HvJ EU 21 november 2024, C-370/23, ECLI:EU:C:2024:972

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

21 november 2024 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Milieu – Verordening (EU) nr. 995/2010 – Verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen – Artikel 2, onder a) tot en met c) – Begrippen ‚hout en houtproducten’, ‚op de markt brengen’ en ‚marktdeelnemer’”

In zaak C‑370/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Najvyšší správny súd Slovenskej republiky (hoogste bestuursrechter van de Slowaakse Republiek) bij beslissing van 26 april 2023, ingekomen bij het Hof op 13 juni 2023, in de procedure

Mesto Rimavská Sobota

tegen

Ministerstvo pôdohospodárstva a rozvoja vidieka Slovenskej republiky

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, D. Gratsias (rapporteur) en E. Regan, rechters,

advocaat-generaal: T. Ćapeta,

griffier: S. Spyropoulos, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 15 mei 2024,

gelet op de opmerkingen van:

– de Slowaakse regering, vertegenwoordigd door E. V. Larišová als gemachtigde,

– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en R. Kissné Berta als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Tokár en C. Valero als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 juli 2024,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, onder b), van verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PB 2010, L 295, blz. 23).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Mesto Rimavská Sobota (stad Rimavská Sobota, Slowakije) en het Ministerstvo pôdohospodárstva a rozvoja vidieka (ministerie van Landbouw en Plattelandsontwikkeling, Slowakije; hierna: „ministerie van Landbouw”) over de rechtmatigheid van een geldboete die aan Mesto Rimavská Sobota is opgelegd omdat zij geen stelsel van zorgvuldigheidseisen in de zin van artikel 4, lid 2, en artikel 6 van verordening nr. 995/2010 had ingevoerd.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Overweging 31 van verordening nr. 995/2010 luidt: „Aangezien de doelstelling van deze verordening, te weten de bestrijding van illegale houtkap en de daarmee samenhangende handel, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve, vanwege haar reikwijdte, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 [VEU] neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. […]”

4 Artikel 1 van die verordening, met als opschrift „Onderwerp”, bepaalt: „Bij deze verordening worden de verplichtingen vastgesteld van marktdeelnemers die voor de eerste maal hout en houtproducten op de interne markt brengen, alsmede de verplichtingen van handelaren.”

5 Artikel 2 van die verordening, met als opschrift „Definities”, luidt: „Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities: a) ‚hout en houtproducten’: het hout en de houtproducten die in de bijlage worden genoemd, met uitzondering van houtproducten of bestanddelen van dergelijke producten die vervaardigd zijn van hout of houtproducten die hun levenscyclus hebben voltooid en anders zouden worden verwijderd als afval, als gedefinieerd in artikel 3, [punt] 1, van richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen [(PB 2008, L 312, blz. 3)]; b) ‚op de markt brengen’: het op enigerlei wijze, ongeacht de gebruikte verkooptechniek, voor de eerste maal leveren van hout of houtproducten op de interne markt met het oog op distributie of gebruik in het kader van een handelsactiviteit, hetzij tegen betaling hetzij kosteloos. Hieronder wordt ook verstaan het leveren door middel van communicatie op afstand als bedoeld in richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten [(PB 1997, L 144, blz. 19)]. De levering op de interne markt van houtproducten die zijn afgeleid van hout of houtproducten die reeds op de interne markt zijn gebracht, geldt niet als ‚op de markt brengen’; c) ‚marktdeelnemer’: een natuurlijke of rechtspersoon die hout of houtproducten op de markt brengt; […] f) ‚legaal gekapt’: gekapt overeenkomstig de toepasselijke wetgeving in het land waar het hout is gekapt; g) ‚illegaal gekapt’: gekapt in strijd met de toepasselijke wetgeving in het land waar het hout is gekapt; h) ‚toepasselijke wetgeving’: de wetgeving die van kracht is in het land waar het hout is gekapt en die betrekking heeft op de volgende aangelegenheden: – rechten tot houtkap binnen in een wettig officieel publicatieblad bekendgemaakte grenzen, […] – door houtkap geschonden wettelijke rechten van derden betreffende grondgebruik en grondbezit, […] […]”

