HvJ EU 5 september 2024, C-603/22, ECLI:EU:C:2024:685
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
5 september 2024 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Richtlijn (EU) 2016/800 – Procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure – Toepassingsgebied – Artikel 2, lid 3 – Personen die kinderen waren op het moment dat de strafprocedure tegen hen in gang werd gezet, maar die in de loop van de procedure de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt – Artikel 4 – Recht op informatie – Artikel 6 – Recht op toegang tot een advocaat – Artikel 18 – Recht op rechtsbijstand – Artikel 19 – Voorzieningen in rechte – Toelaatbaarheid van in strijd met procedurele rechten verkregen bewijzen”
In zaak C‑603/22,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Rejonowy w Słupsku (rechter in eerste aanleg Słupsk, Polen) bij beslissing van 26 augustus 2022, ingekomen bij het Hof op 19 september 2022, in de strafprocedure tegen
M.S.,
J.W.,
M.P.,
in tegenwoordigheid van:
Prokurator Rejonowy w Słupsku,
D.G., curator van M.B. en B.B.,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe (rapporteur), kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Derde kamer, N. Piçarra, N. Jääskinen en M. Gavalec, rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: N. Mundhenke, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 15 november 2023,
gelet op de opmerkingen van:
– Prokurator Rejonowy w Słupsku, vertegenwoordigd door T. Rutkowska-Szmydyńska, Prokurator Regionalny w Gdańsku,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna, J. Sawicka en S. Żyrek als gemachtigden,
– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, T. Suchá en J. Vláčil als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Grünheid, K. Herrmann, J. Hottiaux en M. Wasmeier als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 februari 2024,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), van artikel 2 en artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, van richtlijn (EU) 2016/800 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure (PB 2016, L 132, blz. 1), van artikel 12, lid 2, en artikel 13 van richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PB 2013, L 294, blz. 1), van artikel 3 van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PB 2012, L 142, blz. 1), van artikel 7, leden 1 en 2, en artikel 10, lid 2, van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1), alsmede van de beginselen van voorrang, rechtstreekse werking en doeltreffendheid van het Unierecht.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafprocedure die is ingeleid tegen M.S., J.W. en M.P., drie minderjarigen die beschuldigd worden van inbraak in de gebouwen van een oud, verlaten vakantiecentrum, waardoor M.B. en B.B., die vertegenwoordigd worden door de aangestelde curator D.G., schade hebben geleden.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2012/13
3 In de overwegingen 19 en 26 van richtlijn 2012/13 staat te lezen: „(19) Verdachten of beklaagden dienen door de bevoegde autoriteiten onverwijld, mondeling of schriftelijk, te worden ingelicht over de in het nationale recht geldende [procedurele] rechten die essentieel zijn om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen, zoals bepaald in deze richtlijn. Met het oog op een praktische en daadwerkelijke uitoefening van deze rechten dient deze informatie in de loop van de procedure onverwijld te worden verstrekt, uiterlijk vóór het eerste officiële verhoor van de verdachte of beklaagde door de politie of een andere bevoegde autoriteit. […] (26) Bij het verstrekken van informatie aan verdachten of beklaagden overeenkomstig deze richtlijn dienen de bevoegde autoriteiten bijzondere aandacht te hebben voor personen die de inhoud of de betekenis van de informatie niet kunnen begrijpen vanwege bijvoorbeeld hun jeugdige leeftijd of hun mentale of fysieke gesteldheid.”
4 Artikel 2, lid 1, van deze richtlijn bepaalt: „Deze richtlijn geldt voor personen, vanaf het ogenblik waarop de bevoegde autoriteiten van een lidstaat hen ervan in kennis stellen dat zij ervan worden verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan, tot de beëindiging van de procedure, dat wil zeggen, tot de definitieve vaststelling dat zij het strafbare feit al dan niet hebben begaan, met inbegrip van, indien van toepassing, de strafoplegging en de uitkomst in een eventuele beroepsprocedure.”
5 Artikel 3 van die richtlijn luidt: „1. De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden onverwijld informatie krijgen over ten minste de volgende procedurele rechten, zoals die van toepassing zijn op grond van het nationale recht, opdat deze rechten daadwerkelijk kunnen worden uitgeoefend: a) het recht op toegang tot een advocaat; b) het recht op kosteloze rechtsbijstand en de voorwaarden waaronder deze bijstand kan worden verkregen; c) het recht op informatie over de beschuldiging overeenkomstig artikel 6; d) het recht op vertolking en vertaling; e) het zwijgrecht. 2. De lidstaten zien erop toe dat de in lid 1 bedoelde informatie mondeling of schriftelijk en in eenvoudige en toegankelijke bewoordingen wordt verstrekt, waarbij rekening wordt gehouden met eventuele specifieke behoeften van kwetsbare verdachten of beklaagden.”
6 Artikel 8 van diezelfde richtlijn, met als opschrift „Registratie en rechtsmiddelen”, bepaalt: „1. De lidstaten zien erop toe dat wanneer informatie wordt verstrekt aan verdachten of beklaagden overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 6, dit wordt geregistreerd volgens de registratieprocedure waarin het recht van de betrokken lidstaat voorziet. 2. De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden of hun advocaten het recht hebben om, overeenkomstig de procedures waarin het nationale recht voorziet, het eventuele verzuim of de eventuele weigering van de bevoegde autoriteiten om informatie te verstrekken overeenkomstig deze richtlijn, aan te vechten.”
Richtlijn 2013/48
7 De overwegingen 15 en 50 van richtlijn 2013/48 luiden als volgt: „(15) In deze richtlijn wordt verstaan onder ‚advocaat’, eenieder die overeenkomstig het nationale recht, daaronder begrepen op grond van een door een bevoegde instantie verleende machtiging, gekwalificeerd en bevoegd is om verdachten of beklaagden juridisch advies en juridische bijstand te verlenen. […] (50) De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat bij de beoordeling van de verklaringen die de verdachten of beklaagden afleggen of van het bewijs dat is verkregen in strijd met hun recht op een advocaat, of in gevallen waarin overeenkomstig deze richtlijn een afwijking van dat recht was toegestaan, de rechten van de verdediging en het eerlijke verloop van de procedure worden geëerbiedigd. In dit verband dient de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in acht te worden genomen, waarin wordt bepaald dat de rechten van de verdediging in principe onherstelbaar zijn geschonden als belastende verklaringen die tijdens een politieverhoor bij afwezigheid van een advocaat zijn gedaan, worden gebruikt voor een veroordeling. Dit laat onverlet het gebruik van verklaringen voor andere doelen die krachtens het nationale recht zijn toegestaan, zoals de noodzaak om spoedeisende onderzoekshandelingen uit te voeren of om het plegen van andere strafbare feiten of het optreden van ernstige negatieve gevolgen voor een persoon te voorkomen, dan wel de dringende noodzaak om te voorkomen dat strafprocedures substantiële schade wordt toegebracht, wanneer het verlenen van toegang tot een advocaat of het vertragen van het onderzoek onherstelbare schade zou toebrengen aan een lopend onderzoek naar een ernstig misdrijf. Voorts mag dit geen afbreuk doen aan de nationale voorschriften of systemen inzake de toelaatbaarheid van bewijs en mag het de lidstaten niet beletten een systeem te handhaven waarbij al het bestaande bewijs in rechte mag worden aangevoerd zonder dat de toelaatbaarheid ervan afzonderlijk of vooraf wordt beoordeeld.”
8 Artikel 3 van deze richtlijn, met als opschrift „Recht op toegang tot een advocaat in een strafprocedure”, bepaalt: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden recht hebben op toegang tot een advocaat, op een zodanig moment en op zodanige wijze dat de betrokken personen hun rechten van verdediging in de praktijk daadwerkelijk kunnen uitoefenen. 2. De verdachten of beklaagden hebben zonder onnodig uitstel toegang tot een advocaat. In elk geval, hebben de verdachten of beklaagden toegang tot een advocaat vanaf de volgende momenten, ongeacht welk moment het vroegste is: a) voordat zij door de politie of door een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie worden verhoord; b) wanneer de onderzoeks- of andere bevoegde autoriteiten een tot onderzoek of andere vorm van bewijsgaring strekkende handeling verrichten, overeenkomstig lid 3, onder c); c) zonder onnodig uitstel na de vrijheidsbeneming; d) indien zij voor een in strafzaken bevoegde rechtbank zijn opgeroepen, binnen een redelijke termijn voordat zij voor deze rechtbank in rechte verschijnen. 3. Het recht op toegang tot een advocaat houdt het volgende in: a) de lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden het recht hebben de advocaat die hen vertegenwoordigt onder vier ogen te ontmoeten en met hem te communiceren, ook voordat zij door de politie of een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie worden verhoord; b) de lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden het recht hebben dat hun advocaat bij het verhoor aanwezig is en daaraan daadwerkelijk kan deelnemen. Deze deelname geschiedt overeenkomstig procedures in het nationale recht, mits die procedures de daadwerkelijke uitoefening en de essentie van het desbetreffende recht onverlet laten. Wanneer een advocaat aan het verhoor deelneemt, wordt het feit dat dergelijke deelname heeft plaatsgevonden, geregistreerd door gebruik te maken van de registratieprocedure overeenkomstig het recht van de betrokken lidstaat; c) de lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden ten minste het recht hebben hun advocaat de volgende onderzoekshandelingen of procedures voor het vergaren van bewijsmateriaal te laten bijwonen, mits het handelingen betreft waarin het nationale recht voorziet en waarbij de aanwezigheid van de verdachte of beklaagde is vereist of hem dat is toegestaan: i) meervoudige confrontaties; ii) confrontaties; iii) reconstructies van de plaats van een delict. […] 5. In uitzonderlijke omstandigheden kunnen de lidstaten, uitsluitend in de fase van het voorbereidende onderzoek, tijdelijk afwijken van de toepassing van lid 2, onder c), indien de geografische afstand waarop een verdachte of beklaagde zich bevindt het onmogelijk maakt om het recht op toegang tot een advocaat onverwijld na de vrijheidsbeneming te kunnen waarborgen. 6. In uitzonderlijke omstandigheden kunnen de lidstaten, uitsluitend in de fase van het voorbereidende onderzoek, tijdelijk afwijken van de toepassing van de in lid 3 vastgestelde rechten, indien en voor zover, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, een of meer van de volgende dwingende redenen zulks rechtvaardigen: a) indien er sprake is van een dringende noodzaak om ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen; b) indien onmiddellijk optreden door de onderzoeksautoriteiten noodzakelijk is om te voorkomen dat de strafprocedure substantiële schade wordt toegebracht.”
9 Artikel 12 van die richtlijn, „Rechtsmiddelen”, is als volgt geformuleerd: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten of beklaagden in strafprocedures alsmede gezochte personen in een procedure ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel, op grond van het nationale recht over een doeltreffende voorziening in rechte beschikken in gevallen waarin hun rechten op grond van deze richtlijn zijn geschonden. 2. Onverminderd nationale bepalingen en stelsels inzake de toelaatbaarheid van bewijs zorgen de lidstaten er in strafprocedures voor dat bij de beoordeling van de verklaringen van verdachten of beklaagden of van bewijs dat is verkregen in strijd met hun recht op een advocaat of in gevallen waarin overeenkomstig artikel 3, lid 6, een afwijking van dit recht was toegestaan, de rechten van de verdediging en het eerlijke verloop van de procedure worden geëerbiedigd.”
10 Artikel 13 van dezelfde richtlijn bepaalt: „De lidstaten zorgen ervoor dat bij de toepassing van deze richtlijn rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van kwetsbare verdachten en kwetsbare beklaagden.”
Richtlijn 2016/343
11 In de overwegingen 31 en 44 van richtlijn 2016/343 staat te lezen: „(31) De lidstaten moeten overwegen er zorg voor te dragen dat wanneer aan verdachten of beklaagden informatie wordt verstrekt over rechten uit hoofde van artikel 3 van richtlijn [2012/13], zij eveneens informatie ontvangen betreffende het recht om zichzelf niet te belasten, zoals dit overeenkomstig deze richtlijn wordt toegepast krachtens nationale wetgeving. […] (44) Overeenkomstig het beginsel van de doeltreffendheid van het Unierecht moeten de lidstaten voorzien in passende en doeltreffende voorzieningen in rechte instellen voor het geval van schending van een door het Unierecht aan particulieren toegekend recht. Een doeltreffende voorziening in rechte voor het geval van schending van een van de in deze richtlijn vastgestelde rechten moet, voor zover mogelijk, tot gevolg hebben dat de verdachten of beklaagden in dezelfde positie worden gebracht als die waarin zij zouden hebben verkeerd indien de schending niet had plaatsgevonden, zodat het recht op een eerlijk proces en de rechten van de verdediging worden gewaarborgd.”
