HvJ EU 20 april 2023, C-329/21, ECLI:EU:C:2023:303
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
20 april 2023 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Telecommunicatie – Elektronischecommunicatienetwerken en -diensten – Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) – Artikel 4, lid 1 – Richtlijn 2002/20/EG (machtigingsrichtlijn) – Artikel 7 – Toewijzing van gebruiksrechten voor frequenties – Veilingprocedure – Holding die in de betrokken lidstaat niet als aanbieder van elektronischecommunicatiediensten is geregistreerd – Uitsluiting van de toewijzingsprocedure – Recht om beroep in te stellen tegen het toewijzingsbesluit”
In zaak C‑329/21,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Fővárosi Törvényszék (rechter voor de agglomeratie Boedapest, Hongarije) bij beslissing van 18 mei 2021, ingekomen bij het Hof op 26 mei 2021, in de procedure
DIGI Communications NV
tegen
Nemzeti Média- és Hírközlési Hatóság Hivatala,
in tegenwoordigheid van:
Magyar Telekom Nyrt.,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, D. Gratsias (rapporteur), M. Ilešič, I. Jarukaitis en O. Spineanu-Matei, rechters,
advocaat-generaal: G. Pitruzzella,
griffier: S. Beer, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 1 juni 2022,
gelet op de opmerkingen van:
– DIGI Communications NV, vertegenwoordigd door A. Keller en M. G. Wellmann, ügyvédek,
– Nemzeti Média- és Hírközlési Hatóság Hivatala, vertegenwoordigd door K. Géczi, A. Kovács en A. Lapsánszky als gemachtigden, en G. Trinn, ügyvéd,
– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door G. Koós als gemachtigde,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Malferrari en K. Talabér-Ritz als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 oktober 2022,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, lid 1 van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 33), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 (PB 2009, L 337, blz. 37) (hierna: „kaderrichtlijn”), van artikel 7 van richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (machtigingsrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 21), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140 (hierna: „machtigingsrichtlijn”) en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen DIGI Communications NV en Nemzeti Média- és Hírközlési Hatóság Hivatala (nationale media-autoriteit, Hongarije; hierna: „NMHH”) over een besluit waarbij NMHH na een veilingprocedure gebruiksrechten voor frequenties ter ondersteuning van de invoering van het 5G-netwerk en andere draadloze breedbanddiensten heeft toegewezen (hierna: „bestreden toewijzingsbesluit”).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Kaderrichtlijn
3 Artikel 4 van de kaderrichtlijn, met als opschrift „Recht van beroep”, bepaalt in lid 1: „De lidstaten zorgen ervoor dat er op nationaal niveau doeltreffende regelingen voorhanden zijn krachtens welke iedere gebruiker of onderneming die elektronischecommunicatienetwerken en/of -diensten aanbiedt, die door een beslissing van een nationale regelgevende instantie [(hierna: ‚NRI’)] is getroffen, het recht heeft om tegen die beslissing beroep in te stellen bij een lichaam van beroep dat onafhankelijk is van de betrokken partijen. Dit lichaam, bijvoorbeeld een rechtbank, bezit de nodige deskundigheid om zijn taken effectief te kunnen uitoefenen. De lidstaten dragen er zorg voor dat de feiten van de zaak op afdoende wijze in aanmerking worden genomen en dat er een doeltreffend mechanisme voor het instellen van beroep aanwezig is. […]”
4 Artikel 8 van deze richtlijn, met als opschrift „Beleidsdoelstellingen en regelgevingsbeginselen”, bepaalt in de leden 2 en 5: „2. De [NRI’s] bevorderen de concurrentie bij de levering van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten en de bijbehorende faciliteiten en diensten, onder meer op de volgende wijze: a) zij zorgen ervoor dat de gebruikers, met inbegrip van gebruikers met een handicap, oudere gebruikers en gebruikers met speciale sociale behoeften optimaal profiteren wat betreft keuze, prijs en kwaliteit; b) zij zorgen ervoor dat er in de sector elektronische communicatie geen verstoring of beperking van de mededinging is, met inbegrip van de doorgifte van inhoud; d) zij bevorderen efficiënt gebruik en zorgen voor een efficiënt beheer van de radiofrequenties en de nummervoorraad. […] 5. Bij het nastreven van de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde beleidsdoelstellingen passen de [NRI’s] objectieve, doorzichtige, niet-discriminerende en proportionele regelgevingsbeginselen toe, onder meer op de volgende wijze: […] c) zij beschermen de concurrentie in het belang van de consument, en bevorderen waar nodig een op infrastructuur gebaseerde concurrentie; […]”
Machtigingsrichtlijn
5 Artikel 2 van de machtigingsrichtlijn, met als opschrift „Definities”, bepaalt: „1. Voor de toepassing van deze richtlijn zijn de in [artikel 2 van de kaderrichtlijn] gegeven definities van toepassing. 2. De volgende definitie is eveneens van toepassing: ‚algemene machtiging’: regelgeving door de lidstaten waarbij rechten worden verleend voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of ‑diensten en specifieke sectorgebonden verplichtingen worden vastgesteld die […] kunnen gelden voor alle of voor specifieke soorten elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, overeenkomstig deze richtlijn.”