6 Artikel 4 van verordening nr. 995/2010, met als opschrift „Verplichtingen van de marktdeelnemers”, bepaalt: „1. Het op de markt brengen van illegaal gewonnen hout of producten van dergelijk hout is verboden. 2. De marktdeelnemers betrachten zorgvuldigheid wanneer zij hout of houtproducten op de markt brengen. Daartoe passen zij een geheel van procedures en maatregelen toe, hierna ‚stelsel van zorgvuldigheidseisen’ genoemd, dat in artikel 6 wordt omschreven. 3. Iedere marktdeelnemer handhaaft en evalueert op gezette tijden het zorgvuldigheidsstelsel dat hij gebruikt, […].”

7 Artikel 6 van die verordening, met als opschrift „Stelsels van zorgvuldigheidseisen”, bepaalt in lid 1: „Het in artikel 4, lid 2, bedoelde stelsel van zorgvuldigheidseisen behelst de volgende elementen: a) maatregelen en procedures om toegang te bieden tot de volgende informatie over de partij hout en houtproducten van de marktdeelnemer die op de markt worden gebracht: – beschrijving, met inbegrip van de handelsnaam en het type product alsmede de gebruikelijke benaming van de boomsoort en, indien van toepassing, de volledige wetenschappelijke benaming daarvan, – land waar het hout is gekapt en, indien van toepassing: i) het subnationale gebied waar het hout is gekapt; alsmede ii) de kapconcessie, – hoeveelheid (uitgedrukt in omvang, gewicht of aantal eenheden), – naam en adres van de persoon die het hout aan de marktdeelnemer heeft geleverd, – naam en adres van de handelaar aan wie het hout of de producten daarvan zijn geleverd, – documenten of andere informatie waaruit blijkt dat het hout of de houtproducten in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving zijn; b) risicobeoordelingsprocedures die de marktdeelnemer in staat stellen om het risico dat illegaal gekapt hout of houtproducten van dergelijk hout op de markt worden gebracht, te analyseren en in te schatten. In dergelijke procedures wordt rekening gehouden met de informatie onder a), alsook de relevante risicobeoordelingscriteria, waaronder: – verzekering van de naleving van de geldende wetgeving, die certificering kan omvatten of andere door derde partijen gecontroleerde regelingen die de naleving van geldende wetgeving betreffen, – prevalentie van illegale kap van specifieke boomsoorten, – prevalentie van illegale kap of praktijken in het land en/of het subnationale gebied waar het hout gekapt is, inclusief de inachtneming van de prevalentie van gewapende conflicten, – sancties op de in‑ of uitvoer van hout, opgelegd door de Veiligheidsraad van de VN of de Raad van Europa, – de complexiteit van de toeleveringsketen van hout en houtproducten; c) behalve wanneer het bij onder b) bedoelde risicobeoordelingsprocedures onderkende risico verwaarloosbaar is, risicobeperkingsprocedures welke bestaan in een geheel van maatregelen en procedures die in verhouding staan tot dat risico en die toereikend zijn om het effectief te minimaliseren, in voorkomend geval door het verlangen van bijkomende informatie of bescheiden en/of door het verlangen van controles door derden. Dergelijke risicobeperkingsprocedures zijn niet van toepassing indien het onderkende risico verwaarloosbaar is.”

8 Artikel 19 van verordening nr. 995/2010, met als opschrift „Sancties”, bepaalt in lid 1: „De lidstaten stellen regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn bij inbreuken op de bepalingen van deze verordening en nemen alle maatregelen die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat ze worden uitgevoerd.”

