HvJ EU 4 oktober 2024, C-633/22, ECLI:EU:C:2024:843
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
4 oktober 2024 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening (EG) nr. 44/2001 – Artikelen 34 en 45 – Erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen – Intrekking van een verklaring van uitvoerbaarheid van beslissingen – Gronden voor weigering – Openbare orde van de aangezochte lidstaat – Veroordeling van een krant en van een van haar journalisten wegens aantasting van de reputatie van een sportclub – Schadevergoeding – Artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Persvrijheid”
In zaak C‑633/22,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) bij beslissing van 28 september 2022, ingekomen bij het Hof op 11 oktober 2022, in de procedure
Real Madrid Club de Fútbol,
AE
tegen
EE,
Société Éditrice du Monde SA,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, L. Bay Larsen, vicepresident, A. Prechal, K. Jürimäe, C. Lycourgos, T. von Danwitz (rapporteur), F. Biltgen en N. Piçarra, kamerpresidenten, S. Rodin, P. G. Xuereb, L. S. Rossi, N. Wahl, I. Ziemele, J. Passer en D. Gratsias, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: R. Şereş, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 oktober 2023,
gelet op de opmerkingen van:
– Real Madrid Club de Fútbol en AE, vertegenwoordigd door C. Angulo Delgado en J. M. Villar Uríbarri, abogados,
– EE en Société Éditrice du Monde SA, vertegenwoordigd door P. Spinosi, avocat,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door B. Fodda en E. Timmermans als gemachtigden,
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, M. Hellmann en J. Simon als gemachtigden,
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Gavela Llopis en A. Pérez-Zurita Gutiérrez als gemachtigden,
– de Maltese regering, vertegenwoordigd door A. Grech, advocate, en D. Sarmiento Ramírez-Escudero, abogado,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Noë, P. J. O. Van Nuffel en W. Wils als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 februari 2024,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 34 en 36 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), gelezen in het licht van artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Real Madrid Club de Fútbol (hierna: „Real Madrid”) en AE, enerzijds, en EE en Société Éditrice du Monde SA, anderzijds, over de tenuitvoerlegging in Frankrijk van een in Spanje gewezen vonnis waarbij EE en genoemde vennootschap zijn veroordeeld om eerstgenoemde partijen schadevergoeding te betalen wegens de immateriële schade die zij hebben geleden door de publicatie van een hen betreffend artikel in de krant Le Monde.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verordening nr. 44/2001
3 De overwegingen 16 tot en met 18 van verordening nr. 44/2001 luidden als volgt: „(16) Op grond van het wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling is het gewettigd de in een lidstaat gegeven beslissingen van rechtswege te erkennen zonder dat daarvoor, behoudens bij betwisting, nog een procedure moet worden gevolgd. (17) Eveneens op grond van dit wederzijds vertrouwen moet de procedure om een in een lidstaat gegeven beslissing in een andere lidstaat uitvoerbaar te verklaren, doeltreffend en snel zijn. De verklaring van uitvoerbaarheid van een beslissing moet daarom vrijwel automatisch, zonder dat het gerecht ambtshalve een van de in deze verordening genoemde gronden voor niet-uitvoering kan aanvoeren, worden afgegeven, na een eenvoudige formele controle van de overgelegde documenten. (18) De eerbiediging van de rechten van de verdediging houdt evenwel in dat de verweerder de mogelijkheid moet hebben in een procedure op tegenspraak een rechtsmiddel in te stellen tegen de verklaring van uitvoerbaarheid, wanneer hij van mening is dat een van de gronden voor niet-uitvoering van toepassing is. Ook de eiser moet een rechtsmiddel kunnen instellen indien zijn verzoek om een verklaring van uitvoerbaarheid wordt afgewezen.”
4 In hoofdstuk III van verordening nr. 44/2001, dat de artikelen 32 tot en met 56 omvatte, waren de regels inzake de erkenning en tenuitvoerlegging in de lidstaten van in een andere lidstaat gegeven beslissingen neergelegd.
5 Artikel 33, lid 1, van deze verordening luidde: „De in een lidstaat gegeven beslissingen worden in de overige lidstaten erkend zonder vorm van proces.”
6 Artikel 34, punt 1, van dezelfde verordening bepaalde: „Een beslissing wordt niet erkend indien: 1. de erkenning kennelijk strijdig is met de openbare orde van de aangezochte lidstaat”.
7 Artikel 36 van verordening nr. 44/2001 bepaalde: „In geen geval wordt overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van de in den vreemde gegeven beslissing.”
8 De artikelen 38 tot en met 52 van verordening nr. 44/2001, die waren opgenomen in hoofdstuk III, afdeling 2, van deze verordening, regelden de exequaturprocedure.
9 Artikel 38, lid 1, van verordening nr. 44/2001 luidde als volgt: „De beslissingen die in een lidstaat gegeven zijn en daar uitvoerbaar zijn, kunnen in een andere lidstaat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard.”
10 Artikel 43, lid 1, van deze verordening luidde: „Elke partij kan een rechtsmiddel instellen tegen de beslissing op het verzoek om een verklaring van uitvoerbaarheid.”
11 Artikel 44 van deze verordening bepaalde: „Tegen de op het rechtsmiddel gegeven beslissing kunnen slechts de in bijlage IV genoemde middelen worden aangewend.”
12 Artikel 45 van diezelfde verordening bepaalde: „1. De verklaring van uitvoerbaarheid wordt door het gerecht dat oordeelt over een rechtsmiddel, bedoeld in de artikelen 43 of 44, slechts op een van de in de artikelen 34 en 35 genoemde gronden geweigerd of ingetrokken. Het gerecht doet onverwijld uitspraak. 2. In geen geval wordt overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van de in den vreemde gegeven beslissing.”
13 In bijlage IV bij verordening nr. 44/2001 stond het volgende: „De rechtsmiddelen die op grond van artikel 44 kunnen worden ingesteld, zijn: – in België, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland: beroep in cassatie, […]”
Verordening nr. 1215/2012
14 Verordening nr. 44/2001 is ingetrokken bij en vervangen door verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).