12 Artikel 2 van deze richtlijn luidt: „Deze richtlijn is van toepassing op natuurlijke personen die verdachten of beklaagden zijn in strafprocedures. Zij is van toepassing op elk stadium van strafprocedures, vanaf het moment waarop iemand ervan wordt verdacht of beschuldigd een strafbaar feit of een vermeend strafbaar feit te hebben begaan, tot de beslissing inzake de uiteindelijke vaststelling of de betrokkene het strafbaar feit heeft begaan onherroepelijk is geworden.”
13 Artikel 7 van diezelfde richtlijn, „Recht om te zwijgen en recht om zichzelf niet te belasten”, bepaalt in de leden 1 en 2: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten en beklaagden het recht hebben om te zwijgen in verband met het strafbaar feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd. 2. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten of beklaagden het recht hebben om zichzelf niet te belasten.”
14 Artikel 10 van deze richtlijn, „Voorzieningen in rechte”, bepaalt: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten en beklaagden over een doeltreffende voorziening in rechte beschikken wanneer hun rechten uit hoofde van deze richtlijn zijn geschonden. 2. Onverminderd nationale regels en stelsels inzake de toelaatbaarheid van bewijs zorgen de lidstaten ervoor dat bij de beoordeling van door verdachten of beklaagden afgelegde verklaringen of van in strijd met het recht om te zwijgen of het recht om zichzelf niet te belasten verkregen bewijs, de rechten van de verdediging en het eerlijke verloop van het proces worden geëerbiedigd.”
Richtlijn 2016/800
15 De overwegingen 1, 11, 16, 18, 19, 22, 25 tot en met 27 en 29 tot en met 32 van richtlijn 2016/800 luiden: „(1) Deze richtlijn heeft ten doel procedurele waarborgen vast te stellen om te verzekeren dat kinderen, zijnde personen die jonger zijn dan 18 jaar, die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure, deze procedure kunnen begrijpen en volgen en hun recht op een eerlijk proces uit kunnen oefenen, alsook om recidive bij kinderen te voorkomen en om hun sociale integratie te bevorderen. […] (11) Deze richtlijn, of sommige bepalingen ervan, dient ook van toepassing te zijn op personen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure en op gezochte personen die kinderen waren op het moment dat de procedure tegen hen in gang werd gezet, maar nadien de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, en indien de toepassing van deze richtlijn passend is in het licht van alle omstandigheden van de zaak, inclusief de rijpheid en de kwetsbaarheid van de personen in kwestie. […] (16) In sommige lidstaten wordt een aantal lichte strafbare feiten, met name lichte verkeersovertredingen, lichte overtredingen van algemene gemeentelijke verordeningen en lichte schendingen van de openbare orde, als strafbare feiten aangemerkt. In dergelijke situaties zou het onredelijk zijn de bevoegde autoriteiten te verplichten alle rechten te waarborgen waarin deze richtlijn voorziet. Indien het recht van een lidstaat erin voorziet dat voor lichte strafbare feiten geen vrijheidsstraf kan worden opgelegd, dient deze richtlijn derhalve alleen van toepassing te zijn op procedures voor een in strafzaken bevoegde rechtbank. […] (18) Deze richtlijn dient ten uitvoer te worden gelegd met inachtneming van de bepalingen van richtlijn [2012/13] en richtlijn [2013/48]. Gelet op de specifieke behoeften en kwetsbaarheden van kinderen bevat deze richtlijn echter nadere aanvullende waarborgen inzake de informatie die aan kinderen en aan de persoon die het ouderlijk gezag heeft, moet worden verschaft. (19) Kinderen dienen informatie te krijgen over algemene aspecten van het verloop van de procedure. In dit verband dienen zij in het bijzonder een beknopte uitleg te krijgen over de volgende procedurele stappen in de procedure, voor zover dit mogelijk is in het licht van de belangen van de strafprocedure, alsook over de rol van de autoriteiten die bij de procedure betrokken zijn. De te verstrekken informatie hangt af van de omstandigheden van de zaak. […] (22) De lidstaten dienen de persoon die het ouderlijk gezag heeft mondeling en/of schriftelijk te informeren over de toepasselijke procedurele rechten. De informatie dient zo spoedig mogelijk te worden verstrekt en wel zo gedetailleerd als noodzakelijk is om het eerlijke verloop van de procedure en de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van het kind te waarborgen. […] (25) Kinderen die verdachte of beklaagde zijn, hebben recht op toegang tot een advocaat in overeenstemming met richtlijn [2013/48]. Aangezien kinderen kwetsbaar zijn en niet altijd in staat strafprocedures volledig te begrijpen en te volgen, dienen zij in de situaties als bedoeld in deze richtlijn te worden bijgestaan door een advocaat. In die situaties dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat het kind in kwestie door een advocaat wordt bijgestaan indien het kind zelf, of de persoon die het ouderlijk gezag heeft, niet zelf voor een advocaat heeft gezorgd. De lidstaten dienen voor juridische bijstand te zorgen wanneer dit nodig is om ervoor te zorgen dat het kind daadwerkelijk door een advocaat wordt bijgestaan. (26) Bijstand door een advocaat zoals bedoeld in deze richtlijn veronderstelt dat het kind recht heeft op toegang tot een advocaat zoals bedoeld in richtlijn [2013/48]. Wanneer de toepassing van een bepaling van richtlijn [2013/48] het derhalve niet mogelijk maakt dat het kind door een advocaat wordt bijgestaan zoals bedoeld in onderhavige richtlijn, mag een dergelijke bepaling niet van toepassing zijn op het recht van kinderen op toegang tot een advocaat onder richtlijn [2013/48]. Anderzijds mogen de afwijkingen en uitzonderingen met betrekking tot bijstand door een advocaat zoals bedoeld in de onderhavige richtlijn geen invloed hebben op het recht van toegang tot een advocaat in overeenstemming met richtlijn [2013/48], of op het recht op juridische bijstand in overeenstemming met het Handvest en het [Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (EVRM)], en met het nationale recht en ander Unierecht. (27) De bepalingen van deze richtlijn inzake bijstand door een advocaat dienen van toepassing te zijn zonder onnodige vertraging zodra kinderen ervan in kennis worden gesteld dat zij verdachte of beklaagde zijn. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder bijstand door een advocaat verstaan dat het kind rechtsbijstand van een advocaat krijgt en dat het kind tijdens de strafprocedure door een advocaat wordt vertegenwoordigd. Indien het kind ingevolge deze richtlijn tijdens een verhoor moet worden bijgestaan, dient er een advocaat aanwezig te zijn. Bijstand door een advocaat betekent echter niet dat een advocaat aanwezig moet zijn bij elke onderzoekshandeling of handeling voor het vergaren van bewijsmateriaal, onverminderd het recht van het kind om toegang te krijgen tot een advocaat op grond van richtlijn [2013/48]. […] (29) Indien een kind dat aanvankelijk geen verdachte of beklaagde was, zoals een getuige, verdachte of beklaagde wordt, moet dat kind beschikken over het recht beschermd te worden tegen zelfincriminatie en over het zwijgrecht, in overeenstemming met het recht van de Unie en het EVRM, zoals uitgelegd door het [Hof] en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Daarom verwijst deze richtlijn uitdrukkelijk naar de concrete situatie waarin zo’n kind bij verhoor door de politie of een andere rechtshandhavingsinstantie in het kader van een strafprocedure zelf verdachte of beklaagde wordt. Indien een kind dat niet verdachte of beklaagde was tijdens zo’n verhoor, een verdachte of beklaagde wordt, dient het verhoor te worden onderbroken tot het kind ervan in kennis is gesteld dat hij of zij een verdachte of beklaagde is en wordt bijgestaan door een advocaat in overeenstemming met deze richtlijn. (30) Op voorwaarde dat dit strookt met het recht op een eerlijk proces, moeten de lidstaten kunnen afwijken van de verplichting om bijstand door een advocaat toe te staan indien dit niet evenredig is in het licht van de omstandigheden van de zaak, waarbij geldt dat de belangen van het kind altijd de eerste overweging dienen te vormen. In ieder geval dienen kinderen door een advocaat te worden bijgestaan wanneer zij voor een bevoegde rechtbank of rechter verschijnen met het oog op een besluit over detentie in elk stadium van de procedure die in het toepassingsgebied van deze richtlijn valt, alsook tijdens detentie. Verder mag vrijheidsbeneming niet als straf in een strafprocedure worden opgelegd tenzij het kind op zodanige wijze is bijgestaan door een advocaat dat het zijn rechten van verdediging doeltreffend heeft kunnen uitoefenen en, in ieder geval, tijdens de behandeling van zijn zaak voor een rechtbank. De lidstaten dienen in dit verband praktische regelingen te kunnen vaststellen. (31) De lidstaten moeten tijdelijk kunnen afwijken van de verplichting om voor bijstand door een advocaat te zorgen in de voorbereidende fase van het onderzoek om dwingende redenen, namelijk indien het urgent noodzakelijk is om ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de lichamelijke integriteit van een persoon af te wenden, of indien de onderzoeksautoriteiten onmiddellijk maatregelen moeten nemen om een substantieel gevaar voor de strafprocedure in verband met een ernstig strafbaar feit te voorkomen, onder andere om informatie te verzamelen in verband met de vermeende mededaders van een ernstig strafbaar feit, of om te voorkomen dat belangrijk bewijsmateriaal in verband met een ernstig strafbaar feit verloren gaat. Zolang een tijdelijke afwijking om een van die dwingende redenen van kracht is, moeten de bevoegde autoriteiten kinderen kunnen verhoren zonder dat een advocaat aanwezig is, op voorwaarde dat zij van hun zwijgrecht op de hoogte zijn gebracht en dat recht kunnen uitoefenen en dat dergelijk verhoor de rechten van de verdediging, inclusief het recht van de betrokkene om zichzelf niet te beschuldigen, niet schaadt. Verhoren moeten mogelijk zijn voor zover nodig en uitsluitend om informatie te verzamelen die essentieel is voor het afwenden van ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de lichamelijke integriteit van een persoon, of voor het voorkomen van een substantieel gevaar voor strafprocedures. Elk misbruik van deze tijdelijke afwijking zorgt in beginsel voor een onherstelbare schending van de rechten van de verdediging. (32) De lidstaten dienen in hun nationale recht duidelijk de gronden en criteria voor deze tijdelijke afwijking vast te stellen en ze dienen deze afwijking restrictief toe te passen. Tijdelijke afwijkingen dienen evenredig te zijn, een strikte geldigheidsduur te hebben, niet uitsluitend gebaseerd te zijn op het soort ten laste gelegde strafbare feit of de ernst ervan en mogen het globale eerlijke verloop van de procedure niet schenden. De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat, indien een tijdelijke afwijking krachtens deze richtlijn is toegestaan door een bevoegde autoriteit die geen rechter of rechtbank is, het besluit tot toekenning van de tijdelijke afwijking in ieder geval tijdens de procesfase door een rechtbank moet kunnen worden beoordeeld.”
16 Artikel 1, onder a), van deze richtlijn bepaalt: „Deze richtlijn bevat gemeenschappelijke minimumvoorschriften met betrekking tot bepaalde rechten van kinderen: a) die verdachte of beklaagde in een strafprocedure zijn […]”.