9 De bijlage bij die verordening, met als opschrift „Hout en houtproducten, zoals vastgesteld in de in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad [van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1987, L 256, blz. 1)] vastgestelde gecombineerde nomenclatuur waarvoor het bepaalde in deze verordening geldt”, bevat de volgende vermeldingen: „– 4401 Brandhout, in de vorm van ronde of andere blokken, rijshout, takkenbossen en dergelijke; hout in plakjes, spanen of kleine stukjes; zaagsel, resten en afval, van hout, ook indien geperst tot blokken, briketten, pellets of dergelijke vormen – 4403 Hout, onbewerkt, ook indien ontschorst, ontdaan van het spint of enkel vierkant behakt of vierkant bezaagd […]”

Slowaaks recht

10 Zoals duidelijk blijkt uit artikel 1, lid 1, onder a), van de zákon č. 113/2018 Z. z. o uvádzaní dreva a výrobkov z dreva na vnútorný trh a o zmene a doplnení zákona č. 280/2017 Z. z. o poskytovaní podpory a dotácie v pôdohospodárstve a rozvoji vidieka a o zmene zákona č. 292/2014 Z. z. o príspevku poskytovanom z európskych štrukturálnych a investičných fondov a o zmene a doplnení niektorých zákonov v znení neskorších predpisov (wet nr. 113/2018 betreffende het op de interne markt brengen van hout en houtproducten en tot wijziging van wet nr. 280/2017 betreffende de verlening van steun en subsidies voor de landbouw en de plattelandsontwikkeling en tot wijziging van wet nr. 292/2014 inzake de medefinanciering door de Europese structuur‑ en investeringsfondsen en tot wijziging van bepaalde wetten, zoals gewijzigd), van 14 maart 2018 (nr. 113/2018 Z. z.), in de versie zoals die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „wet inzake hout”), regelt de rechten en verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen.

11 Artikel 4 van de wet inzake hout bepaalt: „1. De marktdeelnemer die hout en houtproducten op de interne markt brengt, is verplicht om een stelsel van zorgvuldigheidseisen toe te passen […]. Het stelsel van zorgvuldigheidseisen wordt op papier of in elektronische vorm opgesteld voordat het hout of de houtproducten op de interne markt worden gebracht. 2. De marktdeelnemer is verplicht om het stelsel van zorgvuldigheidseisen toe te passen en regelmatig te evalueren […]. 3. Een marktdeelnemer die hout en houtproducten van bomen of struiken die op het grondgebied van de Slowaakse Republiek zijn gekapt, op de interne markt brengt en die eigenaar, beheerder of bosbeheerder van een bosperceel is […], is verplicht om in het stelsel van zorgvuldigheidseisen tevens de informatie, documenten en registers overeenkomstig de bijzondere wetsbepalingen op te nemen, alsmede informatie over de procedure voor het kappen en hanteren van het hout en de houtproducten, het vervoeren en op de interne markt brengen daarvan, alsmede daarmee verband houdende documenten. […]”

12 Volgens artikel 17, lid 1, onder c), van de wet inzake hout begaat een marktdeelnemer een bestuurlijke overtreding indien hij „verzuimt om een stelsel van zorgvuldigheidseisen toe te passen of het stelsel van zorgvuldigheidseisen als bedoeld in artikel 4, leden 1, 2, 3 of 5, [van deze wet] niet regelmatig bijwerkt en evalueert […]”. Artikel 17, lid 5, onder b), van deze wet bepaalt dat „[d]e toezichthoudende autoriteit voor een […] bestuurlijke overtreding als bedoeld in lid 1, onder […] c) […] een geldboete oplegt tussen 2000 en 10000 [EUR] […]”.

