen die volgens de Hongaarse wetgeving voor een aanbieder van mediadiensten voortvloeien uit deze weigering, te weten, ten eerste, de onmogelijkheid om inhoud te blijven aanbieden op een radiofrequentie, tenzij hij bij een nieuwe aanbesteding wordt geselecteerd, en, ten tweede, indien die aanbesteding geen resultaat oplevert, de onmogelijkheid om een tijdelijke bestuursrechtelijke overeenkomst te sluiten om die inhoud op de betrokken radiofrequentie te blijven aanbieden totdat er een andere nieuwe aanbesteding is afgesloten.
133 In dit verband verwijst de Commissie naar de rechtspraak van het Hof, waaruit blijkt dat bij de beoordeling van de evenredigheid van een sanctie rekening moet worden gehouden met de aard en de ernst van de inbreuk die deze sanctie beoogt te bestraffen, en dat de sanctie voldoende moet kunnen worden aangepast aan de ernst van de inbreuk.
134 Voorts is de Commissie van mening dat de weigering om het recht te verlengen om mediadiensten aan te bieden vergelijkbaar is met de intrekking of opschorting van dat recht. Een dergelijke intrekking of opschorting is een van de verst gaande sancties, die overeenkomstig artikel 10, lid 5, van de machtigingsrichtlijn alleen met naleving van het evenredigheidsbeginsel mogen worden opgelegd en uitsluitend bij ernstige of herhaalde inbreuken op met name de voorwaarden voor de gebruiksrechten voor radiofrequenties.
135 In dit verband benadrukt de Commissie dat de weigering om het recht van Klubrádió te verlengen om mediadiensten aan te bieden geen rechtsgevolg is dat evenredig is aan de ernst van de door dit radiostation gepleegde inbreuken.
136 Ten eerste werd ten tijde van de feiten die de betrokken inbreuken vormen in § 22, lid 8, van de mediawet namelijk geen termijn gesteld voor de nakoming van de verplichting om de gegevens over de uitzendquota door te geven. Ten tweede heeft Klubrádió in de twee in de besluiten nr. 354/2017 en nr. 1224/2017 bedoelde gevallen gedurende de sanctieprocedure aan deze verplichting voldaan. Ten derde heeft de mediaraad op basis van de gegevens die Klubrádió heeft verstrekt om aan die verplichting te voldoen, niet vastgesteld dat de door Klubrádió verspreide uitzendingen niet voldeden aan de op dit radiostation rustende verplichtingen inzake uitzendquota. Ten vierde heeft de mediaraad elk van de twee in die besluiten vastgestelde inbreuken bestraft met een geldboete van 30000 HUF (ongeveer 75 EUR) en 36000 HUF (ongeveer 90 EUR), terwijl volgens § 187, lid 1, van de mediawet de maximumgeldboete voor herhaalde inbreuken 2000000 HUF (5420 EUR) bedraagt, hetgeen aantoont dat die inbreuken onbeduidende inbreuken vormen. Ten vijfde heeft Klubrádió de opgelegde geldboeten betaald en heeft de opgelegde sanctie haar doel bereikt, aangezien de mediaraad na die besluiten niet meer heeft vastgesteld dat Klubrádió andere inbreuken heeft gepleegd.
137 In de tweede plaats betoogt de Commissie dat indien § 48, lid 7, van de mediawet aldus moet worden uitgelegd dat de verlenging van het recht om mediadiensten aan te bieden op grond daarvan automatisch is uitgesloten in alle gevallen waarbij de betrokken aanbieder een herhaalde inbreuk heeft gepleegd, ook wanneer hij meerdere malen zijn verplichting om gegevens betreffende de uitzendquota door te geven te laat is nagekomen, die bepaling in strijd zou zijn met het evenredigheidsbeginsel.
138 Een dergelijke uitlegging van die bepaling laat de mediaraad immers geen enkele ruimte om te beoordelen of de betrokken inbreuk onbeduidend of onvoldoende ernstig is, en of de besluiten inzake de verlenging van het recht om mediadiensten aan te bieden in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel. Deze uitlegging zou dan ook betekenen dat de mediaraad wordt verplicht om besluiten vast te stellen die onverenigbaar zijn met dat beginsel.
139 Indien § 48, lid 7, van de mediawet, gelezen in samenhang met § 185, lid 2, van deze wet, daarentegen aldus moet worden uitgelegd dat de mediaraad een beoordelingsmarge heeft bij de vaststelling van besluiten inzake de verlenging van het recht om mediadiensten aan te bieden, heeft de mediaraad, gelet op de in punt 136 van het onderhavige arrest uiteengezette gegevens, bij de vaststelling van het weigeringsbesluit op een manier van zijn beoordelingsmarge gebruikgemaakt die onverenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel. In een dergelijk geval is alleen dit besluit in strijd met dat beginsel.