17 Artikel 2 van die richtlijn, dat het toepassingsgebied ervan omschrijft, bepaalt: „1. Deze richtlijn is van toepassing op kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure. Zij is van toepassing totdat definitief is vastgesteld of de verdachte of beklaagde een strafbaar feit al dan niet heeft begaan, met inbegrip van, indien van toepassing, de strafoplegging en de uitkomst van een eventuele beroepsprocedure. 2. Deze richtlijn is van toepassing op kinderen die gezochte personen zijn, vanaf het ogenblik waarop de uitvoerende lidstaat hen aanhoudt, in overeenstemming met artikel 17. 3. Met uitzondering van artikel 5, artikel 8, lid 3, onder b), en artikel 15, voor zover deze bepalingen verwijzen naar een persoon die het ouderlijk gezag heeft, is deze richtlijn, of zijn sommige bepalingen ervan, van toepassing op personen zoals bedoeld in leden 1 en 2 van dit artikel, indien de personen in kwestie kinderen waren op het moment dat de procedure tegen hen in gang werd gezet, maar nadien de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, en de toepassing van deze richtlijn, of sommige bepalingen ervan, passend is in het licht van alle omstandigheden van de zaak, inclusief de rijpheid en de kwetsbaarheid van de persoon in kwestie. De lidstaten kunnen besluiten deze richtlijn niet toe te passen vanaf het moment dat de persoon in kwestie de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt. […]”
18 Artikel 3, punt 1, van dezelfde richtlijn definieert „kind” als „een persoon die jonger is dan 18 jaar”.
19 In artikel 4 van richtlijn 2016/800, „Recht op informatie”, wordt bepaald: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer kinderen ervan in kennis worden gesteld dat zij verdachte of beklaagde in een strafproces zijn, zij onverwijld worden geïnformeerd over hun rechten overeenkomstig richtlijn [2012/13] en over de algemene aspecten van het verloop van de procedure. De lidstaten zorgen er tevens voor dat kinderen informatie krijgen over de rechten bepaald in deze richtlijn. Deze informatie wordt als volgt verstrekt: a) onverwijld wanneer kinderen ervan in kennis zijn gesteld dat zij verdachte of beklaagde in een strafproces zijn, met betrekking tot: i) het recht om de persoon die het ouderlijk gezag heeft te laten informeren, overeenkomstig artikel 5; ii) het recht op bijstand van een advocaat, overeenkomstig artikel 6; iii) het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, overeenkomstig artikel 14; iv) het recht te worden vergezeld door de persoon die het ouderlijk gezag heeft gedurende andere fasen van de procedure dan de terechtzitting, als bedoeld in artikel 15, lid 4; v) het recht op rechtsbijstand, overeenkomstig artikel 18; b) op het eerste passende moment tijdens de procedure, met betrekking tot: i) het recht op een individuele beoordeling, overeenkomstig artikel 7; ii) het recht op een medisch onderzoek, inclusief het recht op medische hulp, overeenkomstig artikel 8; iii) het recht op beperking van de vrijheidsbeneming en op de toepassing van alternatieve maatregelen, inclusief het recht op periodieke toetsing van de detentie, overeenkomstig de artikelen 10 en 11; iv) het recht ter terechtzitting te worden vergezeld door de persoon die het ouderlijk gezag heeft, overeenkomstig artikel 15, lid 1; v) het recht om tijdens het proces in persoon te verschijnen, overeenkomstig artikel 16; vi) hun recht op een doeltreffende voorziening in rechte, overeenkomstig artikel 19; c) in het geval van vrijheidsbeneming, het recht van speciale behandeling gedurende de vrijheidsbeneming, overeenkomstig artikel 12. 2. De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde informatie schriftelijk en/of mondeling wordt verstrekt in eenvoudige en toegankelijke bewoordingen en dat de verstrekte informatie wordt vastgelegd overeenkomstig de in het nationale recht voorziene vastleggingsprocedure. 3. Wanneer kinderen een verklaring van rechten wordt verstrekt uit hoofde van richtlijn [2012/13], zorgen de lidstaten ervoor dat in deze verklaring een verwijzing naar hun rechten krachtens deze richtlijn is opgenomen.”
20 Artikel 5 van richtlijn 2016/800, „Recht van het kind om de persoon die het ouderlijk gezag heeft te laten informeren”, bepaalt in lid 1: „De lidstaten zorgen ervoor dat de informatie die het kind overeenkomstig artikel 4 gerechtigd is te ontvangen, zo spoedig mogelijk wordt verstrekt aan een persoon die het ouderlijk gezag heeft.”
21 Artikel 6 van deze richtlijn, „Bijstand door een advocaat”, luidt: „1. Kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure hebben recht op toegang tot een advocaat in overeenstemming met richtlijn [2013/48]. Geen enkele bepaling in deze richtlijn, en met name in dit artikel, doet afbreuk aan dat recht. 2. De lidstaten zorgen ervoor dat kinderen bijstand krijgen van een advocaat in overeenstemming met dit artikel, teneinde hen in staat te stellen hun recht van verdediging daadwerkelijk uit te oefenen. 3. De lidstaten zorgen ervoor dat kinderen zonder onnodige vertraging bijstand van een advocaat krijgen vanaf het moment dat zij ervan in kennis worden gesteld dat zij verdachte of beklaagde zijn. In ieder geval worden kinderen door een advocaat bijgestaan vanaf om het even welk van de volgende momenten het eerst valt: a) voordat zij door de politie of door een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie worden verhoord; b) wanneer de onderzoeks- of andere bevoegde autoriteiten een tot onderzoek of andere vorm van bewijsgaring strekkende handeling verrichten, overeenkomstig lid 4, onder c); c) zonder onnodig uitstel na de vrijheidsbeneming; d) indien zij voor een in strafzaken bevoegde rechtbank zijn opgeroepen, binnen een redelijke termijn voordat zij voor deze rechtbank in rechte verschijnen. 4. Bijstand door een advocaat omvat het volgende: a) de lidstaten zorgen ervoor dat kinderen het recht hebben de advocaat die hen vertegenwoordigt onder vier ogen te ontmoeten en met hem te communiceren, ook voordat zij door de politie of een andere rechtshandhavingsinstantie of rechterlijke instantie worden verhoord; b) de lidstaten zorgen ervoor dat kinderen door een advocaat worden bijgestaan tijdens verhoren en dat de advocaat daadwerkelijk aan het verhoor kan deelnemen. Deze deelname geschiedt overeenkomstig procedures van het nationale recht, mits die procedures de daadwerkelijke uitoefening of de essentie van het desbetreffende recht onverlet laten. Wanneer een advocaat aan een verhoor deelneemt, wordt dat feit vastgelegd overeenkomstig de in het nationale recht voorziene vastleggingsprocedure; c) de lidstaten zorgen ervoor dat kinderen ten minste door een advocaat worden bijgestaan tijdens de volgende onderzoekshandelingen of handelingen voor het vergaren van bewijsmateriaal, mits het handelingen betreft waarin het nationale recht voorziet en de aanwezigheid van de verdachte of beklaagde persoon bij die handelingen wordt verlangd: i) meervoudige confrontaties; ii) confrontaties; iii) reconstructies van de plaats van een delict. 5. De lidstaten eerbiedigen het vertrouwelijke karakter van de communicatie tussen kinderen en hun advocaat bij de uitoefening van het recht op bijstand door een advocaat op grond van deze richtlijn. Die communicatie omvat ontmoetingen, briefwisseling, telefoongesprekken en elke andere vorm van communicatie die krachtens het nationale recht is toegestaan. 6. Op voorwaarde dat dit met het recht op een eerlijk proces strookt, mogen de lidstaten afwijken van lid 3 wanneer bijstand door een advocaat niet evenredig is in de omstandigheden van de zaak, met inachtneming van de ernst van het ten laste gelegde strafbare feit, de complexiteit van de zaak en de maatregelen die naar aanleiding van een dergelijk strafbaar feit zouden kunnen worden opgelegd, waarbij geldt dat de belangen van het kind altijd de eerste overweging dienen te vormen. In ieder geval zorgen de lidstaten ervoor dat kinderen door een advocaat worden bijgestaan: a) wanneer zij voor een bevoegde rechtbank of rechter verschijnen met het oog op een besluit over detentie in elk stadium van de procedure dat onder het toepassingsgebied van deze richtlijn valt, en b) tijdens detentie. De lidstaten zorgen er verder voor dat vrijheidsbeneming niet als sanctie in een strafprocedure wordt opgelegd, tenzij het kind op zodanige wijze is bijgestaan door een advocaat dat het zijn rechten van verdediging daadwerkelijk heeft kunnen uitoefenen en, in ieder geval, tijdens de behandeling van zijn zaak voor een rechtbank. 7. Indien het kind overeenkomstig dit artikel door een advocaat moet worden bijgestaan, maar er geen advocaat aanwezig is, stellen de bevoegde autoriteiten het verhoor van het kind of andere onderzoeks- of handelingen voor het vergaren van bewijs zoals bedoeld in lid 4, onder c), voor een redelijke termijn uit, om de komst van een advocaat mogelijk te maken of, indien het kind geen advocaat heeft aangesteld, een advocaat voor het kind te kunnen regelen. 8. In uitzonderlijke omstandigheden kunnen de lidstaten, uitsluitend in de fase voorafgaand aan de rechtszaak, tijdelijk afwijken van de toepassing van de in lid 3 vastgestelde rechten, voor zover dit gerechtvaardigd is in het licht van de bijzondere omstandigheden van het geval, op grond van een of meer van de volgende dwingende redenen: a) indien er sprake is van een dringende noodzaak om ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen; b) indien onmiddellijk optreden door de onderzoeksinstanties noodzakelijk is om te voorkomen dat substantiële schade wordt aangebracht aan de strafprocedure in verband met een ernstig strafbaar feit. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten bij de toepassing van dit lid rekening houden met de belangen van het kind. De beslissing om tot verhoor over te gaan ondanks het feit dat geen advocaat aanwezig is op grond van dit lid, mag alleen genomen worden na een beoordeling per geval, die ofwel uitgaat van een rechterlijke instantie of van een andere bevoegde autoriteit op voorwaarde dat de beslissing kan worden onderworpen aan rechterlijke toetsing.”
22 Artikel 7 van deze richtlijn betreft het recht op een individuele beoordeling.
23 Artikel 13, lid 2, van dezelfde richtlijn bepaalt: „De lidstaten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat kinderen altijd worden behandeld op een wijze die hun waardigheid beschermt en die past bij hun leeftijd, rijpheid en begripsvermogen, en dat rekening houdt met hun bijzondere behoeften, waaronder communicatieproblemen die zij mogelijkerwijs ondervinden.”
24 Artikel 15 van richtlijn 2016/800, „Recht van kinderen om tijdens rechtszittingen te worden vergezeld door de persoon die het ouderlijk gezag heeft”, bepaalt in lid 4: „Naast het recht bepaald in lid 1 zorgen de lidstaten ervoor dat kinderen het recht hebben tijdens andere fasen van de procedure dan de terechtzittingen waarbij het kind aanwezig is, te worden vergezeld door de persoon die het ouderlijk gezag heeft of door een andere geschikte volwassene zoals bedoeld in lid 2, wanneer de bevoegde autoriteit van oordeel is dat: a) het in het belang van het kind is dat het door die persoon wordt vergezeld, en b) de aanwezigheid van die persoon de strafprocedure niet in gevaar brengt.”
25 Artikel 18 van die richtlijn luidt: „De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale wetgeving inzake rechtsbijstand de daadwerkelijke uitoefening van het in artikel 6 bedoelde recht op bijstand van een advocaat garandeert.”
26 Artikel 19 van die richtlijn luidt: „De lidstaten zorgen ervoor dat kinderen die verdachte of beklaagde zijn in strafprocedures, alsmede kinderen die gezochte personen zijn, op grond van het nationale recht over doeltreffende voorzieningen in rechte beschikken in gevallen waarin hun rechten krachtens deze richtlijn zijn geschonden.”
Pools recht
27 Artikel 6 van de ustawa – Kodeks postępowania karnego (wet inzake wetboek van strafvordering) van 6 juni 1997 (Dz. U. van 2022, volgnr. 1375), in de op de hoofdprocedure toepasselijke versie (hierna: „KPK”), luidt als volgt: „De persoon die wordt vervolgd wegens een strafbaar feit, geniet rechten van de verdediging, met name het recht op bijstand van een raadsman, waarvan hij in kennis moet worden gesteld.”
28 Artikel 79 KPK bepaalt: „§ 1. In een strafprocedure moet de beklaagde een raadsman hebben indien: 1) deze persoon de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt; […] § 2. De beklaagde moet ook een raadsman hebben indien de rechterlijke instantie dit noodzakelijk acht op grond van andere omstandigheden die zijn verdediging kunnen bemoeilijken. § 3. In de in de §§ 1 en 2 bedoelde gevallen is de aanwezigheid van de advocaat verplicht ter terechtzitting en tijdens de zittingen waaraan de beklaagde dient deel te nemen. […]”
29 Artikel 168a KPK luidt: „Bewijs kan niet ontoelaatbaar worden verklaard op de enkele grond dat het is verkregen onder schending van de procedureregels of middels een strafbaar feit in de zin van artikel 1, lid 1, van de Kodeks karny [(hierna: „wetboek van strafrecht”)], tenzij het bewijs is verkregen door een openbaar ambtenaar bij de uitoefening van zijn officiële taken naar aanleiding van een moord, het opzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen of vrijheidsberoving.”