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

13 Bij besluit van 10 april 2019 heeft de Slovenská lesnícko – drevárska inšpekcia (Slowaakse bosbouw‑ en houtinspectie, Slowakije) de stad Rimavská Sobota overeenkomstig artikel 17, lid 5, van de wet inzake hout een geldboete van 2000 EUR opgelegd op grond dat zij als marktdeelnemer in de zin van artikel 2, onder c), van verordening nr. 995/2010 had verzuimd een stelsel van zorgvuldigheidseisen in de zin van artikel 4, leden 1 tot en met 3, van de wet inzake hout toe te passen. Dit besluit is bevestigd bij besluit van het ministerie van Landbouw van 25 juni 2019.

14 De stad Rimavská Sobota heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, dat bij arrest van de Krajský súd v Banskej Bystrici (rechter in eerste aanleg Banská Bystrica, Slowakije) is verworpen. Tegen deze uitspraak heeft de stad Rimavská Sobota vervolgens cassatieberoep ingesteld bij de Najvyšší správny súd Slovenskej republiky (hoogste bestuursrechter van de Slowaakse Republiek), de verwijzende rechter.

15 Volgens de verwijzende rechter beperkte de stad Rimavská Sobota zich bij het verkopen van hout ertoe de kopers mee te delen welke bomen of welke bossen bestemd waren voor de kap, waarbij het vervolgens aan de kopers zelf stond om de bomen te kappen onder toezicht van het gemeentepersoneel.

16 Partijen in het hoofdgeding zijn het oneens over de vraag of de stad Rimavská Sobota een „marktdeelnemer” is in de zin van artikel 2, onder c), van verordening nr. 995/2010. Rimavská Sobota is van mening dat deze kwalificatie niet op haar van toepassing is, aangezien zij geen reeds gekapt hout verkocht, maar het recht om hout op stam te kappen.

17 Het ministerie van Landbouw betoogt dat de stad Rimavská Sobota, aangezien zij hout „op de markt heeft gebracht” in de zin van artikel 2, onder b), van verordening nr. 995/2010, een „marktdeelnemer” in de zin van artikel 2, onder c), van deze verordening is en dus de in artikel 4, lid 2, van deze verordening bedoelde verplichtingen dient na te leven. Volgens de aanwijzingen van de verwijzende rechter baseert het ministerie van Landbouw zich op het feit dat de stad Rimavská Sobota rechtstreeks hout verkocht dat de kopers zelf moesten kappen en vervoeren, zonder evenwel aan die kopers het recht over te dragen om een deel van het betrokken bos te kappen en te beheren. Volgens het ministerie van Landbouw kunnen de kopers enkel in het geval van een dergelijke overdracht worden beschouwd als „bosbeheerders” in de zin van de relevante bepalingen van Slowaaks recht en dus beschikken over de nodige informatie om een stelsel van zorgvuldigheidseisen te kunnen toepassen, zoals artikel 4, lid 2, van deze verordening nr. 995/2010 vereist.

18 De verwijzende rechter is van oordeel dat de bij hem aanhangige zaak een vraag doet rijzen over de uitlegging van de begrippen „op de markt brengen” en „marktdeelnemer” in de zin van artikel 2, onder b) en c), van verordening nr. 995/2010.

19 In deze omstandigheden heeft de Najvyšší správny súd Slovenskej republiky de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet artikel 2, onder b), van verordening [nr. 995/2010] aldus worden uitgelegd dat de verkoop (tegen betaling) van onbewerkt hout of brandhout in de zin van [de bijlage] bij deze verordening ook moet worden beschouwd als het op de markt brengen van hout als het hout uit hoofde van de overeenkomst wordt gekapt door de koper op basis van de aanwijzingen en onder toezicht van de verkoper?”

Ontvankelijkheid

20 De Slowaakse regering is van mening dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is omdat de gestelde vraag, zoals zij is geformuleerd, het Hof verzoekt om verordening nr. 995/2010 toe te passen op de feiten van het hoofdgeding.