6 Artikel 3 van de machtigingsrichtlijn, met als opschrift „Algemene machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten”, luidt als volgt: „1. De lidstaten waarborgen de vrijheid om, mits aan de door deze richtlijn vastgestelde voorwaarden voldaan is, elektronischecommunicatienetwerken en ‑diensten aan te bieden. Te dien einde mogen de lidstaten een onderneming niet beletten elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan te bieden, tenzij dat noodzakelijk is omwille van de in artikel 46, lid 1, van het Verdrag bedoelde redenen. 2. Het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of het aanbieden van elektronischecommunicatiediensten kan, onverminderd de specifieke verplichtingen van artikel 6, lid 2, en de gebruiksrechten van artikel 5, alleen worden onderworpen aan een algemene machtiging. Van de betrokken onderneming kan worden verlangd dat zij een kennisgeving indient, maar niet dat zij een expliciet besluit of andere bestuurshandeling van de [NRI] moet verkrijgen alvorens de uit de machtiging voortvloeiende rechten te kunnen uitoefenen. Na de eventueel vereiste kennisgeving kan een onderneming haar activiteiten aanvangen, waar nodig met inachtneming van de bepalingen inzake gebruiksrechten van de artikelen 5, 6 en 7. […] 3. De in lid 2 bedoelde kennisgeving behelst niet meer dan een verklaring waarmee een natuurlijke of rechtspersoon de [NRI] in kennis stelt van zijn voornemen om te beginnen met het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten en de indiening van de minimale informatie die nodig is om de [NRI] in staat te stellen een register of lijst van aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten bij te houden. Deze informatie moet beperkt blijven tot wat strikt noodzakelijk is voor de identificatie van de aanbieder, zoals de registratienummers van de onderneming, zijn contactpersonen, zijn adres, een korte beschrijving van de dienst of het netwerk, alsmede de datum waarop de activiteiten vermoedelijk van start gaan.”
7 Artikel 6 van de machtigingsrichtlijn, met als opschrift „Voorwaarden die aan de algemene machtiging en de gebruiksrechten voor radiofrequenties en voor nummers kunnen worden verbonden, en specifieke verplichtingen”, bepaalt in lid 1: „De algemene machtiging voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten en de gebruiksrechten voor radiofrequenties en gebruiksrechten voor nummers kunnen alleen aan de in de bijlage genoemde voorwaarden worden onderworpen. Deze voorwaarden moeten niet-discriminerend, evenredig en transparant zijn en in het geval van gebruiksrechten voor radiofrequenties in overeenstemming met artikel 9 van [de kaderrichtlijn].”
8 Artikel 7 van de machtigingsrichtlijn, met als opschrift „Procedure voor het beperken van het aantal gebruiksrechten voor radiofrequenties”, luidt: „1. Wanneer een lidstaat overweegt het aantal gebruiksrechten voor radiofrequenties te beperken of de duur van bestaande rechten te verlengen op andere wijze dan in overeenstemming met de in dergelijke rechten gespecificeerde voorwaarden, dient hij onder meer: a) voldoende rekening te houden met de noodzaak de voordelen voor de gebruikers te maximaliseren en de ontwikkeling van de mededinging te bevorderen, […] 3. Wanneer de verlening van gebruiksrechten voor radiofrequenties moet worden beperkt, verlenen de lidstaten deze rechten op basis van objectieve, transparante, niet-discriminerende en evenredige selectiecriteria. Dergelijke selectiecriteria moeten naar behoren belang hechten aan de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 8 van [de kaderrichtlijn] en aan de eisen van artikel 9 van die richtlijn. […]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
9 Op 18 juli 2019 heeft de NMHH een veilingprocedure gestart voor de toewijzing van gebruiksrechten voor frequenties ter ondersteuning van de invoering van het 5G-netwerk en andere draadloze breedbanddiensten (hierna: „litigieuze veilingprocedure”), overeenkomstig gedetailleerde regels die in de op dezelfde dag gepubliceerde „documentatie” zijn uiteengezet.
10 DIGI Communications, een in Nederland geregistreerde vennootschap die in Hongarije niet als aanbieder van elektronischecommunicatiediensten is geregistreerd, heeft een aanvraag tot deelname aan de litigieuze veilingprocedure ingediend. De NMHH heeft zich op het standpunt gesteld dat deze aanvraag tot deelname formeel ongeldig was, omdat volgens deze autoriteit DIGI Communications misbruik had gemaakt van haar recht op deelname aan deze procedure en haar gedraging erop gericht was de procedure te omzeilen doordat zij had getracht die autoriteit te misleiden.
11 Volgens de NMHH had DIGI Communications namelijk een aanvraag tot deelname ingediend in plaats van haar Hongaarse dochteronderneming, DIGI Távközlési és Szolgáltató Korlátolt Felelősségű Társaság, een in Hongarije geregistreerde vennootschap die aldaar elektronischecommunicatiediensten aanbiedt. Indien deze dochteronderneming een aanvraag tot deelname had ingediend, zou zij van de litigieuze veilingprocedure uitgesloten zijn krachtens een in de documentatie opgenomen uitsluitingsgrond.
12 De NMHH heeft de litigieuze veilingprocedure voortgezet nadat zij had besloten DIGI Communications daarvan uit te sluiten.
13 DIGI Communications is tegen dit besluit tot uitsluiting opgekomen. Haar beroep is in eerste aanleg verworpen, alsmede in tweede aanleg door de Kúria (hoogste rechterlijke instantie, Hongarije).
14 In de tussentijd heeft de NMHH het bestreden toewijzingsbesluit vastgesteld, waarbij zij de gebruiksrechten voor frequenties die het voorwerp van de litigieuze veilingprocedure waren, heeft toegekend aan drie op de Hongaarse markt aanwezige aanbieders van elektronischecommunicatiediensten.
15 Bij de Fővárosi Törvényszék (rechter voor de agglomeratie Boedapest, Hongarije), de verwijzende rechter, heeft DIGI Communications nietigverklaring van het bestreden toewijzingsbesluit gevorderd, waarbij zij haar procesbevoegdheid baseert op haar hoedanigheid van „getroffen onderneming” in de zin van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn.
16 De verwijzende rechter vraagt zich af hoe deze bepaling moet worden uitgelegd. Hij stelt vast dat dit begrip „getroffen onderneming” in de kaderrichtlijn niet is gedefinieerd en beroept zich met name op de arresten van 21 februari 2008, Tele2 Telecommunication (C‑426/05, EU:C:2008:103), en 22 januari 2015, T-Mobile Austria (C‑282/13, EU:C:2015:24). Hij verwijst meer in het bijzonder naar de drie voorwaarden die het Hof heeft onderzocht in de zaken die tot die arresten hebben geleid om te bepalen of een onderneming is getroffen in de zin van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn.