30 Artikel 301 KPK luidt: „Op verzoek van de verdachte wordt hij in aanwezigheid van de aangewezen advocaat verhoord. Het feit dat er geen advocaat aanwezig is, vormt geen beletsel voor dit verhoor.”
31 Artikel 9 van de ustawa – Prawo o ustroju sądów powszechnych (wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties) van 27 juli 2001 (Dz. U. van 2001, nr. 98, volgnr. 1070), in de op de hoofdprocedure toepasselijke versie (hierna: „wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties”) bepaalt dat het bestuurlijke toezicht op de werkzaamheden van de rechterlijke instanties wordt uitgeoefend door de minister van Justitie.
32 Artikel 130 van deze wet luidt als volgt: „§ 1. Wanneer een rechter wordt aangehouden omdat hij op heterdaad is betrapt bij het opzettelijk begaan van een ander strafbaar feit dan een overtreding, of wanneer, gelet op de soort handeling die de rechter heeft verricht, het gezag van de rechterlijke instantie of de wezenlijke belangen van de dienst vereisen dat hij onmiddellijk van zijn ambt wordt ontheven, kan de voorzitter van de rechterlijke instantie of de minister van Justitie bij beschikking gelasten dat de rechter onmiddellijk wordt geschorst voor een termijn van ten hoogste één maand, in afwachting van de uitspraak van het tuchtgerecht. § 2. Indien de in § 1 bedoelde rechter voorzitter van een rechterlijke instantie is, dient de tijdelijke schorsing van die rechter door de minister van Justitie te worden gelast. § 3. Het tuchtgerecht dient binnen drie dagen na de datum van de in § 1 bedoelde beschikking daarvan in kennis te worden gesteld door de voorzitter van het gerecht of de minister van Justitie en neemt onverwijld, uiterlijk vóór het verstrijken van de termijn die in de beschikking tot tijdelijke schorsing is vastgesteld, een besluit over de schorsing van de rechter of over de nietigverklaring van de beschikking tot tijdelijke schorsing. Het tuchtgerecht stelt de rechter op de hoogte van de zitting, indien het dit nodig acht.”
33 Verschillende bepalingen van de ustawa – Prawo o prokuraturze (wet inzake het openbaar ministerie) van 28 januari 2016 (Dz. U. van 2016, volgnr. 177), in de op de hoofdprocedure toepasselijke versie, betreffende de organisatie en de structuur van het openbaar ministerie en de bevoegdheden van de openbare aanklagers zijn opgesomd in het verzoek om een prejudiciële beslissing. Deze bepalingen preciseren onder meer dat de functie van Prokurator Generalny (procureur-generaal) wordt uitgeoefend door de minister van Justitie. Bovendien oefenen openbare aanklagers hun taken in beginsel in volledig onafhankelijkheid uit. Zij zijn evenwel verplicht de verordeningen, circulaires en instructies van de hogere openbare aanklagers uit te voeren.
Hoofdprocedure en prejudiciële vragen
34 Bij de Sąd Rejonowy w Słupsku (rechter in eerste aanleg Słupsk, Polen), de verwijzende rechter in de onderhavige zaak, is een strafprocedure aanhangig gemaakt tegen M.S., J.W. en M.P. (hierna samen: „minderjarige verdachten”), die worden vervolgd wegens inbraak in een verlaten vakantiecentrum te Ustka (Polen) (hierna: „omstreden feiten”), waardoor zij schade hebben berokkend aan M.B. en B.B., die worden vertegenwoordigd door de aangestelde curator, D.G. Deze inbraak vormt volgens het wetboek van strafrecht een strafbaar feit dat kan worden bestraft met een gevangenisstraf van maximaal één jaar.
35 M.S. wordt vervolgd omdat hij tussen december 2021 en januari 2022 herhaaldelijk op deze plaats heeft ingebroken, terwijl J.W. en M.P. worden vervolgd omdat zij daar eenmaal hebben ingebroken. Ten tijde van de omstreden feiten waren M.S., J.W. en M.P. 17 jaar oud.
36 M.S. is op 26 januari 2022 door de politie opgeroepen om als verdachte te worden verhoord. De politieagent die hem verhoorde, wist dat M.S. op dat moment nog geen 18 jaar oud was. Zijn ouders zijn niet vooraf op de hoogte gesteld van dit verhoor. Uit de oproeping bleek niet dat M.S. een advocaat kon aanwijzen. M.S. heeft zich naar het politiebureau begeven in het gezelschap van zijn moeder die ondanks haar verzoek niet bij het verhoor van haar zoon aanwezig mocht zijn, aangezien hij volgens de politieagenten voor de omstreden feiten als volwassene aansprakelijk werd gesteld. Bovendien werd de moeder elke informatie over het verloop van de onderzoeksfase ontzegd en is M.S. evenmin op de hoogte gesteld van zijn recht om kennis te nemen van het procesdossier voordat de vordering tot inleiding van de strafprocedure bij de rechter aanhangig werd gemaakt.
37 Tijdens dit eerste verhoor heeft M.S. erkend de omstreden feiten te hebben gepleegd en heeft hij een gedetailleerd verslag gegeven van het verloop van de gebeurtenissen, waarbij hij zichzelf belastende verklaringen heeft afgelegd. Op basis van deze verklaringen zijn de beschuldigingen tegen hem gewijzigd, in die zin dat hij niet langer werd vervolgd omdat hij één keer in het betrokken vakantiecentrum zou hebben ingebroken, maar in plaats daarvan omdat hij meermaals in dat vakantiecentrum zou hebben ingebroken.
38 Het besluit tot verdere vervolging werd aan M.S. voorgelezen en hem overhandigd. Hij heeft dit besluit ondertekend. Het document met algemene informatie over de rechten en verplichtingen van een verdachte in een strafprocedure is hem ook overhandigd, zonder dat in dit document specifiek wordt verwezen naar de rechten en verplichtingen van minderjarigen. De verstrekte informatie omvatte onder meer toelichtingen over het recht om verklaringen af te leggen of om te zwijgen alsmede om te weigeren vragen te beantwoorden zonder daarvoor redenen te geven, het recht om te worden bijgestaan door een advocaat naar keuze en het recht om te verzoeken om een ambtshalve toevoeging van een advocaat indien de verdachte niet over de financiële middelen beschikt om een eigen advocaat te kiezen, alsook het recht om te verzoeken dat de aangewezen advocaat tijdens het verhoor aanwezig is, waarbij het feit dat deze advocaat niet aanwezig is, geen beletsel vormt voor het verhoor. Aangezien dit document omvangrijk en complex was, heeft M.S. geen kennis genomen van de inhoud ervan. Hij heeft het document evenwel voor akkoord ondertekend.
39 M.S. is tevens in kennis gesteld van zijn recht om te verzoeken om een mondelinge toelichting van de gronden voor de tegen hem ingebrachte beschuldigingen en om een – binnen een termijn van veertien dagen aan hem of aan zijn advocaat te betekenen – schriftelijke uiteenzetting van de redenen voor het besluit tot verdere vervolging. Hij heeft geen afstand gedaan van dit recht en heeft evenmin dergelijke verzoeken gedaan. Noch M.S. noch zijn ouders stelden een advocaat aan voor zijn verdediging. Er heeft ook geen ambtshalve toevoeging van een advocaat voor M.S. plaatsgevonden.
40 M.S. is tweemaal verhoord. Bij geen van deze verhoren werd een audiovisuele opname gemaakt. Op basis van de informatie die M.S. tijdens zijn verhoren heeft verstrekt, hebben de politieagenten andere personen geïdentificeerd die ervan verdacht werden met hem op illegale wijze het vakantiecentrum te zijn binnengedrongen, waaronder de andere minderjarige verdachten, J.W. en M.P.
41 Deze twee minderjarigen zijn opgeroepen op het politiebureau van Ustka om daar als verdachte te worden verhoord. Noch de ouders van J.W. noch die van M.P. zijn daarvan op de hoogte gesteld, hoewel de politieagent die het verhoor afnam, wist dat de twee verdachten jonger dan 18 jaar waren.
42 De verhoren van J.W. en M.P. verliepen op dezelfde manier als dat van M.S. De oproepingen van J.W. en M.P. voor het verhoor bevatten geen informatie over hun recht om een advocaat aan te wijzen of om te worden bijgestaan door een ambtshalve toegevoegde advocaat. Noch J.W. en M.P. noch hun ouders wisten of waren ervan op de hoogte gesteld dat zij het recht hadden om informatie te krijgen over het verloop van de procedure of, in het geval van de ouders, om hun zonen te begeleiden in de fase voorafgaand aan hun proces. J.W. en M.P. kregen hetzelfde document als M.S., zoals vermeld in punt 38 van het onderhavige arrest, en hebben net als M.S. geen kennis kunnen nemen van de inhoud van dit document wegens de omvang en de complexe bewoordingen ervan.
43 In de fase van het voorbereidende onderzoek is geen individuele beoordeling van de verdachte minderjarigen op grond van artikel 7 van richtlijn 2016/800 uitgevoerd.
44 Op 31 mei 2022 heeft de Prokurator Prokuratury Rejonowej w Słupsku (openbare aanklager van het regionale parket Słupsk, Polen) de tegen de minderjarige verdachten gerichte vordering tot inleiding van de procedure ondertekend en deze doorgestuurd naar de Sąd Rejonowy w Słupsku. Aangezien de minderjarige verdachten geen advocaat hadden aangewezen, heeft deze rechter elk van hen ambtshalve een advocaat toegevoegd.
45 Tijdens de terechtzitting van 23 augustus 2022, waarbij de minderjarige verdachten stelden onschuldig te zijn, heeft M.S. verklaringen afgelegd, maar hebben J.W. en M.P. geweigerd te spreken en alleen op de vragen van hun advocaten geantwoord. Elk van de advocaten van de minderjarige verdachten heeft verzocht om geen rekening te houden met de verklaringen die in de fase van het voorbereidende onderzoek waren afgelegd, aangezien dit bewijs in strijd met hun procedurele rechten was verkregen, te weten tijdens een politieverhoor waarbij geen advocaat aanwezig was, terwijl de betrokkenheid van een advocaat bij de procedure verplicht was. De advocaten voerden aan dat het aldus verkregen bewijs niet als grondslag voor de feitelijke vaststellingen kon dienen.
46 De Sąd Rejonowy w Słupsku heeft het verzoek van de Prokurator Prokuratury Rejonowej w Słupsku om rekening te kunnen houden met het bewijs dat was ontleend aan de verklaringen die de minderjarige verdachten in de fase van het voorbereidende onderzoek hadden afgelegd tijdens de verhoren waarbij geen advocaat aanwezig was, niet-ontvankelijk verklaard. Deze verklaringen zijn derhalve uit het bewijsmateriaal in het dossier geweerd.
47 Ter terechtzitting van 26 augustus 2022 heeft deze rechter ambtshalve vastgesteld dat M.P. de leeftijd van 18 jaar had bereikt en dat, gelet op artikel 79, § 1, punt 1, KPK, M.P. niet langer verplicht door een advocaat hoefde te worden bijgestaan. De advocaat van M.P. heeft niettemin verzocht om zijn ambtshalve toevoeging te handhaven op grond dat M.P. minderjarig was op het moment van de inleiding van de strafprocedure en dat uit de omstandigheden van de zaak bleek dat zijn niveau van maturiteit vereiste dat hij werd bijgestaan door een ambtshalve toegevoegde advocaat. Deze rechter heeft dit verzoek ingewilligd.
48 In zijn verzoek om een prejudiciële beslissing merkt de Sąd Rejonowy w Słupsku ook op dat de hiërarchische meerdere van de Prokurator Rejonowy w Słupsku (openbare aanklager van de regio Słupsk, Polen), die partij is in de strafprocedure tegen de minderjarige verdachten, de Prokurator Generalny (procureur-generaal) is, die tevens de minister van Justitie is. De Prokurator Generalny leidt de werkzaamheden van het openbaar ministerie, persoonlijk of via de Prokurator Krajowy (nationale openbare aanklager) en andere plaatsvervangers van de Prokurator Generalny, door beslissingen, richtsnoeren en instructies te geven.