21 In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat de nationale rechter in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU, die berust op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en het Hof, bij uitsluiting bevoegd is om de feiten van het hoofdgeding vast te stellen en te beoordelen alsook het nationale recht uit te leggen en toe te passen. Het staat daarentegen aan het Hof om de nationale rechterlijke instantie die hem om een prejudiciële beslissing heeft verzocht, de gegevens over de uitlegging van het Unierecht te verschaffen die noodzakelijk kunnen blijken voor de beslechting van het hoofdgeding, rekening houdend met de in de verwijzingsbeslissing vervatte informatie over het op dat geding toepasselijke nationale recht en de kenmerkende feiten van dat geding (zie in die zin arrest van 21 december 2021, Euro Box Promotion e.a., C‑357/19, C‑379/19, C‑547/19, C‑811/19 en C‑840/19, EU:C:2021:1034, punt 134 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

22 In casu moet worden vastgesteld dat de gestelde vraag volgens de bewoordingen ervan, betrekking heeft op de uitlegging van het begrip „op de markt brengen” in de zin van artikel 2, onder b), van verordening nr. 995/2010. Het staat aan de verwijzende rechter om deze bepaling, zoals uitgelegd door het Hof, toe te passen op de feiten van het hoofdgeding, rekening houdend met de nuttige aanwijzingen die het Hof daartoe heeft verschaft om het bij hem aanhangige geding te kunnen beslechten (zie in die zin arrest van 12 september 2024, Chaudfontaine Loisirs, C‑73/23, EU:C:2024:734, punt 38).

23 Het verzoek om een prejudiciële beslissing is dus ontvankelijk.

Beantwoording van de prejudiciële vraag

24 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, onder a) tot en met c), van verordening nr. 995/2010 aldus moet worden uitgelegd dat een natuurlijke of rechtspersoon die een overeenkomst sluit waarbij hij zijn medecontractant toestemming verleent om op zijn aanwijzingen of onder zijn toezicht onbewerkt hout of brandhout te kappen, moet worden beschouwd als een „marktdeelnemer” die „hout en houtproducten”„op de markt brengt” in de zin van deze bepaling.

25 Volgens vaste rechtspraak moet voor de uitlegging van een bepaling van het Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context van die bepaling en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 5 september 2024, W. GmbH, C‑67/23, EU:C:2024:680, punt 70).

26 Volgens artikel 2, onder c), van verordening nr. 995/2010 omvat het begrip „marktdeelnemer” iedere natuurlijke of rechtspersoon die hout of houtproducten op de markt brengt.

27 Volgens artikel 2, onder b), omvat het begrip „op de markt brengen”„het op enigerlei wijze, ongeacht de gebruikte verkooptechniek, voor de eerste maal leveren van hout of houtproducten op de interne markt met het oog op distributie of gebruik in het kader van een handelsactiviteit, hetzij tegen betaling hetzij kosteloos”.

28 De term „levering” in artikel 2, onder b), moet volgens zijn gebruikelijke betekenis worden opgevat als de eigendomsoverdracht van een hoeveelheid hout of houtproducten.

29 Het begrip „hout en houtproducten” omvat volgens artikel 2, onder a), van verordening nr. 995/2010 „het hout en de houtproducten die in de bijlage [bij die verordening] worden genoemd, met uitzondering van houtproducten of bestanddelen van dergelijke producten die vervaardigd zijn van hout of houtproducten die hun levenscyclus hebben voltooid en anders zouden worden verwijderd als afval, als gedefinieerd in artikel 3, [punt] 1, van richtlijn [2008/98]”.

30 Uit de bijlage bij verordening nr. 995/2010 volgt dat het begrip „hout en houtproducten” in de zin van deze verordening „onbewerkt hout” en „brandhout” omvat, maar niet „hout op stam”, dat wil zeggen hout van bomen die bestemd zijn om te worden geveld maar die nog niet geveld zijn, aangezien dit soort hout niet in die bijlage wordt genoemd.

