Art. 8.5.35 Wetboek van Strafvordering
1. De officier van justitie stelt de persoon onder wie voorwerpen in beslag zijn genomen, bij wie gegevens zijn overgenomen tijdens een betreding of doorzoeking of tijdens een onderzoek van gegevens in een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk, of door wie op bevel daartoe gegevens zijn verstrekt, indien de geheimhouding daardoor niet in het gedrang komt, in kennis van zijn bevoegdheid om binnen twee weken na de kennisgeving overeenkomstig artikel 6.4.1 of 6.4.5 een klaagschrift in te dienen bij de rechtbank.
2. Indien de officier van justitie redenen heeft om aan te nemen dat een inbeslaggenomen voorwerp niet uitsluitend aan de beslagene toebehoort of verstrekte of overgenomen gegevens in overwegende mate betrekking hebben op andere personen dan de persoon die ze heeft verstrekt of de persoon bij wie de gegevens zijn overgenomen, doet hij de nodige nasporingen naar deze directe belanghebbenden in Nederland teneinde hen een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid te doen toekomen.
3. Indien een klaagschrift is ingediend of overeenkomstig artikel 2.7.71, eerste lid, beroep is ingesteld, stelt de officier van justitie de autoriteiten van de verzoekende staat daarvan in kennis. De autoriteiten van de verzoekende staat worden op dezelfde wijze van de beslissing op het klaagschrift dan wel het beroep in kennis gesteld.
4. Bij de behandeling van het klaagschrift blijft, indien dit in het belang van de geheimhouding noodzakelijk is, artikel 1.2.15, tweede lid, buiten toepassing.
5. De rechtbank beslist binnen een maand na ontvangst van het klaagschrift, bedoeld in het eerste lid.
6. Indien overeenkomstig artikel 6.4.14 beroep in cassatie is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank, bedraagt de termijn voor indiening van middelen van cassatie twee weken. De Hoge Raad beslist binnen drie maanden na indiening van de schriftuur.