49 De rechter in de hoofdprocedure, zetelend als alleensprekende rechter van de Sąd Rejonowy w Słupsku, is echter uit haar ambt ontzet voor de periode van 9 februari 2022 tot en met 8 maart 2022 bij beslissing van de Prokurator Generalny krachtens artikel 130, § 1, van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties op grond dat zij in het kader van een andere zaak dan de hoofdprocedure een handeling had verricht op basis waarvan het gezag van de Sąd Rejonowy w Słupsku en de wezenlijke belangen van de dienst vereisten dat zij onmiddellijk uit haar ambt werd ontzet.
50 In die andere zaak had deze rechter namelijk een beschikking gegeven waarbij een verzoek van een partij werd ingewilligd om een rechter wraken die was benoemd na een procedure waarbij de na 2018 ingestelde Krajowa Rada Sądownictwa (nationale raad voor de rechtspraak, Polen) betrokken was, op grond dat deze benoeming niet in overeenstemming was met het Unierecht en het EVRM.
51 De Prokurator Rejonowy w Słupsku had daarop de Prokurator Regionalny w Gdańsku (openbare aanklager voor de regio Gdańsk, Polen) in kennis gesteld van deze situatie, die op zijn beurt de minister van Justitie daarvan op de hoogte had gebracht overeenkomstig instructies van het openbaar ministerie. Die instructies vereisen dat de openbare aanklagers de territoriaal bevoegde openbare aanklager voor de regio onmiddellijk in kennis te stellen van de gevallen waarin rechters de status van een andere rechter van een gewone rechterlijke instantie of de status van de rechters van de Sąd Najwyższy (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Polen) in twijfel trekken. Deze instructies vereisen in wezen kennisgeving van elke situatie waarin een rechter zich rechtstreeks beroept op bepalingen van het Unierecht en op de rechtspraak van het Hof en daarbij het nationale recht buiten toepassing laat.
52 In deze context vraagt de verwijzende rechter zich in verschillende opzichten af hoe het Unierecht moet worden uitgelegd.
53 In de eerste plaats overweegt de verwijzende rechter dat in de omstandigheden waarin de strafprocedure heeft plaatsgevonden, de minderjarige verdachten het genot van de minimumnormen inzake bescherming voor „kinderen” in de zin van artikel 3, punt 1, van richtlijn 2016/800 die verdachte of beklaagde zijn, is ontnomen, alsook van de rechten waarop alle verdachten krachtens de richtlijnen 2013/48 en 2012/13 aanspraak kunnen maken, hetgeen getuigt van een onjuiste omzetting van deze richtlijnen in Pools recht.
54 In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter zich af welke gevolgen moeten worden verbonden aan de onjuiste uitvoering van het Unierecht, gelet op de rechtstreekse werking van de bepalingen inzake het recht op informatie en het recht op bijstand door een advocaat. Deze rechter benadrukt dat de in Polen geldende procedureregels bepalingen bevatten die niet alleen onvoldoende nauwkeurig zijn om de in richtlijn 2016/800 verankerde rechten van kinderen te waarborgen, maar het ook onmogelijk maken om deze bepalingen uit te leggen op een wijze die in overeenstemming is met het Unierecht.
55 In de derde plaats hebben de vragen van de verwijzende rechter betrekking op de doeltreffende voorzieningen in rechte om ervoor te zorgen dat kinderen die verdachte of beklaagde zijn, gevrijwaard worden van de gevolgen van schending van hun rechten die voortvloeien uit richtlijn 2016/800 alsook uit de richtlijnen 2012/13 en 2013/48, gelezen in het licht van het beginsel van een eerlijk proces. Artikel 19 van richtlijn 2016/800 bepaalt dat kinderen die verdachte of beklaagde zijn op grond van het nationale recht over doeltreffende voorzieningen in rechte moeten beschikken in gevallen waarin hun rechten krachtens die richtlijn zijn geschonden. Deze richtlijn preciseert evenwel niet om welke voorzieningen in rechte het gaat, wat aangeeft dat het aan de lidstaten staat om deze vast te stellen.
56 Bovendien blijkt uit de richtlijnen 2012/13 en 2013/48 dat het Unierecht geen duidelijke bepalingen bevat over de mogelijkheid om verklaringen die door een kind dat een verdachte of een beklaagde is zijn afgelegd zonder dat daarbij een advocaat aanwezig was, als bewijs te gebruiken. Artikel 12 van richtlijn 2013/48, gelezen in het licht van overweging 50 ervan, voorziet echter in een clausule die bewijs uitsluit dat is verkregen in strijd met het recht op toegang tot een advocaat.
57 Bovendien benadrukt de verwijzende rechter dat noch het EVRM noch het Handvest bepaalt op welke wijze de rechten van de verdediging moeten worden uitgeoefend of de gevolgen van een schending van die rechten moeten worden ondervangen. Het wordt aan lidstaten gelaten om de middelen te kiezen waarmee zij deze rechten in hun rechtsstelsels waarborgen, mits deze middelen voldoen aan de vereisten van een eerlijk proces. In dit verband is het noodzakelijk te verwijzen naar het EVRM om het minimale beschermingsniveau te bepalen dat de rechtsmiddelen moeten waarborgen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in zijn rechtspraak het belang vastgesteld van het recht op bijstand van een advocaat om de billijkheid van de procedures te beoordelen en heeft uitspraak gedaan over de mogelijkheid om in het kader van de strafprocedure bewijsmateriaal te gebruiken dat in strijd met het recht van de verdachte op bijstand van een advocaat is verzameld in de beginfase van de strafprocedure.
58 In de vierde plaats formuleert de verwijzende rechter een laatste reeks overwegingen met betrekking tot de status van de openbare aanklager in het kader van het strafrechtelijk onderzoek en de onafhankelijkheid van de rechters. Het beginsel van doeltreffende bescherming van de door het Unierecht verleende rechten berust noodzakelijkerwijs op de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van alle autoriteiten van de betrokken lidstaat. Een mechanisme dat de organen van de uitvoerende macht in staat stelt zich te mengen in het besluitvormingsproces van de autoriteiten die bevoegd zijn voor de vervolging en de rechterlijke instanties, is problematisch, aangezien het de uitvoerende macht in staat stelt de gegeven kwalificaties te beïnvloeden en de gewezen beslissingen ter discussie te stellen door in te grijpen in het proces van rechtstreekse toepassing van het Unierecht, zowel in het strafrechtelijk onderzoek als in de gerechtelijke procedure.
59 In het bijzonder geeft de verwijzende rechter aan dat er reden is tot bezorgdheid over de bevoegdheid van de minister van Justitie om krachtens artikel 130, § 1, van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties te gelasten dat een rechter onmiddellijk wordt geschorst wanneer deze rechter beslissingen neemt die rechtstreeks op het Unierecht zijn gebaseerd of beslissingen neemt die bedoeld zijn om de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van een rechterlijke instantie te waarborgen.
60 In deze omstandigheden heeft de Sąd Rejonowy w Słupsku de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld: „1) Moeten artikel 6, [leden 1 en 2, lid 3, onder a), en lid 7,] en artikel 18 van [richtlijn 2016/800], gelezen in samenhang met de overwegingen 25, 26 en 27 van deze richtlijn, aldus worden uitgelegd dat, wanneer een verdachte die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt in staat van beschuldiging wordt gesteld, de autoriteiten die de procedurele handelingen verrichten, verplicht zijn om te waarborgen dat het kind wordt bijgestaan door een ambtshalve toegevoegde advocaat indien dat kind geen zelfgekozen advocaat heeft (omdat het kind of de persoon die het ouderlijk gezag heeft daar niet zelf voor heeft gezorgd) en dat deze advocaat wordt betrokken bij de handelingen in de fase van het voorbereidende onderzoek, zoals het horen van de minderjarige als verdachte, alsmede aldus dat deze bepalingen eraan in de weg staan dat de minderjarige zonder aanwezigheid van een advocaat wordt verhoord? 2) Moet artikel 6, leden 6 en 8, van [richtlijn 2016/800], gelezen in samenhang met de overwegingen 16, 30, 31 en 32 van deze richtlijn, aldus worden uitgelegd dat in zaken betreffende strafbare feiten waarop een vrijheidsstraf is gesteld in geen geval kan worden afgeweken van het zonder onnodige vertraging verstrekken van bijstand door een raadsman en dat een tijdelijke afwijking van de toepassing van het recht op bijstand door een raadsman in de zin van artikel 6, lid 8, van [die] richtlijn alleen mogelijk is in de fase van het voorbereidende onderzoek en uitsluitend in de in artikel 6, lid 8, onder a) en b), [van die richtlijn] strikt genoemde omstandigheden, die uitdrukkelijk moeten worden vastgesteld in een in beginsel aanvechtbare beslissing om zonder aanwezigheid van een advocaat tot verhoor over te gaan? 3) Voor het geval dat ten minste één van de [eerste twee vragen] bevestigend wordt beantwoord: moeten de genoemde bepalingen van [richtlijn 2016/800] aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling als: a) artikel 301, tweede volzin, [KPK], waarin is bepaald dat een verdachte slechts op zijn verzoek in aanwezigheid van een aangewezen advocaat wordt verhoord en dat het feit dat de advocaat niet aanwezig is bij het verhoor van de verdachte geen beletsel voor dit verhoor vormt? b) artikel 79, § 3, [KPK], waarin is bepaald dat de aanwezigheid van een advocaat in het geval van een persoon die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt (artikel 79, § 1, punt 1, [KPK]) slechts verplicht is ter terechtzitting en tijdens de zittingen waaraan de beklaagde verplicht dient deel te nemen, dat wil zeggen in de fase van de gerechtelijke procedure? 4) Moeten de in de [eerste en de tweede vraag] genoemde bepalingen alsmede de beginselen van voorrang en rechtstreekse werking van richtlijnen aldus worden uitgelegd dat zij aan de nationale rechterlijke instantie die uitspraak moet doen in een strafzaak die valt binnen de werkingssfeer van [richtlijn 2016/800], alsook aan alle autoriteiten van de staat de bevoegdheid verlenen (of deze verplichten) om bepalingen van nationaal recht die onverenigbaar zijn met de richtlijn, zoals die welke worden genoemd in de [derde vraag], buiten toepassing te laten en bijgevolg, gelet op het verstrijken van de omzettingstermijn, om de nationale regeling te vervangen door bovengenoemde rechtstreeks toepasselijke bepalingen van de richtlijn? 5) Moeten artikel 6, leden 1, 2, 3 en 7, en artikel 18 van [richtlijn 2016/800], gelezen in samenhang met artikel 2, leden 1 en 2, en de overwegingen 11, 25 en 26 van deze richtlijn, alsmede in samenhang met artikel 13 en overweging 50 van [richtlijn 2013/48], aldus worden uitgelegd dat een lidstaat ervoor moet zorgen dat ambtshalve rechtsbijstand wordt verleend aan verdachten of beklaagden in strafzaken die bij de aanvang van de procedure nog kinderen waren maar die vervolgens de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, alsook dat die bijstand verplicht is tot de definitieve beëindiging van de procedure? 6) Voor het geval dat de [vijfde] vraag bevestigend wordt beantwoord: moeten de genoemde bepalingen van [richtlijn 2016/800] aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling als artikel 79, § 1, punt 1, [KPK], waarin is bepaald dat een beklaagde in een strafprocedure slechts over een raadsman moet beschikken zolang hij de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt? 7) Moeten de in de [vijfde vraag] genoemde bepalingen alsmede de beginselen van voorrang en rechtstreekse werking van richtlijnen aldus worden uitgelegd dat zij aan de nationale rechterlijke instantie die uitspraak moet doen in een strafzaak die valt binnen de werkingssfeer van [richtlijn 2016/800], alsook aan alle autoriteiten van de staat de bevoegdheid verlenen (of deze verplichten) om bepalingen van nationaal recht die onverenigbaar zijn met de richtlijn, zoals die welke worden genoemd in de [zesde] vraag, buiten toepassing te laten en bepalingen van nationaal recht zoals artikel 79, § 2, [KPK] richtlijnconform toe te passen – dat wil zeggen om tot de definitieve beëindiging van de procedure geen einde te maken aan de ambtshalve toevoeging van een advocaat voor een beklaagde die ten tijde van de tenlastelegging jonger dan 18 jaar was maar die in de loop van de procedure de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en tegen wie de strafzaak nog aanhangig is, op grond van de aanname dat dit noodzakelijk is wegens omstandigheden die de verdediging bemoeilijken – of om, gelet op het verstrijken van de omzettingstermijn, de genoemde nationale regeling te vervangen door de rechtstreeks toepasselijke bepalingen van de richtlijn? 