15 Artikel 66 van verordening nr. 1215/2012 bepaalt: „1. Deze verordening is slechts van toepassing op rechtsvorderingen die zijn ingesteld, authentieke akten die zijn verleden of geregistreerd, en gerechtelijke schikkingen die zijn goedgekeurd of getroffen op of na 10 januari 2015. 2. Niettegenstaande artikel 80 blijft [verordening nr. 44/2001] van toepassing op beslissingen gegeven inzake rechtsvorderingen die zijn ingesteld, op authentieke akten die zijn verleden of geregistreerd, en op gerechtelijke schikkingen die zijn goedgekeurd of getroffen vóór 10 januari 2015 en die onder die verordening vallen.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
16 Op 7 december 2006 heeft de krant Le Monde een artikel gepubliceerd van de hand van EE, een journalist in loondienst van deze krant, waarin werd verklaard dat Real Madrid en Fútbol Club Barcelona gebruik hadden gemaakt van de diensten van de aanstichter van een dopingnetwerk in de wielersport. Tal van media, met name in Spanje, hebben deze publicatie overgenomen. Op 23 december 2006 heeft Le Monde zonder verder commentaar een ingezonden brief van Real Madrid gepubliceerd waarin deze club de gestelde feiten ontkent.
17 Op 25 mei 2007 hebben Real Madrid en AE, een lid van het medisch team van deze club, bij de Juzgado de Primera Instancia de Madrid (rechter in eerste aanleg Madrid, Spanje) tegen Société Éditrice du Monde en EE een vordering ter zake van aansprakelijkheid ingesteld wegens aantasting van hun eer. Bij vonnis van 27 februari 2009 heeft die rechter laatstgenoemde partijen veroordeeld om Real Madrid een bedrag van 300000 EUR en AE een bedrag van 30000 EUR te betalen als vergoeding voor de geleden immateriële schade, en heeft hij tevens de publicatie van dit vonnis in Le Monde en in een Spaanse krant gelast. Dit vonnis is in essentie bevestigd door een beslissing van de Audiencia Provincial de Madrid (rechter in tweede aanleg Madrid, Spanje). Het cassatieberoep tegen deze laatste beslissing is verworpen bij een arrest van de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) van 24 februari 2014.
18 Bij beschikking van 11 juli 2014 heeft de Juzgado de Primera Instancia de Madrid de tenuitvoerlegging van dit arrest van de Tribunal Supremo gelast en Société Éditrice du Monde en EE veroordeeld om Real Madrid een bedrag van 300000 EUR in hoofdsom en 90000 EUR aan rente en kosten te betalen. Bij beschikking van 9 oktober 2014 heeft die rechter eveneens de tenuitvoerlegging van genoemd arrest gelast, alsmede de betaling aan AE van een bedrag van 30000 EUR in hoofdsom en 3000 EUR aan rente en kosten.
19 Op 15 februari 2018 heeft de tribunal de grande instance de Paris (rechter in eerste aanleg Parijs, Frankrijk) twee verklaringen van uitvoerbaarheid afgegeven betreffende het arrest van de Tribunal Supremo van 24 februari 2014 en genoemde beschikkingen.
20 Bij arresten van 15 september 2020 heeft de cour d’appel de Paris (rechter in tweede aanleg Parijs, Frankrijk) deze verklaringen vernietigd op grond dat het arrest en de beschikkingen in kwestie in Frankrijk niet ten uitvoer konden worden gelegd omdat zij kennelijk in strijd waren met de Franse internationale openbare orde. In dit verband heeft de cour d’appel de Paris in de eerste plaats opgemerkt dat de Spaanse rechterlijke instanties verweerders in het hoofdgeding tot schadevergoeding hadden veroordeeld, terwijl Real Madrid zich niet op enige vermogensschade had beroepen. In de tweede plaats is voor de Spaanse rechter enkel besproken wat de weerklank in de media was geweest van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde artikel, dat door Spaanse media was tegengesproken, waardoor de geleden schade beperkt was. In de derde plaats betreffen de veroordelingen tot betaling van 300000 EUR in hoofdsom en 90000 EUR aan rente en kosten een natuurlijke persoon en de uitgeverij van een krant en vertegenwoordigt een dergelijk bedrag 50 % van het nettoverlies en 6 % van de beschikbare middelen van deze onderneming op 31 december 2017. In de vierde plaats komen de veroordelingen tot betaling van 30000 EUR in hoofdsom en 3000 EUR aan rente en kosten aan AE boven op de voornoemde veroordelingen. Ten slotte worden in Frankrijk voor aantasting van de eer of het aanzien van een persoon uiterst zelden schadevergoedingen van meer dan 30000 EUR toegekend, aangezien volgens de Franse wet de strafmaat voor belediging van personen maximaal 12000 EUR bedraagt.
21 De cour d’appel de Paris is tot de slotsom gekomen dat genoemde veroordelingen een afschrikkende werking hadden voor de deelname van een journalist en een persorgaan aan het openbare debat over onderwerpen van maatschappelijk belang, waardoor zij de media konden belemmeren in de uitvoering van hun informerende en controlerende taak, zodat de erkenning of tenuitvoerlegging van de beslissingen waarbij deze veroordelingen zijn uitgesproken, een onaanvaardbare schending van de Franse internationale openbare orde zou vormen, aangezien daarmee inbreuk zou worden gemaakt op de vrijheid van meningsuiting.
22 Real Madrid en AE hebben tegen de uitspraken van de cour d’appel de Paris van 15 september 2020 cassatieberoep ingesteld bij de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk), de verwijzende rechter in de onderhavige zaak, waarbij zij hebben gesteld dat een schadevergoeding enkel op evenredigheid mag worden getoetst indien zij een straf en geen compensatie vormt. Bovendien heeft de cour d’appel de Paris de in het hoofdgeding aan de orde zijnde Spaanse beslissingen herzien door zijn eigen schadebeoordeling in de plaats te stellen van die van de oorspronkelijke rechter, wat in strijd is met artikel 34, punt 1, en artikel 36 van verordening nr. 44/2001. Ten slotte heeft de Franse rechter geen rekening gehouden met de ernst van de door de Spaanse rechter vastgestelde fouten noch met het feit dat de economische situatie van de veroordeelde personen niet relevant was voor de beoordeling van de onevenredigheid van de toegekende schadevergoedingen, die hoe dan ook niet uit het oogpunt van de nationale normen mocht worden verricht.