140 Als verweer voert Hongarije in de eerste plaats aan dat de weigering om het recht te verlengen om mediadiensten aan te bieden niet tot doel heeft het gedrag te bestraffen van een aanbieder die om verlenging van dat recht heeft verzocht, maar het gevolg is van het feit dat deze aanbieder niet voldoet aan een vooraf vastgesteld vereiste waaraan moet zijn voldaan om recht te hebben op verlenging. Een dergelijke weigering kan met name niet worden gelijkgesteld met de sanctie van intrekking waarin artikel 10, lid 5, van de machtigingsrichtlijn voorziet, aangezien deze sanctie de betrokken uitzendovereenkomst beëindigt vóór het verstrijken van de looptijd van die overeenkomst. De weigering om het recht om mediadiensten aan te bieden te verlengen, heeft slechts gevolgen voor een periode na het verstrijken van die overeenkomst.
141 Derhalve zijn noch de vereisten van artikel 10, lid 5, van de machtigingsrichtlijn, noch de rechtspraak inzake het evenredigheidsbeginsel op het gebied van sancties in casu relevant.
142 Wat in de tweede plaats de vermeende schending van het evenredigheidsbeginsel door § 48, lid 7, van de mediawet betreft, betoogt Hongarije dat het Unierecht aan een nationale regeling waarin is vastgelegd onder welke voorwaarden de mogelijkheid om het recht te verlengen om mediadiensten aan te bieden is uitgesloten zonder dat gebruik kan worden gemaakt van een beoordelingsmarge, niet in de weg staat aangezien vooraf in een wet vastgestelde objectieve voorwaarden uitsluiten dat het recht op willekeurige en discriminerende wijze wordt toegepast.
143 De in de mediawet vastgestelde criteria om te weigeren het recht te verlengen om mediadiensten aan te bieden, zijn objectief, transparant, niet-discriminerend en evenredig, aangezien verlenging slechts is uitgesloten in het geval van ernstige of herhaalde inbreuken die bij definitieve besluiten zijn vastgesteld.
144 De evenredigheid wordt gewaarborgd door het feit dat onbeduidende inbreuken, zoals blijkt uit § 187, lid 5, van de mediawet, geen herhaalde inbreuken kunnen vormen. Evenzo zorgt de wettelijke definitie van de cumulatieve voorwaarden om een inbreuk als een „herhaalde inbreuk” te kunnen kwalificeren, via het progressiviteitsbeginsel ervoor dat de verlenging van het recht om mediadiensten aan te bieden alleen kan worden geweigerd in het geval van de meest ernstige en flagrante inbreuken.
145 Voorts verduidelijkt Hongarije dat de ernst van de betrokken inbreuk niet wordt beoordeeld in het kader van de procedure voor de verlenging van het recht om mediadiensten aan te bieden, aangezien deze procedure geen sanctieprocedure is. De ernst van een bepaalde inbreuk wordt in het kader van een sanctieprocedure beoordeeld door de mediaraad, die met name moet vaststellen of het om een ernstige of herhaalde inbreuk gaat, wat betekent dat hij in het bijzonder moet onderzoeken of die inbreuk niet van geringe ernst is.
146 Ten slotte voegt Hongarije daaraan toe dat de toekenning van een beoordelingsmarge aan de mediaraad impliceert dat deze raad bij zijn beslissing over de verlenging van het recht om mediadiensten aan te bieden opnieuw moet onderzoeken of het gaat over ernstige of herhaalde inbreuken, zoals vastgesteld in een definitief besluit, hetgeen in strijd zou zijn met de beginselen van de rechtsstaat, rechtszekerheid en gelijke behandeling.
147 Wat in de derde plaats de schending van het evenredigheidsbeginsel door het weigeringsbesluit betreft, merkt Hongarije op dat de weigering om het recht van Klubrádió te verlengen om mediadiensten aan te bieden niet het gevolg is van de toepassing van onevenredige bepalingen van de Hongaarse regeling of van een willekeurig besluit van de mediaraad, maar uitsluitend van het feit dat deze raad in definitieve besluiten heeft vastgesteld dat Klubrádió een reeks herhaalde schendingen heeft gepleegd.
148 In dit verband betwist Hongarije het argument van de Commissie dat de in de besluiten nr. 354/2017 en nr. 1224/2017 vastgestelde inbreuken onbeduidende inbreuken vormen.