17 Volgens deze rechter houden deze voorwaarden in dat wordt vastgesteld, ten eerste, dat de betrokken onderneming elektronischecommunicatienetwerken of ‑diensten aanbiedt en een concurrent is van de adressaat of adressaten van het besluit van de betrokken NRI, ten tweede, dat dit besluit wordt genomen in het kader van een procedure die de bescherming van de mededinging beoogt, en, ten derde, dat dat besluit van invloed kan zijn op de marktpositie van deze onderneming.
18 In deze omstandigheden heeft de Fővárosi Törvényszék de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd: „1) a) Kan een in een andere lidstaat geregistreerde en werkzame onderneming die zelf geen elektronischecommunicatiediensten aanbiedt op de markt waarop een besluit van een [NRI] als bedoeld in artikel 4, lid 1, van [de kaderrichtlijn] betrekking heeft, maar die rechtstreeks zeggenschap uitoefent over een onderneming die als dienstenaanbieder op die markt aanwezig is en concurrent is van de ondernemingen waaraan het besluit is gericht, worden aangemerkt als concurrent van die ondernemingen? b) Moet voor de beantwoording van de eerste vraag, onder a), worden onderzocht of de moedermaatschappij die beroep wenst in te stellen een economische eenheid vormt met de onder haar zeggenschap staande onderneming die op de betrokken markt als concurrent optreedt? 2) a) Is een veilingprocedure – inzake gebruiksrechten voor frequenties ter ondersteuning van de invoering van het 5G-netwerk en andere draadloze breedbanddiensten – door een [NRI] in de zin van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn en artikel 7 van de machtigingsrichtlijn een procedure die tot doel heeft de mededinging te beschermen? Kan bovendien het besluit van de [NRI] tot vaststelling van de uitkomst van die veilingprocedure aldus worden opgevat dat het de bescherming van de mededinging tot doel heeft? b) Indien het Hof de tweede vraag, onder a), bevestigend beantwoordt, wordt de mededingingsbeschermende doelstelling van het besluit dan beïnvloed door de omstandigheid dat de [NRI] de aanvraag tot deelname van de onderneming die beroep wenst in te stellen bij afzonderlijk besluit definitief heeft geweigerd en dat de onderneming daarom niet aan de veilingprocedure heeft kunnen deelnemen, zodat het besluit waarbij de uitkomst van de procedure wordt vastgesteld, niet tot haar is gericht? 3) a) Moet artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 47 van het [Handvest], aldus worden uitgelegd dat het daarin gewaarborgde recht om tegen een besluit van een [NRI] beroep in te stellen uitsluitend toekomt aan ondernemingen: – waarvan de marktpositie door het besluit rechtstreeks en daadwerkelijk wordt beïnvloed, of – waarvan de marktpositie door het besluit aantoonbaar zeer waarschijnlijk kan worden beïnvloed, of – waarvan de marktpositie door het besluit direct of indirect kan worden beïnvloed? b) Wordt de in derde vraag, onder a), bedoelde beïnvloeding aangetoond door de enkele omstandigheid dat de onderneming een aanvraag tot deelname aan de veilingprocedure heeft ingediend, dat wil zeggen dat zij voornemens was om deel te nemen aan die procedure, hetgeen echter niet is gebeurd omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden, of kan de verwijzende rechter de onderneming daarnaast verzoeken om de beïnvloeding met bewijs te staven? 4) Moet artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 47 van het [Handvest], in het licht van de antwoorden op de eerste tot en met de derde vraag, aldus worden uitgelegd dat een onderneming een aanbieder van elektronischecommunicatiediensten is die getroffen wordt door het besluit van de [NRI] waarbij de uitkomst van de veilingprocedure inzake gebruiksrechten voor frequenties ter ondersteuning van de invoering van het 5G-netwerk en andere draadloze breedbanddiensten wordt vastgesteld, en derhalve recht van beroep heeft, wanneer die onderneming: a) geen economische activiteiten uitoefent waarbij diensten worden verricht op de betrokken markt, maar rechtstreeks zeggenschap heeft over een onderneming die op die markt elektronischecommunicatiediensten aanbiedt, en b) voordat het besluit tot vaststelling van de uitkomst van de veilingprocedure werd genomen, haar aanvraag tot deelname aan die procedure bij een definitief en bindend besluit van de [NRI] geweigerd zag, waardoor zij van verdere deelname aan de veilingprocedure was uitgesloten?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid
19 In haar opmerkingen betoogt de NMHH dat de prejudiciële vragen niet relevant zijn voor de beslechting van het hoofdgeding. Deze autoriteit is in wezen van mening dat de vraag naar de toepassing van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn in casu niet aan de orde is, gelet op het feit dat de Hongaarse rechtsorde voorziet in rechtsmiddelen die ter beschikking staan van ondernemingen die, zoals DIGI Communications, zijn uitgesloten van een veilingprocedure als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, en die na gebruikmaking van deze rechtsmiddelen niet meer kunnen worden geacht te zijn getroffen door een besluit tot beëindiging van een dergelijke procedure.