31 Uit een en ander volgt dat een natuurlijke of rechtspersoon moet worden beschouwd als een „marktdeelnemer” die „hout en houtproducten”„op de markt brengt”, in de zin van artikel 2, onder a) tot en met c), van verordening nr. 995/2010 wanneer hij, ongeacht de gebruikte verkooptechniek, het eigendomsrecht op onbewerkt hout of brandhout voor de eerste maal overdraagt aan een persoon die handelingen verricht op de interne markt, met het oog op distributie of gebruik in het kader van een handelsactiviteit.

32 Bijgevolg moet dit onbewerkt hout of brandhout worden geacht door een marktdeelnemer in de zin van deze verordening op de markt te zijn gebracht wanneer het eigendom, na te zijn gekapt, voor de eerste maal, ongeacht de gebruikte verkooptechniek, wordt overgedragen met het oog op distributie of gebruik in het kader van een handelsactiviteit.

33 Wat de context van artikel 2, onder b), van verordening nr. 995/2010 betreft, moet worden opgemerkt dat volgens artikel 4, lid 1, van deze verordening „[h]et op de markt brengen van illegaal gewonnen hout of van producten van dergelijk hout is verboden”. Volgens artikel 2, onder g), van deze verordening verwijst het begrip „illegaal gekapt” hout naar hout dat „gekapt is in strijd met de toepasselijke wetgeving in het land waar het hout is gekapt”. Het begrip „toepasselijke wetgeving” verwijst overeenkomstig artikel 2, onder h), eerste en vierde streepje, van die verordening naar de wetgeving die van kracht is in het land waar het hout is gekapt, die met name betrekking heeft op de rechten tot houtkap binnen in een wettig officieel publicatieblad bekendgemaakte grenzen, alsmede door houtkap geschonden wettelijke rechten van derden betreffende grondgebruik en grondbezit.

34 Uit deze bepalingen volgt dat verordening nr. 995/2010 noch de voorwaarden voor de vestiging van het eigendomsrecht op hout dat is verkregen door houtkap, noch de wijze van verwerving of overdracht van dat recht regelt.

35 Deze voorwaarden en wijze van verwerving vallen derhalve onder het toepasselijke nationale recht, te weten het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de grond in kwestie zich bevindt. Bijgevolg moet aan de hand van de gevolgen die overeenkomstig dit nationale recht uit de betrokken handeling voortvloeien, worden bepaald of deze handeling het „op de markt brengen” van hout of houtproducten in de zin van artikel 2, onder b), van verordening nr. 995/2010 vormt.

36 De doelstelling van verordening nr. 995/2010 bestaat, zoals blijkt uit overweging 31 ervan, in de bestrijding van illegale houtkap en de daarmee samenhangende handel. Daartoe stelt deze verordening overeenkomstig artikel 1 ervan in het bijzonder de verplichtingen vast van de „marktdeelnemers” in de zin van artikel 2, onder c), van die verordening, te weten de personen die hout en houtproducten voor de eerste maal op de markt brengen.

37 Om de verwezenlijking van deze doelstelling te vergemakkelijken, maakt de toepassing van het nationale recht het mogelijk met zekerheid vast te stellen of een natuurlijke of rechtspersoon in een bepaald geval eigenaar is van het gekapte hout op het moment van de eerste verkoop ervan aan een derde, zodat hij moet worden aangemerkt als „marktdeelnemer” die „hout of houtproducten”„op de markt brengt” in de zin van artikel 2, onder a) tot en met c), van deze verordening, en de uit die juridische kwalificaties voortvloeiende verplichtingen moet nakomen.

38 Hieruit volgt dat een overeenkomst zoals die waarvan de verwijzende rechter melding maakt, op grond waarvan de beheerder van het betrokken bos zijn medecontractant toestemming verleent om op zijn aanwijzingen of onder zijn toezicht bepaalde bomen in dat bos te vellen en het hout dat afkomstig is van het vellen van die bomen te kappen, kan worden aangemerkt als „op de markt brengen” in de zin van artikel 2, onder b), van verordening nr. 995/2010, aangezien deze overeenkomst krachtens het toepasselijke nationale recht tot gevolg heeft dat de eigendom van dit hout na het kappen ervan van de beheerder wordt overgedragen op deze medecontractant.