23 De verwijzende rechter merkt met name op dat volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) artikel 10, lid 2, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), ondertekend te Rome op 4 november 1950, nauwelijks ruimte laat voor beperkingen van de vrijheid van meningsuiting op twee gebieden, namelijk dat van politieke standpunten en dat van kwesties van algemeen belang (EHRM, 23 april 2015, Morice tegen Frankrijk, CE:ECHR:2015:0423JUD002936910, § 125). Een publicatie over sportgerelateerde kwesties behoort tot dit laatste gebied (EHRM, 26 april 2007, Colaço Mestre en SIC – Sociedade Independente de Comunicação, S.A. tegen Portugal, CE:ECHR:2007:0426JUD001118203, § 28). Bovendien vormt de afschrikkende werking van een veroordeling tot betaling van schadevergoeding een factor bij de beoordeling van de evenredigheid van een maatregel tot herstel van schade die het gevolg is van lasterlijke uitlatingen. Wat met name de vrijheid van meningsuiting van journalisten betreft, moet erop worden toegezien dat er geen zodanig hoge schadevergoeding aan mediaondernemingen wordt opgelegd dat hun economisch voortbestaan in gevaar komt (EHRM, 26 november 2013, Błaja News Sp. z o.o. tegen Polen, CE:ECHR:2013:1126JUD005954510, § 71).
24 Tegen deze achtergrond heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moeten de artikelen 34 en 36 van [verordening nr. 44/2001] en artikel 11 van het [Handvest] aldus worden uitgelegd dat een veroordeling wegens aantasting van de reputatie van een sportclub door informatie die is gepubliceerd in een krant, kennelijk inbreuk kan maken op de vrijheid van meningsuiting en bijgevolg een grond voor de weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging kan vormen? 2) Ingeval het antwoord op die vraag bevestigend luidt, moeten die bepalingen dan aldus worden uitgelegd dat de aangezochte rechter de veroordeling slechts onevenredig kan achten indien de schadevergoeding als straf wordt aangemerkt door ofwel de rechter in de lidstaat van herkomst, ofwel de aangezochte rechter, en niet indien zij is toegekend met het oog op het herstel van immateriële schade? 3) Moeten die bepalingen aldus worden uitgelegd dat de aangezochte rechter zich enkel kan baseren op de afschrikkende werking van de veroordeling in het licht van de middelen van de veroordeelde persoon, dan wel aldus dat hij andere elementen in aanmerking kan nemen, zoals de ernst van de fout of de omvang van de schade? 4) Kan de afschrikkende werking in het licht van de middelen van de krant op zichzelf beschouwd een grond zijn om de erkenning of tenuitvoerlegging te weigeren wegens kennelijke schending van het fundamentele beginsel van de persvrijheid? 5) Moet de afschrikkende werking worden opgevat als een bedreiging van het financiële evenwicht van de krant of kan zij enkel bestaan in een intimiderend effect? 6) Moet de afschrikkende werking op dezelfde wijze worden beoordeeld ten aanzien van de uitgeverij van een krant als ten aanzien van een journalist, die een natuurlijke persoon is? 7) Vormt de algemene economische situatie van de geschreven pers een relevante omstandigheid om te beoordelen of de veroordeling, los van het lot van de betreffende krant, een intimiderend effect kan hebben op alle media?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
25 Om te beginnen zij opgemerkt dat het hoofdgeding betrekking heeft op een cassatieberoep betreffende de intrekking krachtens artikel 45, lid 1, van verordening nr. 44/2001 van een verklaring dat een in Spanje gewezen arrest en twee aldaar gegeven beschikkingen in Frankrijk uitvoerbaar zijn, op grond dat de tenuitvoerlegging ervan een kennelijke schending van de in artikel 11 van het Handvest neergelegde vrijheid van meningsuiting zou opleveren.
26 Wat de toepasselijkheid ratione temporis van verordening nr. 44/2001 betreft, bepaalt artikel 66, lid 2, van verordening nr. 1215/2012 dat verordening nr. 44/2001 van toepassing blijft op rechtsvorderingen die vóór 10 januari 2015 zijn ingesteld, en dus ook op beslissingen die naar aanleiding van deze vorderingen zijn gegeven. In het hoofdgeding zijn het arrest en de beschikkingen waarvan de tenuitvoerlegging aan de orde is, gegeven naar aanleiding van een vóór die datum in Spanje ingestelde vordering. Bijgevolg is verordening nr. 44/2001 ratione temporis van toepassing op het hoofdgeding, zoals ook de Europese Commissie heeft opgemerkt.
27 Wat betreft de bepalingen van deze verordening die voor het beantwoorden van de prejudiciële vragen van belang zijn, moet worden vastgesteld dat het cassatieberoep voor de verwijzende rechter een rechtsmiddel is in de zin van artikel 44 van verordening nr. 44/2001, gelezen in samenhang met bijlage IV bij deze verordening. Artikel 45 van deze verordening heeft betrekking op de gronden voor niet-uitvoering waarop de nationale rechter bij wie een rechtsmiddel krachtens genoemd artikel 44 is ingesteld, zijn beslissing kan baseren, waarbij lid 1 verwijst naar de weigeringsgronden van de artikelen 34 en 35 van genoemde verordening, en lid 2, net als artikel 36 van diezelfde verordening, een verbod bevat om de juistheid van de in den vreemde gegeven beslissing waarvan de tenuitvoerlegging aan de orde is, te onderzoeken.
28 In deze omstandigheden moet ervan worden uitgegaan dat de verwijzende rechter met zijn vragen, die samen moeten worden behandeld, in wezen wenst te vernemen of en, zo ja, onder welke voorwaarden de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing waarbij een krantenuitgeverij en een van haar journalisten worden veroordeeld tot vergoeding van de immateriële schade die een sportclub en een van de leden van haar medisch team hebben geleden wegens de aantasting van hun reputatie door de publicatie in de betrokken krant van hen betreffende informatie, krachtens artikel 34, punt 1, juncto artikel 45 van verordening nr. 44/2001 moet worden geweigerd op grond dat zij een kennelijke schending van de in artikel 11 van het Handvest neergelegde persvrijheid en dus van de openbare orde van de aangezochte lidstaat kan vormen.