20 Volgens vaste rechtspraak is het uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid voor de te geven rechterlijke beslissing draagt, om, rekening houdend met de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof dus in beginsel verplicht om daarop te antwoorden. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechterlijke instantie wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is, of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 2 oktober 2018, Ministerio Fiscal, C‑207/16, EU:C:2018:788, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de gestelde vragen met name betrekking hebben op de uitlegging van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn en artikel 7 van de machtigingsrichtlijn. Voorts is de gevraagde uitlegging noodzakelijk voor de beslechting van het hoofdgeding, waarbij niet wordt betwist dat het om een reëel geschil gaat, en heeft de verwijzende rechter in deze beslissing voldoende gegevens, feitelijk en rechtens, verstrekt om het Hof in staat te stellen een nuttig antwoord te geven op deze vragen. Daarenboven hebben de door de NMHH aangevoerde argumenten in wezen betrekking op de werkingssfeer en de draagwijdte en derhalve op de uitlegging van de Unierechtelijke bepalingen die in de prejudiciële vragen aan de orde zijn. Dergelijke argumenten, die betrekking hebben op de kern van de gestelde vragen, kunnen niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van de vragen [zie in die zin arrest van 27 oktober 2022, Proximus (Openbare elektronische abonneelijsten), C‑129/21, EU:C:2022:833, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
22 In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat deze vragen ontvankelijk zijn.
Ten gronde
23 Er zij aan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak is van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen in voorkomend geval te herformuleren. Ook kan het Hof bepalingen van het Unierecht in aanmerking nemen waarnaar in de vraag van de verwijzende rechter niet wordt verwezen (arrest van 14 mei 2020, T-Systems Magyarország, C‑263/19, EU:C:2020:373, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Tweede vraag
24 Met zijn tweede vraag, die als eerste moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 7 van de machtigingsrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat een selectieprocedure voor de toewijzing van gebruiksrechten voor frequenties en het toewijzingsbesluit waartoe deze procedure leidt, de bescherming van de mededinging tot doel hebben en, indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, of het feit dat een dergelijke procedure een fase omvat waarin wordt onderzocht of eventuele aanvragen tot deelname in overeenstemming zijn met het desbetreffende bestek en die kan leiden tot de definitieve uitsluiting van een aanvrager van die procedure, kan worden geacht in strijd te zijn met dat doel.
25 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat artikel 7, lid 1, onder a), van de machtigingsrichtlijn vereist dat de lidstaten, wanneer zij onderzoeken of het opportuun is om het aantal gebruiksrechten voor radiofrequenties te beperken of de duur van bestaande rechten te verlengen op andere wijze dan in overeenstemming met de in dergelijke rechten gespecificeerde voorwaarden, voldoende rekening houden met de noodzaak om de ontwikkeling van de mededinging te bevorderen. Voorts preciseert artikel 7, lid 3, dat wanneer de verlening van die rechten moet worden beperkt, de lidstaten deze rechten verlenen op basis van objectieve, transparante, niet-discriminerende en evenredige selectiecriteria, welke criteria naar behoren belang moeten hechten aan de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 8 van de kaderrichtlijn.
26 Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, legt artikel 8 van de kaderrichtlijn de lidstaten de verplichting op om erop toe te zien dat de NRI’s alle redelijke maatregelen treffen ter bevordering van de mededinging bij de levering van elektronischecommunicatiediensten, door ervoor te zorgen dat er in de sector elektronische communicatie geen verstoring of beperking van de mededinging is en door de laatste belemmeringen voor het verrichten van die diensten op het niveau van de Unie weg te nemen (arrest van 26 juli 2017, Persidera, C‑112/16, EU:C:2017:597, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27 Bovendien is het in casu toepasselijke regelgevingskader met name gebaseerd op de doelstelling van daadwerkelijke en onverstoorde mededinging, en strekt het ertoe deze in het bijzonder te bevorderen onder eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling en het evenredigheidsbeginsel (arrest van 26 juli 2017, Persidera, C‑112/16, EU:C:2017:597, punt 42).
28 Uit het voorgaande volgt dat een procedure als de litigieuze veilingprocedure en dus ook het toewijzingsbesluit waartoe deze procedure leidt, tot doel hebben een daadwerkelijke en onverstoorde mededinging te bevorderen en te ontwikkelen onder eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling en het evenredigheidsbeginsel.
29 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat de verwijzende rechter wenst te vernemen of aan deze doelstelling om een daadwerkelijke en onverstoorde mededinging te bevorderen en te ontwikkelen, afbreuk wordt gedaan door het feit dat de betrokken NRI bij een afzonderlijk besluit heeft geweigerd de aanvraag tot deelname te registreren van een onderneming die daardoor niet meer de adressaat is van het besluit waarbij de betrokken veilingprocedure wordt beëindigd.
30 Wat de procedures voor toewijzing van radiofrequenties betreft, staat het in casu toepasselijke regelgevingskader in beginsel toe dat het aantal toe te kennen gebruiksrechten voor radiofrequenties wordt beperkt vanwege schaarste van die radiofrequenties en ten behoeve van een efficiënt beheer ervan (arrest van 26 juli 2017, Europa Way en Persidera, C‑560/15, EU:C:2017:593, punt 73). De lidstaten hebben in dit verband – binnen de grenzen van de doelstellingen en verplichtingen als neergelegd in het toepasselijke regelgevingskader – keuzevrijheid tussen het organiseren van een op mededinging of vergelijking gebaseerde procedure, ongeacht of deze kosteloos is of niet, waarbij het aan de nationale rechter is om te beoordelen of een dergelijke selectieprocedure strookt met die doelstellingen en verplichtingen (arrest van 26 juli 2017, Europa Way en Persidera, C‑560/15, EU:C:2017:593, punten 65 en 66).
31 Hieruit volgt dat de lidstaten over een beoordelingsmarge beschikken met betrekking tot de aard en de modaliteiten van de procedures voor toewijzing van frequenties die zij organiseren, en dat er in beginsel geen reden is om te oordelen dat een dergelijke procedure geen fase mag omvatten waarin wordt onderzocht of eventuele aanvragen tot deelname stroken met het door de NRI vastgestelde bestek, hetgeen in voorkomend geval inhoudt dat bepaalde entiteiten die een aanvraag tot deelname hebben ingediend van deze procedure worden uitgesloten, mits die procedure, in haar geheel beschouwd, kan worden geacht in overeenstemming te zijn met de vereisten en voorwaarden van artikel 7 van de machtigingsrichtlijn.