8) Moeten artikel 4, leden 1 tot en met 3, van [richtlijn 2016/800], gelezen in samenhang met de overwegingen 18, 19 en 22 van deze richtlijn, en artikel 3, lid 2, van [richtlijn 2012/13], gelezen in samenhang met de overwegingen 19 en 26 van deze richtlijn, aldus worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteiten (het openbaar ministerie en de politie) uiterlijk vóór het eerste officiële verhoor van de verdachte door de politie of door een andere bevoegde autoriteit zowel de verdachte als de persoon die het ouderlijk gezag heeft onverwijld en tezelfdertijd dienen te wijzen op de rechten die van belang zijn voor de waarborging van het eerlijke verloop van de procedure en op de procedurele stappen in deze procedure, waaronder met name de verplichting om voor een minderjarige verdachte een advocaat in de arm te nemen en de gevolgen die het niet in de arm nemen van een advocaat naar keuze heeft voor een minderjarige beklaagde (ambtshalve toevoeging van een advocaat), alsmede dat deze informatie in het geval van minderjarige verdachten moet worden verstrekt in eenvoudige en toegankelijke bewoordingen die zijn aangepast aan de leeftijd van de minderjarige? 9) Moet artikel 7, leden 1 en 2, van [richtlijn 2016/343], gelezen in samenhang met overweging 31 van die richtlijn en met artikel 3, lid 1, onder e), en lid 2, van [richtlijn 2012/13], aldus worden uitgelegd dat de autoriteiten van een lidstaat die een strafprocedure voeren waarbij een minderjarige verdachte of beklaagde betrokken is, verplicht zijn om de minderjarige verdachte op begrijpelijke en aan zijn leeftijd aangepaste wijze te informeren over het zwijgrecht en over het recht om zichzelf niet te belasten? 10) Moeten artikel 4, leden 1 tot en met 3, van [richtlijn 2016/800], gelezen in samenhang met de overwegingen 18, 19 en 22 van deze richtlijn, en artikel 3, lid 2, van [richtlijn 2012/13], gelezen in samenhang met de overwegingen 19 en 26 van deze richtlijn, [aldus worden uitgelegd dat] niet wordt voldaan aan de vereisten die zijn vastgelegd in de genoemde bepalingen wanneer eerst vlak vóór het verhoor van een minderjarige verdachte algemene instructies worden betekend zonder rekening te houden met de specifieke rechten die voortvloeien uit richtlijn 2016/800, dergelijke instructies slechts aan de verdachte die zonder advocaat optreedt – en niet tevens aan de persoon die het ouderlijk gezag heeft – worden betekend, en deze instructies zijn geformuleerd in bewoordingen die niet zijn aangepast aan de leeftijd van de verdachte? 11) Moeten de artikelen 18 en 19 van [richtlijn 2016/800], gelezen in samenhang met overweging 26 van deze richtlijn, en artikel 12, lid 2, van [richtlijn 2013/48], gelezen in samenhang met overweging 50 van die richtlijn, juncto artikel 7, leden 1 en 2, van [richtlijn 2016/343], gelezen in samenhang met artikel 10, lid 2, en overweging 44 van die richtlijn, en het beginsel van een eerlijk proces aldus worden uitgelegd dat deze bepalingen – waar het gaat om verklaringen van een verdachte die zijn afgelegd tijdens een politieverhoor zonder dat de verdachte toegang had tot een advocaat, zonder dat hij naar behoren in kennis is gesteld van zijn rechten en zonder dat de partij die het ouderlijk gezag heeft op de hoogte is gesteld van de rechten en de algemene aspecten van het verloop van de procedure, op welke informatie het kind aanspraak kan maken krachtens artikel 4 van richtlijn [2016/800] – de nationale rechterlijke instantie die uitspraak moet doen in een strafzaak die valt binnen de werkingssfeer van de genoemde richtlijnen, alsook alle autoriteiten van de staat verplichten (of de bevoegdheid verlenen) om verdachten of beklaagden te herstellen in de positie waarin zij zich zonder de betrokken schendingen zouden hebben bevonden, en derhalve om dat bewijs buiten beschouwing te laten, met name wanneer de tijdens het verhoor verkregen belastende informatie zal worden gebruikt om de betrokkene te veroordelen? 12) Moeten de [in de elfde vraag genoemde] bepalingen alsmede de beginselen van voorrang en rechtstreekse werking derhalve aldus worden uitgelegd dat zij de nationale rechterlijke instantie die uitspraak moet doen in een strafprocedure die valt binnen de werkingssfeer van de genoemde richtlijnen, alsook alle andere autoriteiten van de staat verplichten om geen rekening te houden met bepalingen van nationaal recht die onverenigbaar zijn met die richtlijnen, zoals artikel 168a [KPK], waarin is bepaald dat bewijs niet ontoelaatbaar kan worden verklaard op de enkele grond dat het is verkregen onder schending van de procedureregels of middels een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1, lid 1, van het wetboek van strafrecht, tenzij het bewijs bij de uitoefening van de officiële taken van een openbaar ambtenaar is verkregen naar aanleiding van een moord, het opzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen of vrijheidsberoving? 13) Moeten artikel 2, lid 1, van [richtlijn 2016/800], gelezen in samenhang met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, en het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid aldus worden uitgelegd dat de openbare aanklager als autoriteit die betrokken is bij de rechtsbedeling, die toeziet op de handhaving van de rechtsstaat en die [de fase van] het voorbereidende onderzoek in goede banen leidt, verplicht is om in die fase daadwerkelijke rechtsbescherming binnen het toepassingsgebied van de genoemde richtlijn te waarborgen en er bij de effectieve toepassing van het Unierecht voor te zorgen dat hij onafhankelijk en onpartijdig is? 14) Indien [de eerste tot en met de twaalfde vraag] en in het bijzonder de [dertiende vraag] bevestigend worden beantwoord: moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU (beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming), gelezen in samenhang met artikel 2 VEU en in het bijzonder met het beginsel van eerbiediging van de rechtsstaat zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof (arrest van 21 december 2021, Euro Box Promotion e.a.,C‑357/19, C‑379/19, C‑547/19, C‑811/19 en C‑840/19, EU:C:2021:1034), en het in artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het [Handvest] verankerde beginsel van onafhankelijkheid van rechters zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof (arrest van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses,C‑64/16, EU:C:2018:117), aldus worden uitgelegd dat deze beginselen vanwege de mogelijke uitoefening van indirecte druk op rechters en de mogelijkheid dat de [Prokurator Generalny] in dit verband bindende instructies geeft aan lagere openbare aanklagers, in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling waaruit blijkt dat het openbaar ministerie afhankelijk is van een uitvoerende autoriteit zoals de minister van Justitie, alsook aan nationale regelingen die strekken tot beperking van de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties en die van openbare aanklagers bij de toepassing van het Unierecht, waaronder met name: a) artikel 130, § 1, van de [wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties], dat aan de minister van Justitie de mogelijkheid biedt om, in het kader van de verplichting van openbare aanklagers om melding te maken van situaties waarin een rechter uitspraak doet onder toepassing van het Unierecht, te gelasten dat een rechter onmiddellijk, en gedurende ten hoogste één maand, wordt geschorst totdat het tuchtgerecht een uitspraak heeft gedaan, indien deze minister, wegens het soort handeling dat door de betrokken rechter onder rechtstreekse toepassing van het Unierecht is verricht, van mening is dat het gezag van de rechterlijke instantie of de wezenlijke belangen van de dienst dit vereisen; b) artikel 1, lid 2, artikel 3, lid 1, punten 1 en 3, en artikel 7, leden 1 tot en met 6 en 8, alsmede artikel 13, leden 1 en 2, van de [wet inzake het openbaar ministerie van 28 januari 2016], waarvan de bewoordingen, in onderlinge samenhang beschouwd, erop wijzen dat de minister van Justitie, die tevens de procureur-generaal en de hoogste autoriteit binnen het openbaar ministerie is, instructies kan geven die bindend zijn voor lagere openbare aanklagers en daarbij ook de rechtstreekse toepassing van het Unierecht kan beperken of belemmeren?”
Procedure bij het Hof
61 De verwijzende rechter heeft verzocht om de onderhavige prejudiciële verwijzing overeenkomstig artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof te behandelen volgens een versnelde procedure. Ter ondersteuning van dit verzoek voert deze rechter ten eerste aan dat de gestelde vragen verder reiken dan het kader van de hoofdprocedure, gelet op het grote aantal maandelijks door de Poolse rechterlijke instanties te behandelen zaken waarbij verdachte of beklaagde minderjarigen betrokken zijn, en dat de onregelmatige procedurele handelingen op onherstelbare wijze afbreuk doen aan fundamentele beginselen van de strafprocedure. Ten tweede doen deze rechterlijke instanties uitspraak op basis van de bepalingen inzake het Poolse strafprocesrecht, die volgens de verwijzende rechter de uit het Unierecht voortvloeiende minimumbeschermingsnormen niet waarborgen. Ten derde is een snelle beantwoording van de prejudiciële vragen noodzakelijk om de twijfels weg te nemen over de mogelijkheid voor een orgaan van de uitvoerende macht, zoals de minister van Justitie, om invloed uit te oefenen op de toepassing van het Unierecht in strafprocedures waarbij verdachte of beklaagde minderjarigen betrokken zijn.
62 Volgens artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan de president van het Hof op verzoek van de verwijzende rechter of, bij wijze van uitzondering, ambtshalve, wanneer de aard van de zaak een behandeling binnen korte termijnen vereist, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, beslissen een prejudiciële verwijzing te behandelen volgens een versnelde procedure die afwijkt van de bepalingen van dit Reglement.
63 In dit verband zij eraan herinnerd dat een dergelijke versnelde procedure een procedureel instrument vormt dat bedoeld is om buitengewoon spoedeisende situaties te behandelen [arrest van 9 januari 2024, G. e.a. (Benoeming van rechters in de gewone rechterlijke instanties in Polen),C‑181/21 en C‑269/21, EU:C:2024:1, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
64 In casu heeft de president van het Hof op 21 oktober 2022, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, beslist dat het in punt 61 van het onderhavige arrest genoemde verzoek niet hoefde te worden ingewilligd.
65 Uit vaste rechtspraak blijkt namelijk dat het grote aantal personen of juridische situaties dat mogelijkerwijs wordt geraakt door de beslissing die de verwijzende rechter moet nemen nadat hij het Hof heeft verzocht om een prejudiciële beslissing, als zodanig geen uitzonderlijke omstandigheid is die de toepassing van een versnelde procedure kan rechtvaardigen [arrest van 8 december 2020, Staatsanwaltschaft Wien (Vervalste overschrijvingsopdrachten),C‑584/19, EU:C:2020:1002, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat een groot aantal justitiabelen potentieel wordt geraakt door de beslissingen die de Poolse rechterlijke instanties nemen op grond van de bepalingen inzake het Poolse strafprocesrecht waarvan de geldigheid in het licht van het Unierecht in twijfel wordt getrokken [zie naar analogie arrest van 9 januari 2024, G. e.a. (Benoeming van rechters in de gewone rechterlijke instanties in Polen),C‑181/21 en C‑269/21, EU:C:2024:1, punt 55].
66 Bovendien kan noch uit het feit dat het verzoek om een prejudiciële beslissing vragen over het strafrecht doen rijzen, noch uit het enkele belang van justitiabelen – hoe legitiem ook – dat de draagwijdte van de rechten die zij aan het Unierecht ontlenen zo snel mogelijk wordt vastgesteld, worden afgeleid dat er sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid (zie in deze zin arrest van 11 april 2024, Sapira e.a.,C‑114/23, C‑115/23, C‑132/23 en C‑160/23, EU:C:2024:290, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
67 Wat ten slotte de twijfels betreft over de mogelijkheid dat een orgaan van de uitvoerende macht, zoals de minister van Justitie, invloed kan uitoefenen op de toepassing van het Unierecht, bevat het in punt 61 van het onderhavige arrest bedoelde verzoek geen enkel concreet element op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat een dergelijke mogelijkheid zou kunnen worden vermeden door de inleiding van de versnelde procedure.