Artikel 34, punt 1, van verordening nr. 44/2001, gelezen in samenhang met artikel 45 van deze verordening
29 Zoals blijkt uit de overwegingen 16 en 17 van verordening nr. 44/2001, is het stelsel voor de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen waarin deze verordening voorziet, gebaseerd op het wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling binnen de Europese Unie. Een dergelijk vertrouwen vereist niet alleen dat in een lidstaat gegeven rechterlijke beslissingen in een andere lidstaat van rechtswege worden erkend, maar ook dat de procedure om die beslissingen in die andere lidstaat uitvoerbaar te verklaren, doeltreffend en snel is. Volgens overweging 17 van deze verordening mag deze procedure slechts bestaan in een eenvoudige formele controle van de voor de uitvoerbaarverklaring in de aangezochte lidstaat vereiste documenten, waarbij deze uitvoerbaarverklaring vrijwel automatisch wordt afgegeven (zie in die zin arrest van 12 december 2019, Aktiva Finants,C‑433/18, EU:C:2019:1074, punt 23).
30 Bijgevolg worden in een lidstaat gegeven beslissingen krachtens artikel 33, lid 1, van verordening nr. 44/2001 in de overige lidstaten zonder vorm van proces erkend, en worden zij overeenkomstig artikel 38, lid 1, van deze verordening in een andere lidstaat ten uitvoer gelegd nadat zij aldaar, ten verzoeke van enige belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard.
31 Het in deze verordening vastgelegde stelsel van rechtsmiddelen tegen de erkenning of tenuitvoerlegging van beslissingen strekt ertoe, zoals blijkt uit de overwegingen 16 tot en met 18, een juist evenwicht tot stand te brengen tussen het wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling in de Unie, dat rechtvaardigt dat de in een lidstaat gegeven beslissingen in een andere lidstaat in beginsel van rechtswege worden erkend en uitvoerbaar worden verklaard, en de eerbiediging van de rechten van de verdediging, die inhoudt dat de verweerder de mogelijkheid moet hebben om in een procedure op tegenspraak een rechtsmiddel aan te wenden tegen de verklaring van uitvoerbaarheid wanneer hij van mening is dat een van de gronden voor niet-uitvoering van toepassing is (arresten van 28 april 2009, Apostolides,C‑420/07, EU:C:2009:271, punt 73, en 7 juli 2016, Lebek,C‑70/15, EU:C:2016:524, punt 36).
32 In dit verband beperkt artikel 45, lid 1, van verordening nr. 44/2001 de mogelijkheid om de verklaring van uitvoerbaarheid van een beslissing te weigeren of in te trekken tot de in de artikelen 34 en 35 van deze verordening genoemde gronden.
33 Artikel 34, punt 1, van verordening nr. 44/2001 bepaalt dat een beslissing niet wordt erkend indien de erkenning kennelijk strijdig is met de openbare orde van de aangezochte lidstaat.
34 Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet artikel 34 van verordening nr. 44/2001 strikt worden uitgelegd, omdat het de verwezenlijking van een van de fundamentele doelstellingen van deze verordening belemmert. Het mag dan ook slechts in uitzonderlijke gevallen worden ingeroepen (arresten van 28 april 2009, Apostolides,C‑420/07, EU:C:2009:271, punt 55, en 20 juni 2022, London Steam-Ship Owners’ Mutual Insurance Association, C‑700/20, EU:C:2022:488, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35 Wat met name punt 1 van dit artikel 34 betreft, blijven de lidstaten krachtens het in dat punt gemaakte voorbehoud in beginsel weliswaar vrij om de eisen van hun openbare orde vast te leggen overeenkomstig hun nationale recht en praktijk, maar de afbakening van dit begrip is een kwestie van uitlegging van genoemde verordening. Ofschoon het derhalve niet aan het Hof staat om de inhoud van het begrip openbare orde van een lidstaat te definiëren, is het wel zijn taak om toe te zien op de grenzen waarbinnen de rechter van een lidstaat dit begrip kan inroepen om een beslissing van een andere lidstaat niet te erkennen (zie in die zin arresten van 28 april 2009, Apostolides,C‑420/07, EU:C:2009:271, punten 56 en 57, en 16 juli 2015, Diageo Brands,C‑681/13, EU:C:2015:471, punt 42).
36 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 36 en artikel 45, lid 2, van verordening nr. 44/2001, volgens welke de juistheid van de buitenlandse beslissing niet mag worden onderzocht, de rechter van de aangezochte lidstaat verbieden de erkenning of tenuitvoerlegging van deze beslissing te weigeren op de enkele grond dat de door de rechter van de lidstaat van herkomst toegepaste rechtsregel afwijkt van die welke hij zelf zou hebben toegepast indien het geschil bij hem aanhangig was gemaakt. Evenmin mag de rechter van de aangezochte lidstaat de juistheid nagaan van de beoordeling rechtens of feitelijk door de rechter van de staat van herkomst (arresten van 28 april 2009, Apostolides,C‑420/07, EU:C:2009:271, punt 58, en 25 mei 2016, Meroni,C‑559/14, EU:C:2016:349, punt 41).
37 De openbare-ordeclausule van artikel 34, punt 1, van verordening nr. 44/2001 kan dus enkel worden ingeroepen indien de erkenning of de tenuitvoerlegging van de in een andere lidstaat gegeven beslissing op onaanvaardbare wijze zou indruisen tegen de rechtsorde van de aangezochte lidstaat, doordat zij inbreuk zou maken op een fundamenteel beginsel. Het verbod om de juistheid van de buitenlandse beslissing te onderzoeken wordt dus enkel in acht genomen indien de inbreuk bestaat in kennelijke schending van een rechtsregel die in de rechtsorde van de aangezochte staat van essentieel belang wordt geacht, of van een in die rechtsorde als fundamenteel erkend recht (arresten van du 28 april 2009, Apostolides,C‑420/07, EU:C:2009:271, punt 59, en 25 mei 2016, Meroni,C‑559/14, EU:C:2016:349, punt 42).