32 Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 7 van de machtigingsrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat een selectieprocedure voor de toewijzing van gebruiksrechten voor frequenties en het toewijzingsbesluit waartoe deze procedure leidt, tot doel hebben een daadwerkelijke en onverstoorde mededinging te bevorderen en te ontwikkelen onder eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling en het evenredigheidsbeginsel. Het feit dat een dergelijke procedure een fase omvat waarin wordt onderzocht of eventuele aanvragen tot deelname stroken met het desbetreffende bestek, is niet in strijd met dit doel, mits die procedure in haar geheel beschouwd in overeenstemming is met de vereisten en voorwaarden van dat artikel 7.
Eerste, derde en vierde vraag
33 Er zij meteen aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak artikel 4 van de kaderrichtlijn een uitdrukking vormt van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming, neergelegd in artikel 47 van het Handvest, krachtens hetwelk de rechterlijke instanties van de lidstaten de rechterlijke bescherming dienen te verzekeren van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen (arrest van 13 oktober 2016, Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej en Petrotel, C‑231/15, EU:C:2016:769, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34 In het in artikel 4 van de kaderrichtlijn bedoelde geval moet het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming, waarvan dit artikel uitgaat, ook gelden voor gebruikers en ondernemingen die rechten kunnen ontlenen aan de rechtsorde van de Unie, met name aan de richtlijnen inzake elektronische communicatie, en die door een beslissing van een NRI in die rechten worden aangetast (arrest van 22 januari 2015, T-Mobile Austria, C‑282/13, EU:C:2015:24, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35 Voorts hebben de NRI’s, zoals in punt 26 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, volgens artikel 8, lid 2, van de kaderrichtlijn de verplichting om de mededinging bij de levering van elektronischecommunicatienetwerken en ‑diensten en de bijbehorende faciliteiten en diensten te bevorderen, onder meer door ervoor te zorgen dat er in de sector elektronische communicatie geen verstoring of beperking van de mededinging is. Derhalve is een enge uitlegging van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn, in die zin dat slechts de adressaten van de beslissingen van de NRI’s hiertegen beroep kunnen instellen, moeilijk verzoenbaar met de algemene doelstellingen en de regelgevingsbeginselen die deze NRI’s ingevolge artikel 8 van de kaderrichtlijn in acht dienen te nemen, met name om de mededinging te bevorderen (arrest van 22 januari 2015, T-Mobile Austria, C‑282/13, EU:C:2015:24, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36 Aldus ziet artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn volgens vaste rechtspraak zowel op de adressaten van de betrokken beslissing als op de andere ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken of ‑diensten aanbieden en die concurrenten kunnen zijn van die adressaten, voor zover die beslissing van invloed kan zijn op hun marktpositie (arrest van 22 januari 2015, T-Mobile Austria, C‑282/13, EU:C:2015:24, punt 37).
37 Anders dan de verwijzende rechter lijkt te veronderstellen en zoals ook de advocaat-generaal in punt 24 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan uit deze rechtspraak echter niet worden afgeleid dat de werkingssfeer van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn beperkt is tot – naast die adressaten – uitsluitend de ondernemingen die concurrenten zijn van deze adressaten.
38 Uit de bewoordingen zelf van deze bepaling blijkt namelijk dat de lidstaten verplicht zijn om een recht van beroep toe te kennen aan iedere gebruiker of onderneming die, ten eerste, „elektronischecommunicatienetwerken en/of ‑diensten aanbiedt” en, ten tweede, „is getroffen” door de beslissing van een NRI waartegen hij wil opkomen, zonder dit recht te beperken tot de concurrenten van de adressaat of de adressaten van deze beslissing.
39 Gelet op het voorgaande en gelet op de in punt 23 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, dient te worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn eerste, derde en vierde vraag, die samen moeten worden onderzocht, in wezen wenst te vernemen of artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het een recht van beroep verleent aan een onderneming: – die een aanvraag tot deelname aan een veilingprocedure in de sector elektronische communicatie heeft ingediend, welke procedure wordt gevoerd door de NRI van een andere lidstaat dan die waar deze onderneming is gevestigd en haar activiteiten uitvoert, – die zelf geen elektronischecommunicatiediensten aanbiedt op de markt van de lidstaat waarop deze procedure betrekking heeft, maar die rechtstreeks zeggenschap uitoefent over een onderneming die op die markt aanwezig is, en – ten aanzien waarvan deze NRI bij besluit heeft geweigerd haar aanvraag tot deelname aan die procedure te registreren op grond dat zij niet voldoet aan de gestelde voorwaarden, welk besluit vervolgens definitief is geworden, teneinde op te komen tegen het latere besluit van die NRI tot gunning aan derden van de opdracht waarop de veilingprocedure betrekking had.
40 In dit verband moet worden benadrukt dat de uitlegging door het Hof van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn, dat – zoals in punt 33 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht – een uitdrukking vormt van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming dat in artikel 47 van het Handvest is neergelegd, rekening moet houden met het belang van dit grondrecht zoals dit voortvloeit uit het door het Handvest gecreëerde systeem in zijn geheel. Met name moet er rekening mee worden gehouden dat, ofschoon artikel 52, lid 1, van het Handvest beperkingen aanvaardt op de uitoefening van de daarin vervatte rechten, deze bepaling vereist dat elke beperking de wezenlijke inhoud van het betrokken grondrecht eerbiedigt, en voorts vereist dat elke beperking, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk is en daadwerkelijk beantwoordt aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang (zie in die zin arrest van 4 juni 2013, ZZ, C‑300/11, EU:C:2013:363, punt 51).