68 De president van het Hof heeft niettemin besloten om de onderhavige zaak overeenkomstig artikel 53, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering bij voorrang te behandelen.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid
69 De Poolse regering voert aan dat de prejudiciële vragen niet-ontvankelijk zijn.
70 Ten eerste zijn de eerste tot en met de twaalfde vraag niet noodzakelijk voor de beslechting van de hoofdprocedure. Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt namelijk dat de verwijzende rechter de verzoeken van de Prokurator Prokuratury Rejonowej w Słupsku om bewijs te verkrijgen uit de verklaringen die de minderjarige verdachten in het kader van het in de hoofdprocedure aan de orde zijnde strafrechtelijk onderzoek hebben afgelegd, op grond van het nationale recht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Deze rechter heeft aldus de verklaringen die de minderjarige verdachten tijdens dat strafrechtelijk onderzoek hadden afgelegd uit het dossier geweerd. Bovendien zijn de minderjarige verdachten elk bijgestaan door een ambtshalve toegevoegde advocaat en heeft de verwijzende rechter voor een van hen, die tijdens de procedure 18 jaar is geworden, de ambtshalve toevoeging van een dergelijke advocaat gehandhaafd, op grond dat die toevoeging noodzakelijk was wegens omstandigheden die zijn verdediging bemoeilijkten.
71 Ten tweede zijn de dertiende en de veertiende vraag zuiver hypothetisch, aangezien zij geen verband houden met de feiten of het voorwerp van de hoofdprocedure.
72 De dertiende vraag en de veertiende vraag, onder b), hebben namelijk in het algemeen betrekking op de bevoegdheid van de minister van Justitie – die tevens de functie van Prokurator Generalny uitoefent – om bindende instructies te geven aan lagere openbare aanklagers, die ook de rechtstreekse toepassing van het Unierecht kunnen beperken of verhinderen. In dit verband heeft de verwijzende rechter niet gepreciseerd hoe de relevante nationale bepalingen op de hoofdprocedure zijn toegepast.
73 De veertiende vraag, onder a), heeft betrekking op de mogelijkheid om de met de hoofdprocedure belaste rechter tijdelijk te schorsen. In casu is de betrokken schorsing ingegaan op 9 februari en is deze beëindigd op 8 maart 2022 en is zij dus niet langer van kracht. Bovendien vond deze schorsing plaats in het kader van een procedure die geen enkel verband houdt met de hoofdprocedure. Aan de basis voor de betrokken maatregel tot schorsing lag het feit dat de betrokken rechter het bestaan van de arbeidsverhouding van een andere rechter betwistte, alsook de geldigheid van de aanstelling van die rechter met deelneming van de Krajowa Rada Sądownictwa. Een dergelijke situatie kon zich echter niet voordoen in de hoofdprocedure, aangezien de verwijzende rechter in een enkelvoudige kamer zitting houdt. In elk geval wordt in de motivering van het verzoek om een prejudiciële beslissing niets gezegd over de benoeming van rechters in Polen.
74 Volgens de Prokurator Regionalny w Gdańsku zijn de elfde tot en met de veertiende vraag niet-ontvankelijk, aangezien een antwoord van het Hof daarop niet noodzakelijk is om de hoofdprocedure te beslechten.
75 In het licht van de voorgaande argumenten zij eraan herinnerd dat het Hof bij herhaling heeft geoordeeld dat de krachtens artikel 267 VWEU ingestelde procedure een instrument is voor samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, dat het Hof in staat stelt de nationale rechters de elementen voor uitlegging van het Unierecht te verschaffen die zij nodig hebben om uitspraak te kunnen doen in de bij hen aanhangige gedingen en dat de rechtvaardiging van de prejudiciële verwijzing niet is gelegen in het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar in de behoefte aan de daadwerkelijke beslechting van een geding [arrest van 9 januari 2024, G. e.a. (Benoeming van rechters in de gewone rechterlijke instanties in Polen),C‑181/21 en C‑269/21, EU:C:2024:1, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
76 Zoals volgt uit de bewoordingen van artikel 267 VWEU moet de gevraagde prejudiciële beslissing voor de verwijzende rechterlijke instantie „noodzakelijk” zijn „voor het wijzen van haar vonnis” in de bij haar aanhangige zaak [arrest van 9 januari 2024, G. e.a. (Benoeming van rechters in de gewone rechterlijke instanties in Polen),C‑181/21 en C‑269/21, EU:C:2024:1, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
77 Uit zowel de bewoordingen als de opzet van artikel 267 VWEU blijkt namelijk dat de prejudiciële procedure met name vooronderstelt dat er daadwerkelijk een geding bij de nationale rechterlijke instantie aanhangig is, in het kader waarvan deze een beslissing moet geven waarbij rekening kan worden gehouden met de prejudiciële beslissing [arrest van 9 januari 2024, G. e.a. (Benoeming van rechters in de gewone rechterlijke instanties in Polen),C‑181/21 en C‑269/21, EU:C:2024:1, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
78 Bij een dergelijke procedure moet er dus sprake zijn van een zodanig verband tussen dat geding en de bepalingen van Unierecht waarvan om uitlegging wordt verzocht, dat die uitlegging objectief noodzakelijk is voor de door de verwijzende rechter te nemen beslissing [arrest van 9 januari 2024, G. e.a. (Benoeming van rechters in de gewone rechterlijke instanties in Polen),C‑181/21 en C‑269/21, EU:C:2024:1, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
79 De eerste tot en met de twaalfde vraag betreffen in essentie de uitlegging van verschillende bepalingen van richtlijn 2016/800, gelezen in het licht van de richtlijnen 2012/13, 2013/48 en 2016/343, voor zover deze bepalingen de procedurele rechten regelen van kinderen die verdachte of beklaagde zijn in strafprocedures.
80 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat de verwijzende rechter zich afvraagt of de Poolse wetgeving inzake de strafprocedure in overeenstemming is met die bepalingen en welke gevolgen een strijdigheid van het nationale recht met het Unierecht in de hoofdprocedure teweegbrengt. In dit verband preciseert deze rechter dat het antwoord op de eerste tot en met de twaalfde vraag noodzakelijk is om zich te kunnen uitspreken over de ontvankelijkheid van het bewijs dat voortvloeit uit de verklaringen die de minderjarige verdachten in het kader van de fase van het voorbereidende onderzoek hebben afgelegd zonder dat er een advocaat aanwezig was.
81 Het klopt dat de verwijzende rechter vermeldt de verzoeken van de Prokurator Prokuratury Rejonowej w Słupsku tot verkrijging van het bewijs dat is ontleend aan de belastende verklaringen die de minderjarige verdachten in de fase van het voorbereidende onderzoek hebben afgelegd zonder dat er een advocaat aanwezig was, te hebben afgewezen en aldus te hebben besloten dat bewijs buiten beschouwing te laten. Bovendien heeft deze rechter wat een van de minderjarige verdachten betreft, die tijdens de bij deze rechter aanhangige procedure 18 jaar was geworden, gepreciseerd de ambtshalve toevoeging van een advocaat ten behoeve van die verdachte te hebben verlengd.
82 Evenwel blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt, dat die rechter geen definitieve beslissing heeft genomen over de ontvankelijkheid van die bewijzen. Het antwoord op de gestelde vragen zal dus van invloed zijn op deze beslissing, omdat de verwijzende rechter in staat wordt gesteld ten gronde uitspraak te doen in de hoofdprocedure. Wat voorts het besluit tot verlenging van de ambtshalve toevoeging van een advocaat voor een van de verdachten in de hoofdprocedure betreft, blijkt dat dit besluit in een later stadium van de procedure is genomen en bijgevolg eventuele tekortkomingen tijdens de fase van het voorbereidende onderzoek niet kan verhelpen.
83 Hieruit volgt dat in casu een antwoord van het Hof op de eerste tot en met de twaalfde vraag noodzakelijk is om de verwijzende rechter in staat te stellen de gerezen vragen in limine litis te beantwoorden voordat deze rechter in voorkomend geval ten gronde uitspraak kan doen in de hoofdprocedure [zie naar analogie arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming), C‑487/19, EU:C:2021:798, punt 94 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
84 Aangezien aan de in de punten 76 tot en met 78 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarden is voldaan, zijn de eerste tot en met de twaalfde vraag bijgevolg ontvankelijk.
85 De dertiende en de veertiende vraag voldoen daarentegen niet aan deze voorwaarden.
86 In de eerste plaats hebben de dertiende vraag en de veertiende vraag, onder b), betrekking op de vraag of de openbare aanklager in de fase van het voorbereidende onderzoek de met het Unierecht strijdige nationale bepalingen buiten toepassing moet laten teneinde de doeltreffendheid van de rechten van verdachte minderjarigen te waarborgen, en of daartoe zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid moeten worden beschermd tegen eventuele inmenging door de uitvoerende macht.
87 Gelet op de in de punten 80 tot en met 83 van het onderhavige arrest genoemde gegevens blijkt in casu niet dat een antwoord van het Hof op die vragen noodzakelijk is om de verwijzende rechter in staat te stellen de gerezen vragen in limine litis te beantwoorden. Uit de door de verwijzende rechter verstrekte informatie blijkt namelijk dat in de hoofdprocedure de fase van het voorbereidende onderzoek is afgesloten en dat het thans aan die rechter staat om het bewijs dat in strijd met de procedurele rechten zou zijn verzameld, buiten beschouwing te laten of zich uit te spreken over het recht van verdachten om door een advocaat te worden bijgestaan.
88 In die omstandigheden is de vraag of de openbare aanklager in het kader van de fase van het voorbereidende onderzoek aan het Unierecht een verplichting ontleent om met het Unierecht strijdige nationale bepalingen buiten toepassing te laten teneinde de doeltreffendheid van de rechten van de verdachte minderjarigen te waarborgen, niet gericht op een uitlegging van het Unierecht met het objectieve doel de hoofdprocedure te beslechten, maar betreft het vraag van algemene en hypothetische aard.
89 In de tweede plaats wordt met de veertiende vraag, onder a), beoogd na te gaan of artikel 2 en artikel 19, lid 1, VEU en artikel 47 van het Handvest zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan de minister van Justitie de onmiddellijke schorsing van een rechter kan gelasten.
90 Het is juist dat in casu de met de hoofdprocedure belaste rechter op grond van die regeling was geschorst.
91 Uit de gegevens in het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt echter duidelijk dat tot deze schorsing, die overigens niet meer van kracht is, is besloten in een zaak die losstaat van de hoofdprocedure. Zoals de advocaat-generaal in punt 56 van haar conclusie heeft opgemerkt, is de vrees van die rechter om in het kader van de hoofdprocedure opnieuw te worden geschorst bovendien slechts hypothetisch.
92 Deze vraag beantwoordt dus niet aan een objectieve behoefte die inherent is aan de beslechting van het hoofdgeding, maar beogen van het Hof een algemene, van de behoeften van die zaak losstaande beoordeling van de nationale regeling te verkrijgen [zie naar analogie arrest van 9 januari 2024, G. e.a. (Benoeming van rechters in de gewone rechterlijke instanties in Polen),C‑181/21 en C‑269/21, EU:C:2024:1, punt 78].
93 Bijgevolg zijn de dertiende en de veertiende vraag niet-ontvankelijk.
Ten gronde
94 Gelet op de onderlinge samenhang van alle vragen van de verwijzende rechter, moeten om te beginnen de eerste tot en met de vierde vraag samen worden onderzocht, vervolgens de vijfde tot en met de zevende vraag, dan de achtste tot en met de tiende vraag, en ten slotte, de elfde en de twaalfde vraag, met dien verstande dat deze vragen uitsluitend moeten worden onderzocht in het licht van de bepalingen van richtlijn 2016/800, die specifiek op kinderen betrekking heeft.
Eerste tot en met vierde vraag
95 Met de eerste tot en met de vierde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 6, leden 1 tot en met 3, van richtlijn 2016/800, gelezen in het licht van artikel 18 van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die, ten eerste, er niet in voorziet dat kinderen die verdachte of beklaagde zijn, door een – in voorkomend geval ambtshalve toegevoegde – advocaat worden bijgestaan voordat zij door de politie of een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie worden verhoord en uiterlijk vóór hun eerste verhoor, en, ten tweede, toelaat dat deze kinderen als verdachte worden verhoord zonder dat tijdens het verhoor een advocaat aanwezig is. Bovendien vraagt deze rechter zich af of, indien deze vragen bevestigend worden beantwoord, een rechter bij wie een strafzaak aanhangig is gemaakt, een dergelijke nationale regeling buiten toepassing moet laten.