38 Bijgevolg mag de rechter van de aangezochte lidstaat niet weigeren een beslissing uit een andere lidstaat te erkennen en ten uitvoer te leggen op de enkele grond dat zijns inziens het nationale recht of het Unierecht in die beslissing onjuist is toegepast, aangezien anders het doel van verordening nr. 44/2001 zou worden doorkruist. In dergelijke gevallen moet er integendeel van worden uitgegaan dat het in elke verdragsluitende staat bestaande stelsel van rechtsmiddelen, aangevuld door de prejudiciële procedure van artikel 267 VWEU, de justitiabelen voldoende garanties biedt. De openbare-ordeclausule wordt in dergelijke gevallen enkel gehanteerd wanneer voornoemde onjuiste rechtsopvatting inhoudt dat de erkenning of de tenuitvoerlegging van de beslissing in de aangezochte lidstaat wordt aangemerkt als een kennelijke schending van een fundamentele rechtsregel in de rechtsorde van voornoemde lidstaat (zie in die zin arrest van 28 april 2009, Apostolides,C‑420/07, EU:C:2009:271, punt 60).
39 De omstandigheid dat de betrokken kennelijke schending een regel van het Unierecht en geen regel van het nationale recht van de aangezochte lidstaat betreft, maakt geen verschil voor de voorwaarden waaronder de openbare-ordeclausule van artikel 34, punt 1, van verordening nr. 44/2001 kan worden ingeroepen, ongeacht of het gaat om een regel van materieel recht of van procesrecht. Volgens vaste rechtspraak dient de nationale rechter de uit de nationale rechtsorde voortvloeiende rechten immers even doeltreffend te beschermen als de door de Unierechtsorde verleende rechten. De openbare-ordeclausule moet dus op dezelfde wijze worden toegepast wanneer de erkenning of tenuitvoerlegging van de betrokken beslissing in de aangezochte lidstaat zou leiden tot de kennelijke schending van een fundamentele rechtsregel in de rechtsorde van de Unie of van een recht dat in deze rechtsorde en derhalve in deze lidstaat als fundamenteel wordt erkend (zie in die zin arresten van 16 juli 2015, Diageo Brands,C‑681/13, EU:C:2015:471, punt 48, en 7 september 2023, Charles Taylor Adjusting,C‑590/21, EU:C:2023:633, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat dit met name het geval is voor de op het niveau van de Unie erkende fundamentele rechten (zie in die zin arrest van 28 maart 2000, Krombach,C‑7/98, EU:C:2000:164, punt 38).
41 Aangezien de toepassing van verordening nr. 44/2001 door een nationale rechter een tenuitvoerlegging van het Unierecht in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest vormt, moet deze rechter de vereisten naleven die voortvloeien uit de in het Handvest neergelegde grondrechten, met name wanneer bij hem een vordering krachtens artikel 43 of artikel 44 van verordening nr. 44/2001 wordt ingesteld die ertoe strekt dat wordt nagegaan of er een grond voor weigering van de tenuitvoerlegging bestaat (zie in die zin arresten van 25 mei 2016, Meroni,C‑559/14, EU:C:2016:349, punt 44, en 7 mei 2020, Rina,C‑641/18, EU:C:2020:349, punt 55).
42 In dit verband moet worden opgemerkt dat het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten in het Unierecht van wezenlijk belang is, aangezien het de mogelijkheid biedt om een ruimte zonder binnengrenzen te verwezenlijken en in stand te houden. Dit beginsel vereist, met name wat de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht betreft, dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen [advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014, EU:C:2014:2454, punt 191].
43 Wanneer de lidstaten het recht van de Unie ten uitvoer brengen, kunnen zij dus krachtens dit recht gehouden zijn om aan te nemen dat de andere lidstaten de grondrechten eerbiedigen, zodat zij noch kunnen eisen dat een andere lidstaat een hoger nationaal niveau van bescherming van de grondrechten biedt dan door het Unierecht wordt verzekerd, noch, behoudens uitzonderlijke gevallen, kunnen nagaan of die andere lidstaat in een concreet geval daadwerkelijk de door de Unie gewaarborgde grondrechten heeft geëerbiedigd [advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014, EU:C:2014:2454, punt 192].
44 Alleen wanneer de tenuitvoerlegging van een beslissing in de aangezochte lidstaat zou leiden tot een kennelijke schending van een in het Handvest verankerd grondrecht, is, zoals de advocaat-generaal in punt 189 van zijn conclusie heeft opgemerkt, een rechter van deze lidstaat krachtens artikel 34, punt 1, en artikel 45 van verordening nr. 44/2001 verplicht de tenuitvoerlegging van deze beslissing te weigeren of, in voorkomend geval, de verklaring van uitvoerbaarheid ervan in te trekken.
Artikel 11 van het Handvest
45 Volgens artikel 11, lid 1, van het Handvest heeft eenieder recht op vrijheid van meningsuiting, hetgeen de vrijheid omvat een mening te hebben en de vrijheid kennis te nemen en te geven van informatie of ideeën, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen.
46 Met betrekking tot journalisten en/of uitgevers en persorganen in het kader van de publicatie van een persartikel wordt de vrijheid van meningsuiting en informatie specifiek beschermd door artikel 11, lid 2, van het Handvest, volgens hetwelk de vrijheid en de pluriformiteit van de media moeten worden geëerbiedigd.
47 De in artikel 11 van het Handvest verankerde rechten en vrijheden hebben geen absolute gelding, maar moeten worden beschouwd in relatie tot hun functie in de samenleving (zie in die zin arrest van 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a.,C‑511/18, C‑512/18 en C‑520/18, EU:C:2020:791, punt 120 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48 Zoals blijkt uit artikel 52, lid 1, van het Handvest, staat het Handvest immers beperkingen op de uitoefening van deze rechten en vrijheden toe mits deze beperkingen bij wet worden gesteld, zij de wezenlijke inhoud van genoemde rechten en vrijheden eerbiedigen en, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
49 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat artikel 11 van het Handvest een van de wezenlijke grondslagen van een democratische en pluralistische samenleving vormt en behoort tot de waarden waarop de Unie overeenkomstig artikel 2 VEU berust (zie in die zin arresten van 21 december 2016, Tele2 Sverige en Watson e.a., C‑203/15 en C‑698/15, EU:C:2016:970, punt 93, en 23 april 2020, Associazione Avvocatura per i diritti LGBTI,C‑507/18, EU:C:2020:289, punt 48). Inmengingen in de door dit artikel 11 gewaarborgde rechten en vrijheden moeten daarom in een dergelijke context beperkt blijven tot hetgeen strikt noodzakelijk is (zie in die zin arrest van 6 maart 2001, Connolly/Commissie,C‑274/99 P, EU:C:2001:127, punt 41).