41 Volgens vaste rechtspraak moet voor de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd door de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 22 januari 2015, T-Mobile Austria, C‑282/13, EU:C:2015:24, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42 In casu zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat noch de kaderrichtlijn, noch de machtigingsrichtlijn een definitie van het begrip „aanbieder van elektronischecommunicatiediensten” bevat (arrest van 30 april 2014, UPC DTH, C‑475/12,EU:C:2014:285, punt 55). Om de draagwijdte van dit begrip nader te bepalen, moet dus worden gekeken naar het door de machtigingsrichtlijn ingevoerde normatieve kader en naar de doelstellingen van alle relevante bepalingen.
43 Volgens artikel 3 van de machtigingsrichtlijn waarborgen de lidstaten de vrijheid om, mits aan de door deze richtlijn vastgestelde voorwaarden voldaan is, elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan te bieden. Overeenkomstig artikel 3, lid 2, kan het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of het aanbieden van elektronischecommunicatiediensten alleen worden onderworpen aan een algemene machtiging, die volgens artikel 2, lid 2, van die richtlijn regelgeving door de lidstaten vormt waarbij rechten worden verleend voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten en specifieke sectorgebonden verplichtingen worden vastgesteld die kunnen gelden voor alle of voor specifieke soorten elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, overeenkomstig deze richtlijn.
44 Volgens artikel 6, lid 1, van de machtigingsrichtlijn kan de algemene machtiging voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten alleen worden onderworpen aan de in de bijlage bij deze richtlijn genoemde voorwaarden, die niet-discriminerend, evenredig en transparant moeten zijn.
45 Bovendien bepaalt artikel 3, lid 2, tweede volzin, van deze richtlijn dat „van de betrokken onderneming kan worden verlangd dat zij een kennisgeving indient, maar niet dat zij een expliciet besluit of andere bestuurshandeling van de [NRI] moet verkrijgen alvorens de uit de machtiging voortvloeiende rechten te kunnen uitoefenen”. Artikel 3, lid 3, preciseert in dit verband dat de in dit lid 2 bedoelde kennisgeving niet meer behelst dan een verklaring waarmee een natuurlijke of rechtspersoon de NRI met name in kennis stelt van „zijn voornemen om te beginnen met het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of ‑diensten”.
46 Uit het voorgaande volgt dat in een lidstaat als Hongarije, die – volgens de ter terechtzitting door de NMHH verstrekte informatie – de betrokken ondernemingen verplicht een kennisgeving in de zin van artikel 3, lid 2, van de machtigingsrichtlijn in te dienen, deze ondernemingen de betreffende kennisgeving pas moeten indienen op het moment dat zij voornemens zijn te beginnen met het daadwerkelijk aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of ‑diensten. Aldus kan niet worden uitgesloten dat een onderneming die voornemens is een dergelijke activiteit aan te bieden, kan deelnemen aan een procedure als de litigieuze veilingprocedure alvorens een dergelijke kennisgeving bij de betrokken NRI in te dienen.
47 Gelet op deze vaststelling zou dit, indien alleen aan ondernemingen die reeds een kennisgeving bij de bevoegde NRI hebben ingediend de hoedanigheid wordt toegekend van een onderneming die „elektronischecommunicatienetwerken en/of ‑diensten aanbiedt” voor de toepassing van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn, erop neerkomen dat elke nieuwe speler die tot de markt wil toetreden, daaronder begrepen exploitanten die het initiatief hebben genomen om een aanvraag tot deelname aan een veilingprocedure in te dienen teneinde daadwerkelijk tot die markt toe te treden, in beginsel wordt uitgesloten van de door deze bepaling geboden rechterlijke bescherming. Een dergelijke uitlegging van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn, gelezen in samenhang met bovengenoemde bepalingen van de machtigingsrichtlijn, zou de wezenlijke inhoud van het in artikel 47 van het Handvest neergelegde grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte niet eerbiedigen, aangezien dergelijke exploitanten daardoor elke mogelijkheid wordt ontnomen om op te komen tegen een besluit dat voor hen bezwarend kan zijn, in strijd met zowel de in punt 26 van het onderhavige arrest vermelde doelstellingen als de in de punten 33 tot en met 36 van dit arrest aangehaalde rechtspraak.
48 Om te kunnen worden aangemerkt als onderneming die „elektronischecommunicatienetwerken en/of -diensten aanbiedt” in de zin van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn, hoeft een onderneming dus niet noodzakelijkerwijs bij de bevoegde instanties van de betrokken lidstaat een formele kennisgeving te hebben ingediend in de gevallen waarin een dergelijke kennisgeving door het recht van die lidstaat wordt verlangd krachtens artikel 3, lid 2, van de machtigingsrichtlijn, en hoeft zij, meer in het algemeen, evenmin reeds op de markt van die lidstaat aanwezig te zijn, mits deze onderneming voldoet aan de objectieve voorwaarden die in die lidstaat gelden voor de algemene machtiging als bedoeld in laatstgenoemde bepaling, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
49 Een onderneming die nog niet tot de markt is toegetreden maar een aanvraag tot deelname aan een procedure als de litigieuze veilingprocedure heeft ingediend, wordt aldus geacht te voldoen aan de in het vorige punt genoemde vereisten, mits zij aan die objectieve voorwaarden voldoet, en dit ongeacht of zij een dochteronderneming heeft die wel op de markt aanwezig is.
50 Wat in de tweede plaats de voorwaarde van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn betreft dat een onderneming „getroffen” moet zijn door de beslissing van een NRI waartegen zij wil opkomen, moet deze voorwaarde worden geacht te zijn vervuld wanneer deze beslissing van invloed kan zijn op de marktpositie van die onderneming of wanneer de rechten die deze onderneming aan het Unierecht ontleent, door die beslissing kunnen worden aangetast (zie in die zin arresten van 21 februari 2008, Tele2 Telecommunication, C‑426/05, EU:C:2008:103, punten 32 en 39, en 22 januari 2015, T-Mobile Austria, C‑282/13, EU:C:2015:24, punt 37). Aan deze voorwaarde is dus voldaan wanneer de betrokken onderneming wegens de inhoud van de beslissing van de NRI en wegens de activiteit die zij uitoefent of voornemens is uit te oefenen, door deze beslissing in haar rechten kan worden aangetast (zie in die zin arrest van 24 april 2008, Arcor, C‑55/06, EU:C:2008:244, punt 176).