96 In de eerste plaats hebben kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure volgens artikel 6, lid 1, van richtlijn 2016/800 ten eerste recht op toegang tot een advocaat in overeenstemming met richtlijn 2013/48, met dien verstande dat volgens overweging 15 van deze richtlijn onder „advocaat” in het kader van deze richtlijn wordt verstaan eenieder die overeenkomstig het nationale recht, daaronder begrepen op grond van een door een bevoegde instantie verleende machtiging, gekwalificeerd en bevoegd is om verdachten of beklaagden juridisch advies en juridische bijstand te verlenen.
97 Om de omvang te bepalen van het recht van een kind om door een advocaat te worden bijgestaan, moet rekening worden gehouden met de omvang van het recht dat elke verdachte of beklaagde heeft krachtens artikel 3 van richtlijn 2013/48.
98 Zoals blijkt uit de overwegingen 18 en 26 van richtlijn 2016/800, moet bij de uitlegging van de bepalingen van richtlijn 2016/800 immers rekening worden gehouden met richtlijn 2013/48. Eerstgenoemde richtlijn bevat echter aanvullende waarborgen om rekening te houden met de specifieke behoeften en kwetsbaarheden van kinderen.
99 Ten tweede verplicht artikel 6, lid 2, van richtlijn 2016/800 de lidstaten om ervoor te zorgen dat kinderen bijstand krijgen van een advocaat in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel, teneinde hen in staat te stellen hun recht van verdediging daadwerkelijk uit te oefenen.
100 Zoals in essentie blijkt uit de overwegingen 1, 25 en 29 van richtlijn 2016/800, beoogt deze richtlijn rekening te houden met de specifieke kwetsbaarheid van kinderen in strafprocedures en hen aldus in het bijzonder aan te moedigen om hun in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest verankerde recht om zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen, alsook de door artikel 48, lid 2, van het Handvest gewaarborgde rechten van verdediging uit te oefenen (zie naar analogie arrest van 5 juni 2018, Kolev e.a.,C‑612/15, EU:C:2018:392, punt 104).
101 Ten derde wordt het fundamentele beginsel dat kinderen het recht hebben om door een advocaat te worden bijgestaan, in artikel 6, lid 3, van richtlijn 2016/800 nader uitgewerkt met betrekking tot het moment vanaf wanneer dat recht moet worden verleend [zie naar analogie arrest van 12 maart 2020, VW (Recht op toegang tot een advocaat bij niet-verschijning),C‑659/18, EU:C:2020:201, punt 31].
102 Zo moeten kinderen die verdachte of beklaagde zijn, op grond van dat lid 3 zonder onnodige vertraging toegang hebben tot een advocaat en in ieder geval vanaf om het even welk van de vier in de punten a) tot en met d) van dat lid genoemde specifieke gebeurtenissen het eerst valt.
103 Wat met name de fase van het voorbereidende onderzoek betreft, worden kinderen overeenkomstig artikel 6, lid 3, onder a), van richtlijn 2016/800 door een advocaat bijgestaan „voordat zij door de politie of door een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie worden verhoord” en, overeenkomstig artikel 6, lid 3, onder b), „wanneer de onderzoeks- of andere bevoegde autoriteiten een tot onderzoek of andere vorm van bewijsgaring strekkende handeling verrichten”.
104 Ten vierde preciseert artikel 6, lid 4, van richtlijn 2016/800 de omvang van het recht op bijstand van een advocaat voor kinderen.
105 Zo blijkt uit artikel 6, lid 4, onder a), van deze richtlijn dat kinderen het recht hebben de advocaat die hen vertegenwoordigt onder vier ogen te ontmoeten en met hem te communiceren, ook voordat zij door de politie of een andere rechtshandhavingsinstantie of rechterlijke instantie worden verhoord. Artikel 6, lid 4, onder b), bepaalt voorts dat kinderen door een advocaat worden bijgestaan tijdens verhoren en dat de advocaat daadwerkelijk aan het verhoor moet kunnen deelnemen.
106 Zoals de advocaat-generaal in punt 70 van haar conclusie heeft opgemerkt, voorziet richtlijn 2016/800, anders dan artikel 9 van richtlijn 2013/48, dat betrekking heeft op verdachten of beklaagden die geen kinderen zijn, niet in de mogelijkheid voor kinderen om afstand te doen van hun recht op bijstand door een advocaat.
107 Bovendien bepaalt artikel 18 van deze richtlijn dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de nationale wetgeving inzake rechtsbijstand de daadwerkelijke uitoefening van het in artikel 6 van die richtlijn bedoelde recht op bijstand van een advocaat garandeert.
108 Uit het voorgaande volgt dat kinderen die verdachte of beklaagde zijn, door het nationale recht de concrete en daadwerkelijke mogelijkheid moet worden geboden om zich door een advocaat te laten bijstaan, voordat zij voor het eerst door de politie of door een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie worden verhoord, en dit uiterlijk vanaf dat verhoor zelf.
109 Wanneer een kind of de persoon die het ouderlijk gezag heeft, geen advocaat heeft aangewezen voordat het kind door de politie of door een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie wordt verhoord, moet voor het kind ambtshalve een advocaat worden toegevoegd die het betrokken kind bijstaat bij dat verhoor.
110 In de tweede plaats en zoals de advocaat-generaal in punt 68 van haar conclusie heeft benadrukt, vloeit uit het dwingende karakter van de noodzaak om te waarborgen dat kinderen worden bijgestaan door een advocaat voordat zij worden verhoord door de politie of door enige andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie die daarmee wordt belast, voort dat deze autoriteiten niet tot dat verhoor kunnen overgaan wanneer het betrokken kind niet daadwerkelijk dergelijke bijstand geniet.
111 Artikel 6, lid 7, van richtlijn 2016/800 preciseert immers dat indien het kind overeenkomstig dit artikel 6 door een advocaat moet worden bijgestaan, maar er geen advocaat aanwezig is, de bevoegde autoriteiten het verhoor van het kind of elke andere onderzoekshandeling of handeling voor het vergaren van bewijs voor een redelijke termijn uitstellen, om de komst van een advocaat mogelijk te maken of, indien het kind geen advocaat heeft aangesteld, een advocaat voor het kind te kunnen regelen.
112 Het is juist dat artikel 6, leden 6 en 8, van richtlijn 2016/800 voorziet in bepaalde afwijkingen van het in deze richtlijn verankerde recht op bijstand door een advocaat. Uit deze bepalingen blijkt echter duidelijk dat over dergelijke afwijkingen per geval moet worden beslist door de bevoegde autoriteiten, teneinde vast te stellen of, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval en rekening houdend met de belangen van het kind, de voorgenomen afwijking gerechtvaardigd is, met inachtneming van de strikte voorwaarden van die bepalingen.
113 Op basis van deze bepalingen kan bijgevolg niet worden toegestaan dat in het kader van een nationale regeling op algemene en abstracte wijze wordt afgeweken van het recht op toegang tot een advocaat voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in de fase van het voorbereidende onderzoek.
114 In casu blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte informatie dat de relevante bepalingen van het nationale recht, in het bijzonder artikel 79, § 3, en artikel 301 KPK, niet voorzien in een verplichte aanwezigheid van een advocaat bij het verhoor van kinderen die verdachte zijn en, meer in het algemeen, tijdens de fase van het voorbereidende onderzoek. Volgens deze bepalingen zouden de betrokken kinderen, wanneer zij niet in detentie worden gehouden, bij hun verhoor namelijk slechts bijstand van een advocaat krijgen wanneer zij daar uitdrukkelijk om hebben verzocht. Bovendien vormt het feit dat er geen advocaat aanwezig is, geen beletsel voor dit verhoor van de betrokken kinderen.
115 In die omstandigheden blijkt dat een dergelijke nationale regeling onverenigbaar is met artikel 6, leden 1 tot en met 3, van richtlijn 2016/800, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
116 In dit verband moet er, gelet op de door de verwijzende rechter gestelde vragen, op worden gewezen dat, om de doeltreffendheid van alle Unierechtelijke bepalingen te waarborgen, het voorrangsbeginsel met name de nationale rechterlijke instanties verplicht om hun nationale recht zoveel mogelijk in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen [arrest van 8 maart 2022, Bezirkshauptmannschaft Hartberg-Fürstenfeld (Rechtstreekse werking),C‑205/20, EU:C:2022:168, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
117 De verplichting van conforme uitlegging van het nationale recht kent echter bepaalde beperkingen en kan met name niet dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht [arrest van 8 maart 2022, Bezirkshauptmannschaft Hartberg-Fürstenfeld (Rechtstreekse werking),C‑205/20, EU:C:2022:168, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
118 Tevens zij eraan herinnerd dat het voorrangsbeginsel de nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid belast is met de toepassing van de bepalingen van het Unierecht, de verplichting oplegt om, wanneer de nationale regelgeving niet in overeenstemming met de vereisten van het Unierecht kan worden uitgelegd, de volle werking van de vereisten van dat recht in het bij hem aanhangige geding te verzekeren door zo nodig op eigen gezag elke, zelfs latere, nationale regeling of praktijk buiten toepassing te laten die in strijd is met een bepaling van het Unierecht met rechtstreekse werking, zonder dat hij om de voorafgaande opheffing van die nationale regeling of praktijk via de wetgeving of enige andere constitutionele procedure hoeft te verzoeken of die hoeft af te wachten [arrest van 8 maart 2022, Bezirkshauptmannschaft Hartberg-Fürstenfeld (Rechtstreekse werking),C‑205/20, EU:C:2022:168, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
119 In casu moet worden aangenomen dat artikel 6, leden 1 tot en met 3, van richtlijn 2016/800, gelet op de duidelijke, nauwkeurige en onvoorwaardelijke bewoordingen ervan, rechtstreekse werking heeft.
120 Het staat dus aan de verwijzende rechter om de met name in punt 114 van het onderhavige arrest bedoelde nationale bepalingen zoveel mogelijk in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen teneinde de volle werking ervan te verzekeren. Indien die rechter niet tot een dergelijke uitlegging kan overgaan, dient deze op eigen gezag de nationale bepalingen die daarmee onverenigbaar blijken te zijn, buiten toepassing te laten.
121 In het licht van al het voorgaande moet op de eerste tot en met de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 6, leden 1 tot en met 3, van richtlijn 2016/800, gelezen in het licht van artikel 18 van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die, ten eerste, er niet in voorziet dat kinderen die verdachte of beklaagde zijn, door een – in voorkomend geval ambtshalve toegevoegde – advocaat worden bijgestaan voordat zij door de politie of een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie worden verhoord en uiterlijk vóór hun eerste verhoor, en, ten tweede, toelaat dat deze kinderen als verdachte worden verhoord zonder dat tijdens het verhoor een advocaat aanwezig is.
Vijfde tot en met zevende vraag
122 Vooraf moet worden vastgesteld dat de verwijzende rechter het Hof met de vijfde tot en met de zevende vraag verzoekt om uitlegging van onder meer verschillende bepalingen van richtlijn 2016/800, in het bijzonder artikel 2, leden 1 en 2, en artikel 6, leden 1 tot en met 3 en 7, gelezen in samenhang met artikel 18 van deze richtlijn.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 30 april 2024, C-670/22, ECLI:EU:C:2024:372
- HvJ EU 11 april 2024, C-114/23, ECLI:EU:C:2024:290
- HvJ EU 9 januari 2024, C-181/21, ECLI:EU:C:2024:1
- HvJ EU 9 november 2023, C-175/22, ECLI:EU:C:2023:844
- HvJ EU 1 augustus 2022, C-242/22, ECLI:EU:C:2022:611
- HvJ EU 8 maart 2022, C-205/20, ECLI:EU:C:2022:168
- HvJ EU 21 december 2021, C-357/19, ECLI:EU:C:2021:1034
- HvJ EU 6 oktober 2021, C-487/19, ECLI:EU:C:2021:798
- HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152
- HvJ EU 8 december 2020, C-584/19, ECLI:EU:C:2020:1002
- HvJ EU 12 maart 2020, C-659/18, ECLI:EU:C:2020:201
- HvJ EU 19 september 2019, C-467/18, ECLI:EU:C:2019:765
- HvJ EU 5 juni 2018, C-612/15, ECLI:EU:C:2018:392
- HvJ EU 27 februari 2018, C-64/16, ECLI:EU:C:2018:117