50 Dit geldt in het bijzonder voor inmenging met betrekking tot journalisten, uitgevers en persorganen, gelet op het belang van de pers in een democratische samenleving en een rechtsstaat (zie in die zin arresten van 1 december 2011, Painer,C‑145/10, EU:C:2011:798, punt 113, en 29 juli 2019, Spiegel Online,C‑516/17, EU:C:2019:625, punt 72).
51 Verder hebben de in het Handvest vervatte rechten overeenkomstig artikel 52, lid 3, ervan dezelfde inhoud en reikwijdte als de overeenkomstige rechten die door het EVRM worden gewaarborgd, hetgeen er niet aan in de weg staat dat het Unierecht ruimere bescherming biedt [arrest van 22 juni 2023, K.B. en F.S. (Ambtshalve vaststelling in strafzaken), C‑660/21, EU:C:2023:498, punt 41].
52 Bij de uitlegging van artikel 11 van het Handvest moet het Hof dus rekening houden met de overeenkomstige rechten die worden gewaarborgd door artikel 10 EVRM, zoals uitgelegd door het EHRM, als minimaal beschermingsniveau [zie in die zin arresten van 15 maart 2022, Autorité des marchés financiers,C‑302/20, EU:C:2022:190, punt 67, en 12 januari 2023, Migracijos departamentas (Vervolgingsgronden op basis van politieke overtuiging), C‑280/21, EU:C:2023:13, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
53 Uit vaste rechtspraak van het EHRM blijkt dat uitzonderingen op de vrijheid van meningsuiting strikt moeten worden uitgelegd en dat artikel 10, lid 2, EVRM nauwelijks ruimte laat voor beperkingen van de vrijheid van meningsuiting op het gebied van politieke standpunten en kwesties van algemeen belang (zie in die zin EHRM, 17 december 2004, Pedersen en Baadsgaard tegen Denemarken, CE:ECHR:2004:1217JUD004901799, § 71; EHRM, 23 april 2015, Morice tegen Frankrijk, CE:ECHR:2015:0423JUD002936910, §§ 124 en 125, en EHRM, 17 januari 2017, Tavares de Almeida Fernandes en Almeida Fernandes tegen Portugal, CE:ECHR:2017:0117JUD003156613, § 55).
54 Zaken van algemeen belang zijn kwesties die de legitieme interesse van het publiek kunnen wekken of die de aandacht van het publiek trekken of het publiek kennelijk bezighouden, met name omdat zij het welzijn van burgers of het maatschappelijke leven betreffen. Tot deze categorie behoren kwesties inzake professionele sport (zie in die zin EHRM, 22 februari 2007, Nikowitz en Verlagsgruppe News GmbH tegen Oostenrijk, CE:ECHR:2007:0222JUD000526603, § 25, en EHRM, 27 juni 2017, Satakunnan Markkinapörssi Oy en Satamedia Oy tegen Finland, CE:ECHR:2017:0627JUD000093113, § 171), en dus ook kwesties inzake doping in de professionele sport.
55 In deze context wijst het EHRM op de fundamentele rol die de pers in een democratische samenleving speelt, zodat de waarborgen die eraan moeten worden verleend van bijzonder belang zijn. Hoewel de pers bepaalde grenzen niet mag overschrijden, in het bijzonder wat de bescherming van de reputatie of de rechten van anderen betreft, is het niettemin haar taak om, in overeenstemming met haar plichten en verantwoordelijkheden, informatie en ideeën over alle kwesties van algemeen belang te communiceren. In het andere geval zou de pers haar onmisbare rol van publieke waakhond niet kunnen spelen. Bijgevolg moet een groot gewicht worden toegekend aan het belang dat de democratische samenleving heeft bij het waarborgen en handhaven van de persvrijheid, wanneer overeenkomstig artikel 10, lid 2, EVRM moet worden vastgesteld of de inmenging in kwestie evenredig is aan het nagestreefde legitieme doel (zie in die zin EHRM, 23 september 1994, Jersild tegen Denemarken, CE:ECHR:1994:0923JUD001589089, § 31; EHRM, 21 januari 1999, Fressoz en Roire tegen Frankrijk, CE:ECHR:1999:0121JUD002918395, § 45, en EHRM, 16 juni 2015, Delfi AS tegen Estland, CE:ECHR:2015:0616JUD006456909, § 132).
56 Deze beginselen zijn niet alleen op journalisten van toepassing, maar ook op persuitgevers, die onverkort deelnemen aan de vrijheid van meningsuiting en de plichten en verantwoordelijkheden delen waarnaar wordt verwezen in artikel 10, lid 2, EVRM (zie in die zin EHRM, 15 januari 2009, Orban e.a. tegen Frankrijk, CE:ECHR:2009:0115JUD002098505, § 47).
57 Personen die schade hebben geleden door lasterlijke uitlatingen of andere soorten onwettige inhoud moeten weliswaar over de mogelijkheid beschikken om een vordering ter zake van aansprakelijkheid in te stellen die een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen de aantasting van hun reputatie vormt, maar in elke beslissing tot toekenning van schadevergoeding wegens aantasting van de reputatie moet een redelijke verhouding bestaan tussen het toegekende bedrag en de schade in kwestie (zie in die zin EHRM, 15 februari 2005, Steel en Morris tegen Verenigd Koninkrijk, CE:ECHR:2005:0215JUD006841601, § 96; EHRM, 16 juni 2015, Delfi AS tegen Estland, CE:ECHR:2015:0616JUD006456909, §§ 110 en 131, en EHRM, 17 januari 2017, Tavares de Almeida Fernandes en Almeida Fernandes tegen Portugal, CE:ECHR:2017:0117JUD003156613, § 77).