39 Wanneer deze overeenkomst krachtens het toepasselijke nationale recht daarentegen niet leidt tot een dergelijke eigendomsoverdracht van het gekapte hout, maar de medecontractant louter door de betrokken bomen te vellen rechtstreeks en automatisch eigenaar van dat hout wordt, kan de met de beheerder van het gebied gesloten overeenkomst niet tot een dergelijk „op de markt brengen” leiden. Gesteld dat een dergelijke handeling kan worden aangemerkt als levering van hout op stam, volstaat het eraan te herinneren dat, zoals in punt 30 van het onderhavige arrest is opgemerkt, hout op stam niet onder het begrip „hout en houtproducten” in de zin van verordening nr. 995/2010 valt. In dat geval zal het op de markt brengen plaatsvinden wanneer de persoon die het betrokken hout heeft gekapt, de eigendom ervan aan een derde heeft overgedragen met het oog op distributie of gebruik in het kader van een handelsactiviteit.

40 In casu staat het aan de verwijzende rechter – die als enige bevoegd is om de feiten van het bij hem aanhangige geding vast te stellen en te beoordelen, alsook om het Slowaakse recht uit te leggen en toe te passen, en in het bijzonder de regels inzake de vestiging, verwerving en overdracht van het eigendomsrecht op een hoeveelheid gekapt hout – om te beoordelen of de stad Rimavská Sobota, in haar hoedanigheid van beheerder van het betrokken bos, na het kappen eigenaar is geworden van het door haar medecontractanten gekapt hout. Indien dat het geval zou zijn, zou de latere overdracht van de eigendom van dit hout aan deze medecontractanten op grond van de overeenkomsten die de stad Rimavská Sobota met hen heeft gesloten, een „op de markt brengen” in de zin van artikel 2, onder b), van verordening nr. 995/2010 vormen, mits deze overdracht heeft plaatsgevonden met het oog op distributie of gebruik in het kader van een handelsactiviteit. Het staat eveneens aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.

41 Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 2, onder a) tot en met c), van verordening nr. 995/2010 aldus moet worden uitgelegd dat een natuurlijke of rechtspersoon die een overeenkomst sluit waarbij hij zijn medecontractant toestemming verleent om op zijn aanwijzingen of onder zijn toezicht onbewerkt hout of brandhout te kappen, moet worden beschouwd als een „marktdeelnemer” die „hout en houtproducten”„op de markt brengt” in de zin van deze bepaling, wanneer deze medecontractant volgens het toepasselijke nationale recht niet louter door het vellen van bomen rechtstreeks en automatisch eigenaar van het gekapte hout wordt, maar de natuurlijke of rechtspersoon, die eigenaar van dit hout is gebleven, ter uitvoering van die overeenkomst dit eigendomsrecht na het kappen aan de medecontractant overdraagt.

Kosten

42 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 2, onder a) tot en met c), van verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen

moet aldus worden uitgelegd dat

een natuurlijke of rechtspersoon die een overeenkomst sluit waarbij hij zijn medecontractant toestemming verleent om op zijn aanwijzingen of onder zijn toezicht onbewerkt hout of brandhout te kappen, moet worden beschouwd als een „marktdeelnemer” die „hout en houtproducten”„op de markt brengt” in de zin van deze bepaling, wanneer deze medecontractant volgens het toepasselijke nationale recht niet louter door het vellen van bomen rechtstreeks en automatisch eigenaar van het gekapte hout wordt, maar de natuurlijke of rechtspersoon, die eigenaar van dit hout is gebleven, ter uitvoering van die overeenkomst dit eigendomsrecht na het kappen aan de medecontractant overdraagt.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Slowaaks.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in