51 Bijgevolg is een onderneming die een aanvraag tot deelname aan een procedure als de litigieuze veilingprocedure heeft ingediend, getroffen – in de zin van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn, zoals uitgelegd door het Hof in de in het vorige punt in herinnering gebrachte rechtspraak – door een beslissing die de NRI aan het einde van deze procedure neemt.
52 De concrete stap van een dergelijke onderneming die erin bestaat om een aanvraag tot deelname aan een veilingprocedure in te dienen teneinde daadwerkelijk toe te treden tot de markt waarop die procedure betrekking heeft, volstaat namelijk in beginsel om vast te stellen dat de beslissing waarbij de NRI deze procedure beëindigt door aan derden de gebruiksrechten voor radiofrequenties toe te kennen die deze onderneming hoopte te verkrijgen, wegens de inhoud ervan gevolgen heeft voor de door deze onderneming beoogde activiteit en bijgevolg de rechten van deze onderneming kan aantasten in de zin van deze bepaling.
53 Het enkele feit dat een dergelijke onderneming bij een definitief geworden besluit is uitgesloten van de veilingprocedure die heeft geleid tot het toewijzingsbesluit waarmee deze procedure werd beëindigd, zoals in casu het geval is – hetgeen de verwijzende rechter evenwel dient na te gaan –, kan die onderneming niet haar hoedanigheid ontnemen van onderneming die door dat toewijzingsbesluit is getroffen in de zin van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn.
54 Voorts is het juist dat het Hof in de context van overheidsopdrachten die vallen onder richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken (PB 1989, L 395, blz. 33), reeds heeft geoordeeld dat het procesbelang van een inschrijver die is uitgesloten van een aanbestedingsprocedure, bij betwisting van het gunningsbesluit niet kan worden ontleend aan het feit dat de betreffende opdracht eventueel aan die inschrijver zou kunnen worden gegund indien de aanbestedende dienst na de nietigverklaring van dat besluit zou besluiten een nieuwe gunningsprocedure in te leiden (beschikking van 17 mei 2022, Estaleiros Navais de Peniche, C‑787/21, niet gepubliceerd, EU:C:2022:414, punt 27).
55 Deze richtlijn bepaalt evenwel in wezen in artikel 2 bis, lid 2, dat de inschrijvers en gegadigden het recht moeten hebben om beroep in te stellen tegen het gunningsbesluit zolang zij „betrokken […] zijn”, in die zin dat zij „niet definitief zijn uitgesloten”. In het arrest van 21 december 2021, Randstad Italia (C‑497/20, EU:C:2021:1037, punten 72 en 75), is het Hof dan ook op grond van die bepaling tot de slotsom gekomen dat dergelijke uitgesloten inschrijvers geen procesbelang hadden.
56 Vastgesteld moet worden dat de kaderrichtlijn geen bepaling bevat die vergelijkbaar is met artikel 2 bis, lid 2, van richtlijn 89/665. Aangezien het gaat om een bepaling die het grondrecht op effectieve rechterlijke bescherming beperkt, en gelet op de in punt 40 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak waarin het belang van het evenredigheidsbeginsel in dit verband wordt benadrukt, is er dus geen reden om dezelfde benadering naar analogie toe te passen bij de uitlegging van artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn, aangezien de wetgever het niet nodig heeft geacht om een dergelijke bepaling in de kaderrichtlijn op te nemen.
57 Derhalve moet worden geoordeeld dat in het kader van een beroep dat een onderneming krachtens artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn heeft ingesteld tegen het toewijzingsbesluit waarbij de veilingprocedure wordt beëindigd waarvoor deze onderneming een aanvraag tot deelname had ingediend, maar waarvan zij is uitgesloten bij een eerder, definitief geworden besluit, het procesbelang van deze onderneming met name kan worden ontleend aan het feit dat deze onderneming eventueel zou kunnen deelnemen aan een nieuwe veilingprocedure voor de toewijzing van dezelfde gebruiksrechten voor radiofrequenties en, in voorkomend geval, rechten zou kunnen worden toegewezen indien de aanbestedende dienst na de nietigverklaring van dat besluit zou besluiten een dergelijke procedure in te leiden.
58 In de derde plaats zij evenwel herinnerd aan het belang dat het beginsel van het gezag van gewijsde zowel in de rechtsorde van de Unie als in de nationale rechtsorden heeft. Om zowel de stabiliteit van het recht en van de rechtsbetrekkingen, als een goede rechtspleging te garanderen, is het immers van belang dat rechterlijke beslissingen die definitief zijn geworden nadat de beschikbare rechtsmiddelen zijn uitgeput of nadat de beroepstermijnen zijn verstreken, niet meer in geding kunnen worden gebracht (arrest van 14 mei 2020, Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság Dél-alföldi Regionális Igazgatóság, C‑924/19 PPU en C‑925/19 PPU, EU:C:2020:367, punt 185 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
59 Wanneer een onderneming werd uitgesloten van een veilingprocedure als de litigieuze veilingprocedure bij een besluit dat definitief is geworden ingevolge een rechterlijke beslissing en deze onderneming krachtens artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn beroep instelt tegen het toewijzingsbesluit waarbij deze procedure werd beëindigd, mag dit beroep dus geen afbreuk doen aan het gezag van gewijsde van die rechterlijke beslissing.