58 In dit opzicht moet een onderscheid worden gemaakt tussen een veroordeling ten gunste van een rechtspersoon en een veroordeling ten gunste van een natuurlijke persoon, aangezien de aantasting van de reputatie van een natuurlijke persoon gevolgen kan hebben voor zijn waardigheid, terwijl de reputatie van een rechtspersoon geen dergelijke morele dimensie heeft (zie in die zin EHRM, 15 februari 2005, Steel en Morris tegen Verenigd Koninkrijk, CE:ECHR:2005:0215JUD006841601, § 94; EHRM, 19 juli 2011, Uj tegen Hongarije, CE:ECHR:2011:0719JUD002395410, § 22, en EHRM, 11 januari 2022, Freitas Rangel tegen Portugal, CE:ECHR:2022:0111JUD007887313, §§ 48, 53 en 58).
59 Er moet evenwel worden opgemerkt dat het EHRM de evenredigheid van een inmenging ten aanzien van een rechtspersoon en een individu op basis van dezelfde criteria beoordeelt (zie in die zin EHRM, 5 december 2017, Frisk en Jensen tegen Denemarken, CE:ECHR:2017:1205JUD001965712, § 55).
60 Wat de evenredigheid van een sanctie betreft, brengt elke ongerechtvaardigde beperking van de vrijheid van meningsuiting het risico met zich mee dat de berichtgeving in de media over soortgelijke kwesties in de toekomst wordt belemmerd of stilgelegd. Het enkele feit van de veroordeling is van belang, zelfs indien zij slechts van civielrechtelijke aard is en er enkel een lichte sanctie is opgelegd (zie in die zin EHRM, 10 november 2015, Couderc en Hachette Filipacchi associés tegen Frankrijk, CE:ECHR:2015:1110JUD004045407, § 151, en EHRM, 25 februari 2016, Société de conception de presse et d’édition tegen Frankrijk, CE:ECHR:2016:0225JUD000468311, § 49).
61 Volgens de rechtspraak van het EHRM moet met name de grootst mogelijke voorzichtigheid worden betracht wanneer de genomen maatregelen of opgelegde sancties van dien aard zijn dat zij de pers ervan kunnen afbrengen deel te nemen aan de bespreking van kwesties die raken aan een legitiem algemeen belang, en dus een afschrikkend effect kunnen hebben op de uitoefening van de persvrijheid met betrekking tot dergelijke kwesties (zie in die zin EHRM, 20 mei 1999, Bladet Tromsø en Stensaas tegen Noorwegen, CE:ECHR:1999:0520JUD002198093, § 64, en EHRM, 17 december 2004, Cumpănă en Mazăre tegen Roemenië, CE:ECHR:2004:1217JUD 003334896, § 111).
62 In dit verband moet ervan worden uitgegaan dat een schadevergoeding waarvan het bedrag onvoorspelbaar of hoog is in vergelijking met de bedragen die in soortgelijke lasterzaken worden toegekend, een afschrikkend effect kan hebben op de uitoefening van de persvrijheid [zie in die zin EHRM, 7 december 2010, Público – Comunicação Social, S.A. e.a. tegen Portugal, CE:ECHR:2010:1207JUD003932407, § 55, en EHRM, 15 juni 2017, Independent Newspapers (Ireland) Limited tegen Ierland, CE:ECHR:2017:0615JUD002819915, §§ 84 en 85].
63 Gelet op de fundamentele rol van de pers in een democratische samenleving en de waarborgen die zij overeenkomstig de in punt 55 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak moet genieten, is dit in de regel het geval wanneer de veroordeling erin bestaat dat aan de benadeelde partij een vergoeding wordt toegekend die de daadwerkelijk geleden materiële of immateriële schade overstijgt.
64 Een dergelijk afschrikkend effect kan zelfs voortvloeien uit een veroordeling tot betaling van een relatief bescheiden bedrag in vergelijking met de normen die worden toegepast in soortgelijke lasterzaken. Dit is in beginsel het geval wanneer de toegekende bedragen aanzienlijk zijn in verhouding tot de middelen waarover de veroordeelde persoon beschikt (zie in die zin EHRM, 15 februari 2005, Steel en Morris tegen Verenigd Koninkrijk, CE:ECHR:2005:0215JUD006841601, § 96), ongeacht of het een journalist dan wel een persuitgever betreft.
65 Overigens moet bij de beoordeling van de evenredigheid van de toegekende schadevergoeding ook rekening worden gehouden met andere opgelegde sancties, zoals de publicatie van een ontkenning, rechtzetting of formele verontschuldiging, en met de gerechtskosten die aan de veroordeelde worden opgelegd (zie in die zin EHRM, 11 december 2012, Ileana Constantinescu tegen Roemenië, CE:ECHR:2012:1211JUD003256304, § 49; EHRM, 10 november 2015, Couderc en Hachette Filipacchi Associés tegen Frankrijk, CE:ECHR:2015:1110JUD004045407, § 152, en EHRM, 27 juni 2017, Ghiulfer Predescu tegen Roemenië, CE:ECHR:2017:0627JUD002975109, § 61).
Artikel 34, punt 1, en artikel 45 van verordening nr. 44/2001, gelezen in samenhang met artikel 11 van het Handvest
66 Uit het voorgaande volgt dat krachtens artikel 34, punt 1, en artikel 45 van verordening nr. 44/2001 de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing waarbij een krantenuitgeverij en een van haar journalisten worden veroordeeld tot vergoeding van de immateriële schade die een sportclub en een van de leden van haar medisch team hebben geleden wegens de aantasting van hun reputatie door de publicatie in de betrokken krant van hen betreffende informatie, moet worden geweigerd indien zij tot een kennelijke schending van de in artikel 11 van het Handvest neergelegde rechten en vrijheden zou leiden.
67 Een dergelijke kennelijke schending van artikel 11 van het Handvest is immers een aangelegenheid van openbare orde in de aangezochte lidstaat en vormt derhalve een grond voor weigering van tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 34, punt 1, van verordening nr. 44/2001, gelezen in samenhang met artikel 45 ervan.
