Art. 8.4.6 Wetboek van Strafvordering

Wetboek van Strafvordering

1. De officier van justitie die voornemens is een verzoek tot strafvervolging te doen of die een daartoe strekkend voorstel aan Onze Minister doet, stelt de verdachte die is verhoord, de verdachte ten aanzien van wie een vervolging is ingesteld of de veroordeelde van zijn voornemen of voorstel en de motivering daarvan in kennis. Eveneens stelt hij de benadeelde partij die de wens te kennen heeft gegeven dat haar schade in het strafproces wordt vergoed in kennis. De kennisgeving wordt aan de verdachte of de veroordeelde en de benadeelde partij betekend. Indien de verdachte, veroordeelde of benadeelde partij zich niet in Nederland bevindt, kan de kennisgeving achterwege worden gelaten indien betekening niet mogelijk is.

2. De kennisgeving vermeldt wat in artikel 8.4.28, eerste en tweede lid, is bepaald.

3. In het geval de kennisgeving moet worden betekend aan de verdachte die is verhoord, blijft een kennisgeving van niet-vervolging achterwege.

4. De officier van justitie of Onze Minister doet het voorgenomen of voorgestelde verzoek tot strafvervolging niet totdat de termijn, genoemd in artikel 8.4.28, eerste lid, is verstreken dan wel, als binnen die termijn een bezwaarschrift wordt ingediend, totdat op dat bezwaarschrift is beslist.

Verwijst naar

Artikelen die hiernaar verwijzen

Toelichting

Vorige artikelen

Volgende artikelen