60 In dit verband moet worden benadrukt dat volgens de rechtspraak van het Hof het gezag van gewijsde geldt voor de punten, feitelijk en rechtens, die door de rechter daadwerkelijk of noodzakelijkerwijs zijn beslecht (arrest van 16 juli 2009, Commissie/Schneider Electric,C‑440/07 P, EU:C:2009:459, punt 102 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De toepassing van het beginsel van het gezag van gewijsde in casu hangt dus in principe af van de strekking van het beroep dat DIGI Communications heeft ingesteld tegen het bestreden toewijzingsbesluit, en bijgevolg van de eventuele overlapping tussen deze strekking en die van de rechterlijke beslissing waarbij haar beroep tegen het besluit tot uitsluiting van de litigieuze veilingprocedure definitief is verworpen. Zoals de advocaat-generaal in punt 86 van zijn conclusie in wezen opmerkt, hangt de toepassing van dat beginsel meer bepaald af van de vraag of DIGI Communications opkomt tegen het bestreden toewijzingsbesluit om haar uitsluiting van deze veilingprocedure ter discussie te stellen door aan te voeren dat een onrechtmatige uitsluitingsgrond op haar is toegepast, dan wel of zij de rechtmatigheid betwist van de toewijzing van gebruiksrechten voor frequenties om andere redenen dan die welke haar eigen uitsluiting van die procedure hebben gemotiveerd.
61 Gelet op een en ander dient op de eerste, de derde en de vierde vraag te worden geantwoord dat artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het een recht van beroep verleent aan een onderneming – die een aanvraag tot deelname aan een veilingprocedure in de sector elektronische communicatie heeft ingediend, welke procedure wordt gevoerd door de NRI van een andere lidstaat dan die waar deze onderneming is gevestigd en haar activiteiten uitvoert, – die zelf geen elektronischecommunicatiediensten aanbiedt op de markt van de lidstaat waarop deze procedure betrekking heeft, maar voldoet aan de objectieve voorwaarden die in die lidstaat gelden voor de algemene machtiging als bedoeld in artikel 3, lid 2, van de machtigingsrichtlijn, ongeacht of zij in voorkomend geval zeggenschap uitoefent over een andere onderneming die op die markt aanwezig is, en – ten aanzien waarvan de NRI bij besluit heeft geweigerd haar aanvraag tot deelname aan die procedure te registreren op grond dat zij niet voldoet aan de gestelde voorwaarden, welk besluit definitief is geworden na een rechterlijke beslissing houdende verwerping van het beroep tegen dat besluit, teneinde op te komen tegen het latere besluit van die NRI tot gunning aan derden van de opdracht waarop de veilingprocedure betrekking had, mits het door deze onderneming ingestelde beroep geen afbreuk doet aan het gezag van gewijsde van die rechterlijke beslissing.
Kosten
62 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 7 van richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009, moet aldus worden uitgelegd dat – een selectieprocedure voor de toewijzing van gebruiksrechten voor frequenties en het toewijzingsbesluit waartoe deze procedure leidt, tot doel hebben een daadwerkelijke en onverstoorde mededinging te bevorderen en te ontwikkelen onder eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling en het evenredigheidsbeginsel; – het feit dat een dergelijke procedure een fase omvat waarin wordt onderzocht of eventuele aanvragen tot deelname stroken met het desbetreffende bestek, niet in strijd is met dit doel, mits die procedure in haar geheel beschouwd in overeenstemming is met de vereisten en voorwaarden van dat artikel 7.
2) Artikel 4, lid 1, van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en ‑diensten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat het een recht van beroep verleent aan een onderneming – die een aanvraag tot deelname aan een veilingprocedure in de sector elektronische communicatie heeft ingediend, welke procedure wordt gevoerd door de nationale regelgevende instantie van een andere lidstaat dan die waar deze onderneming is gevestigd en haar activiteiten uitvoert; – die zelf geen elektronischecommunicatiediensten aanbiedt op de markt van de lidstaat waarop deze procedure betrekking heeft, maar voldoet aan de objectieve voorwaarden die in die lidstaat gelden voor de algemene machtiging als bedoeld in artikel 3, lid 2, van richtlijn 2002/20, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140, ongeacht of zij in voorkomend geval zeggenschap uitoefent over een andere onderneming die op die markt aanwezig is, en – ten aanzien waarvan de nationale regelgevende instantie bij besluit heeft geweigerd haar aanvraag tot deelname aan die procedure te registreren op grond dat zij niet voldoet aan de gestelde voorwaarden, welk besluit definitief is geworden na een rechterlijke beslissing houdende verwerping van het beroep tegen dat besluit, teneinde op te komen tegen het latere besluit van die nationale regelgevende instantie tot gunning aan derden van de opdracht waarop de veilingprocedure betrekking had, mits het door deze onderneming ingestelde beroep geen afbreuk doet aan het gezag van gewijsde van die rechterlijke beslissing.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Hongaars.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 27 oktober 2022, C-129/21, ECLI:EU:C:2022:833
- HvJ EU 21 december 2021, C-497/20, ECLI:EU:C:2021:1037
- HvJ EU 14 mei 2020, C-924/19, ECLI:EU:C:2020:367
- HvJ EU 14 mei 2020, C-263/19, ECLI:EU:C:2020:373
- HvJ EU 2 oktober 2018, C-207/16, ECLI:EU:C:2018:788
- HvJ EU 26 juli 2017, C-560/15, ECLI:EU:C:2017:593
- HvJ EU 26 juli 2017, C-112/16, ECLI:EU:C:2017:597
- HvJ EU 13 oktober 2016, C-231/15, ECLI:EU:C:2016:769
- HvJ EU 22 januari 2015, C-282/13, ECLI:EU:C:2015:24
- HvJ EU 30 april 2014, C-475/12, ECLI:EU:C:2014:285
- HvJ EU 4 juni 2013, C-300/11, ECLI:EU:C:2013:363
- HvJ EU 16 juli 2009, C-440/07, ECLI:EU:C:2009:459
- HvJ EU 24 april 2008, C-55/06, ECLI:EU:C:2008:244
- HvJ EU 21 februari 2008, C-426/05, ECLI:EU:C:2008:103