Art. 10, Nakoming van de voorwaarden voor de algemene machtiging of voor gebruiksrechten, alsmede van specifieke verplichtingen

1. De nationale regelgevende instanties kunnen eisen dat ondernemingen die onder de algemene machtiging vallende elektronische-communicatienetwerken en -diensten aanbieden of gebruiksrechten hebben ten aanzien van radiofrequenties of nummers, de nodige informatie verstrekken om na te gaan of wordt voldaan aan de voorwaarden voor de algemene machtiging of de gebruiksrechten of aan de specifieke verplichtingen van artikel 6, lid 2, overeenkomstig artikel 11.

2. Indien een nationale regelgevende instantie van oordeel is dat een onderneming niet voldoet aan een of meerdere voorwaarden voor de algemene machtiging of de gebruiksrechten of aan de specifieke verplichtingen van artikel 6, lid 2, deelt zij dit aan de onderneming mee en geeft zij de onderneming een redelijke gelegenheid om haar standpunt kenbaar te maken of een eind te maken aan eventuele inbreuken:

- binnen een maand na de mededeling; hetzij

- een kortere termijn waarmee de onderneming instemt of die in geval van herhaalde inbreuken door de nationale regelgevende instantie wordt bepaald; hetzij

- binnen een langere termijn die door de nationale regelgevende instantie wordt bepaald.

3. Indien de betrokken onderneming binnen de in lid 2 genoemde termijn geen eind maakt aan de inbreuken, neemt de regelgevende instantie de nodige passende en evenredige maatregelen om naleving van de voorwaarden te verzekeren. In dit verband mogen de lidstaten de desbetreffende instanties de bevoegdheid geven om waar zulks passend is geldelijke sancties op te leggen. De maatregelen en de daaraan ten grondslag liggende redenen worden binnen een week na de vaststelling meegedeeld met opgave van een redelijke termijn binnen welke de onderneming aan de maatregel moet voldoen.

4. Niettegenstaande het bepaalde in de leden 2 en 3 kunnen de lidstaten de desbetreffende instantie de bevoegdheid geven om waar zulks passend is geldelijke sancties op te leggen aan ondernemingen die binnen een door de nationale regelgevende instantie bepaalde redelijke termijn geen informatie verstrekken overeenkomstig de verplichtingen uit hoofde van artikel 11, lid 1, onder a) of onder b), van deze richtlijn of van artikel 9 van Richtlijn 2002/19/EG (Toegangsrichtlijn).

5. De nationale regelgevende instanties kunnen, bij ernstige en herhaaldelijke niet-nakoming van de voorwaarden voor de algemene machtiging of de gebruiksrechten of van de specifieke verplichtingen van artikel 6, lid 2, wanneer de in lid 3 van dit artikel bedoelde maatregelen om naleving van de voorwaarden te verzekeren hebben gefaald, een onderneming beletten verder elektronische-communicatienetwerken of -diensten aan te bieden, of de gebruiksrechten opschorten of intrekken.

6. Ongeacht het bepaalde in de leden 2, 3 en 5 kan de betrokken instantie, wanneer zij over bewijzen beschikt dat een inbreuk op de voorwaarden voor de algemene machtiging of de gebruiksrechten of op de specifieke verplichtingen van artikel 6, lid 2, een directe en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid, of ernstige economische of bedrijfstechnische problemen voor andere aanbieders of gebruikers van elektronische-communicatienetwerken of -diensten tot gevolg zal hebben, in afwachting van een definitief besluit tussentijdse spoedmaatregelen nemen om een eind te maken aan de situatie. De betrokken onderneming krijgt vervolgens een redelijke gelegenheid om haar standpunt kenbaar te maken en oplossingen voor te stellen. In voorkomend geval kan de betrokken instantie de tussentijdse maatregelen bevestigen.

7. Ondernemingen hebben het recht beroep in te stellen tegen uit hoofde van dit artikel genomen maatregelen overeenkomstig de in artikel 4 van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn) bedoelde procedure.

Uitspraken die dit artikel aanhalen