Art. 8.5.20 Wetboek van Strafvordering

Wetboek van Strafvordering

1. Ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel kunnen door de officier van justitie, de opsporingsambtenaar en de rechter-commissaris de bevoegdheden worden uitgeoefend die zij kunnen uitoefenen in een Nederlands onderzoek naar dezelfde feiten.

2. De bevoegdheidsuitoefening blijft binnen de grenzen die daaraan in een Nederlands onderzoek zijn gesteld en vindt, onverminderd het bepaalde in artikel 8.5.19, eerste lid, plaats met inachtneming van de bepalingen die op een vergelijkbaar Nederlands onderzoek betrekking hebben. Daarbij worden, onverminderd de overeenkomstige toepassing van Boek 2, Titel 7.5, bepalingen die verband houden met het onderzoeksbelang en de daaraan gerelateerde eisen van proportionaliteit buiten beschouwing gelaten.

3. Indien de in het bevel genoemde bevoegdheid naar Nederlands recht niet bestaat, dan wel in een vergelijkbare Nederlandse zaak niet kan worden uitgeoefend, wordt indien mogelijk een andere bevoegdheid uitgeoefend waarmee hetzelfde resultaat kan worden bereikt. Indien er geen andere bevoegdheid als hiervoor bedoeld voorhanden is, stelt de officier van justitie de uitvaardigende autoriteit ervan in kennis dat de gevraagde bijstand niet kan worden verleend.

4. In afwijking van het eerste, tweede en derde lid, en onverminderd artikel 8.5.16, wordt een bevel altijd uitgevoerd indien dat ziet op:

a. het verkrijgen van al uit anderen hoofde verzameld bewijsmateriaal, dat overeenkomstig het Nederlandse recht in het kader van een strafprocedure of voor de doeleinden van het bevel is of had kunnen worden verkregen;

b. het verstrekken van politiegegevens of strafvorderlijke gegevens;

c. het horen, verhoren of ondervragen van een getuige, deskundige, slachtoffer, verdachte of derde in Nederland;

d. de identificatie van een gebruiker van een communicatiedienst;

e. andere onderzoekshandelingen ter verkrijging van elders vastgelegde gegevens waartoe een opsporingsambtenaar in een nationaal onderzoek zelfstandig bevoegd is.

5. De officier van justitie kan besluiten dat een andere bevoegdheid dan die aangegeven in het bevel wordt uitgeoefend, indien daardoor op minder indringende wijze hetzelfde resultaat kan worden bereikt.

6. Indien de officier van justitie voornemens is uitvoering te geven aan het bevel met toepassing van het derde of vijfde lid, stelt hij hiervan eerst de uitvaardigende autoriteit in kennis, waarna die kan besluiten het bevel in te trekken of aan te vullen.

Verwijst naar

Artikelen die hiernaar verwijzen

Toelichting

Vorige artikelen

Volgende artikelen