68 Het staat aan de verwijzende rechter om, gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder niet alleen de financiële middelen van de veroordeelde personen, maar ook de ernst van hun fout en de omvang van de schade zoals vastgesteld in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde beslissingen, te beoordelen of de tenuitvoerlegging van deze beslissingen, overeenkomstig de in de punten 53 tot en met 64 van dit arrest uiteengezette criteria, zou leiden tot een kennelijke schending van de in artikel 11 van het Handvest neergelegde rechten en vrijheden.
69 Daartoe moet de verwijzende rechter nagaan of de schadevergoedingen die bij die beslissingen zijn toegekend kennelijk onevenredig zijn aan de betrokken reputatieschade en dus in de aangezochte lidstaat een afschrikkende werking kunnen hebben voor toekomstige berichtgeving in de media over soortgelijke kwesties of, meer in het algemeen, voor de uitoefening van de persvrijheid zoals neergelegd in artikel 11 van het Handvest.
70 In deze context moet worden verduidelijkt dat de verwijzende rechter weliswaar rekening mag houden met de bedragen die in de aangezochte lidstaat voor vergelijkbare schade worden toegekend, maar dat een verschil tussen deze bedragen en het bedrag van de in genoemde beslissingen toegekende schadevergoeding op zich niet volstaat om automatisch en zonder verder onderzoek vast te stellen dat deze schadevergoeding kennelijk onevenredig is aan de betrokken aantasting van de reputatie.
71 Aangezien de door de verwijzende rechter te verrichten toetsing enkel tot doel heeft een kennelijke schending van de in artikel 11 van het Handvest neergelegde rechten en vrijheden vast te stellen, kan zij bovendien geen toetsing van de door de rechterlijke instanties van de lidstaat van herkomst verrichte beoordelingen ten gronde inhouden, daar een dergelijke toetsing een onderzoek van de juistheid van de gegeven beslissingen vormt en dergelijk onderzoek uitdrukkelijk wordt verboden door artikel 36 en artikel 45, lid 2, van verordening nr. 44/2001. In de onderhavige zaak kan de verwijzende rechter dus met name niet onderzoeken of EE en Société Éditrice du Monde bij de publicatie van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde artikel hun plichten en verantwoordelijkheden zijn nagekomen, en kan hij evenmin de vaststellingen in het arrest van de Tribunal Supremo van 24 februari 2014 met betrekking tot de ernst van de fout van EE of Société Éditrice du Monde of de omvang van de door Real Madrid en AE geleden schade ter discussie stellen.
72 In het licht van de door de verwijzende rechter opgeworpen vragen dient tevens te worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit de punten 58 en 63 van dit arrest, niet kan worden uitgesloten dat die rechter, gelet op alle omstandigheden van de zaak, een kennelijke schending van de persvrijheid als gevolg van de tenuitvoerlegging van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde beslissingen vaststelt ten aanzien van slechts een van de twee verzoekers of een van de twee verweerders op wie deze beslissingen betrekking hebben.
73 Indien hij een kennelijke schending van de persvrijheid vaststelt, dient hij de weigering om genoemde beslissingen ten uitvoer te leggen te beperken tot het in de aangezochte lidstaat kennelijk onevenredige deel van de toegekende schadevergoeding.
74 Uit een en ander volgt dat op de gestelde vragen moet worden geantwoord dat artikel 34, punt 1, en artikel 45 van verordening nr. 44/2001, gelezen in samenhang met artikel 11 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing waarbij een krantenuitgeverij en een van haar journalisten worden veroordeeld tot vergoeding van de immateriële schade die een sportclub en een van de leden van haar medisch team hebben geleden wegens de aantasting van hun reputatie door de publicatie in de betrokken krant van hen betreffende informatie, moet worden geweigerd voor zover zij zou leiden tot een kennelijke schending van de in artikel 11 van het Handvest neergelegde persvrijheid en dus van de openbare orde van de aangezochte lidstaat.
Kosten
75 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
Artikel 34, punt 1, en artikel 45 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, gelezen in samenhang met artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moeten aldus worden uitgelegd dat
de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing waarbij een krantenuitgeverij en een van haar journalisten worden veroordeeld tot vergoeding van de immateriële schade die een sportclub en een van de leden van haar medisch team hebben geleden wegens de aantasting van hun reputatie door de publicatie in de betrokken krant van hen betreffende informatie, moet worden geweigerd voor zover zij zou leiden tot een kennelijke schending van de in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde persvrijheid en dus van de openbare orde van de aangezochte lidstaat.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 7 september 2023, C-590/21, ECLI:EU:C:2023:633
- HvJ EU 22 juni 2023, C-660/21, ECLI:EU:C:2023:498
- HvJ EU 12 januari 2023, C-280/21, ECLI:EU:C:2023:13
- HvJ EU 20 juni 2022, C-700/20, ECLI:EU:C:2022:488
- HvJ EU 15 maart 2022, C-302/20, ECLI:EU:C:2022:190
- HvJ EU 6 oktober 2020, C-511/18, ECLI:EU:C:2020:791
- HvJ EU 7 mei 2020, C-641/18, ECLI:EU:C:2020:349
- HvJ EU 23 april 2020, C-507/18, ECLI:EU:C:2020:289
- HvJ EU 12 december 2019, C-433/18, ECLI:EU:C:2019:1074
- HvJ EU 29 juli 2019, C-516/17, ECLI:EU:C:2019:625
- HvJ EU 21 december 2016, C-203/15, ECLI:EU:C:2016:970
- HvJ EU 7 juli 2016, C-70/15, ECLI:EU:C:2016:524
- HvJ EU 25 mei 2016, C-559/14, ECLI:EU:C:2016:349
- HvJ EU 16 juli 2015, C-681/13, ECLI:EU:C:2015:471
- HvJ EU 1 december 2011, C-145/10, ECLI:EU:C:2011:798
- HvJ EU 28 april 2009, C-420/07, ECLI:EU:C:2009:271
- HvJ EU 28 maart 2000, C-7/98, ECLI:EU:C:2000:164