149 Ten eerste bewijst het feit dat de opgelegde geldboeten gering zijn, immers niet dat het om onbeduidende inbreuken gaat. Om te beginnen geeft het bedrag van deze geldboeten geen enkele aanwijzing over de ernst van de betrokken inbreuken, vooral bij gebreke van vergelijkende gegevens. Voorts heeft de mediaraad bij de vaststelling van dit bedrag rekening gehouden met de financiële situatie van Klubrádió teneinde geen sanctie op te leggen die de exploitatie van dat radiostation onmogelijk of moeilijk zou maken, niet alleen in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel en het progressiviteitsbeginsel, maar ook met het ten tijde van de vaststelling van de besluiten nr. 354/2017 en nr. 1224/2017 geldende wetboek van procesrecht.
150 Ten tweede is de bewering van de Commissie verkeerd dat ten tijde van de feiten die de betrokken inbreuken vormen in § 22, lid 8, van de mediawet geen termijn was gesteld voor de nakoming van de verplichting om de gegevens over de uitzendquota door te geven. De nationale wetgever heeft die bepaling namelijk met ingang van 3 augustus 2011 gewijzigd door te bepalen dat „[d]e aanbieders van mediadiensten [...] verplicht [zijn] om de mediaraad maandelijks gegevens te verstrekken aan de hand waarvan de naleving van de uitzendquota kan worden gecontroleerd.” Het feit dat Klubrádió in het kader van de procedures die hebben geleid tot de vaststelling van de besluiten nr. 354/2017 en nr. 1224/2017, geen enkele verklaring of bezwaar heeft geformuleerd over het vermeende ontbreken van een termijn waarin deze verplichting moet worden nagekomen en dat zij geen beroep tegen die besluiten heeft ingesteld, toont aan dat Klubrádió op de hoogte was van de op hem rustende verplichtingen om gegevens over uitzendquota door te geven, alsook van de besluitvormingspraktijk van de mediaraad dienaangaande.
151 Ten derde rechtvaardigt het belang van de verplichting om gegevens over uitzendquota door te geven de conclusie dat de door Klubrádió gepleegde inbreuken niet onbeduidend zijn. In dit verband merkt Hongarije op dat het niet of te laat doorgeven van deze gegevens het toezicht van de mediaraad op de naleving van de op de betrokken aanbieder rustende verplichtingen op het gebied van uitzendquota belemmert, waardoor deze aanbieder gemakkelijker kan vermijden dat een andere mogelijke inbreuk wordt vastgesteld.
152 Ten vierde doet het feit dat Klubrádió in het kader van de procedures die tot de vaststelling van de besluiten nr. 354/2017 en nr. 1224/2017 hebben geleid, heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting om de gegevens betreffende de uitzendquota door te geven, en het feit dat hij vervolgens de opgelegde geldboeten heeft betaald, niet eraan af dat dit radiostation deze verplichting niet is nagekomen.
153 Het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken en het Koninkrijk der Nederlanden ondersteunen het betoog van de Commissie.
2) Beoordeling door het Hof
i) Toepasselijkheid van artikel 10 van de machtigingsrichtlijn
154 Met haar grief inzake schending van het evenredigheidsbeginsel stelt de Commissie dat het weigeringsbesluit, en eventueel § 48, lid 7, van de mediawet niet in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel, zoals dat niet alleen wordt weergegeven in de artikelen 5 en 7 van de machtigingsrichtlijn, artikel 9 van de kaderrichtlijn en artikel 4 van de mededingingsrichtlijn, maar ook in artikel 10 van de machtigingsrichtlijn.
155 Zoals in de punten 74 en 75 van het onderhavige arrest is uiteengezet, bevatten de artikelen 5 en 7 van de machtigingsrichtlijn, artikel 9 van de kaderrichtlijn en artikel 4 van de mededingingsrichtlijn de regels voor de toewijzing van gebruiksrechten voor radiofrequenties.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 6 maart 2025, C-471/23, ECLI:EU:C:2025:155
- HvJ EU 4 oktober 2024, C-633/22, ECLI:EU:C:2024:843
- HvJ EU 26 september 2024, C-403/23, ECLI:EU:C:2024:805
- HvJ EU 5 december 2023, C-128/22, ECLI:EU:C:2023:951
- HvJ EU 20 april 2023, C-329/21, ECLI:EU:C:2023:303
- HvJ EU 3 februari 2021, C-555/19, ECLI:EU:C:2021:89
- HvJ EU 3 september 2020, C-719/18, ECLI:EU:C:2020:627
- HvJ EU 19 november 2019, C-585/18, ECLI:EU:C:2019:982
- HvJ EU 26 juli 2017, C-560/15, ECLI:EU:C:2017:593
- HvJ EU 26 juli 2017, C-112/16, ECLI:EU:C:2017:597
- HvJ EU 31 januari 2008, C-380/05, ECLI:EU:C:2008:59
- HvJ EU 10 april 2003, C-20/01, ECLI:EU:C:2003:220