Art. 8.4.4 Wetboek van Strafvordering

Wetboek van Strafvordering

1. Het verzoek tot strafvervolging wordt gedaan:

a. door de officier van justitie aan de justitiële autoriteiten van de andere staat indien en voor zover het toepasselijke verdrag uitdrukkelijk in die rechtstreekse toezending voorziet;

b. in andere gevallen door Onze Minister op voorstel van de officier van justitie.

2. Het voorstel bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is gemotiveerd. De officier van justitie legt daarbij de processtukken over die hij voor de beoordeling van het voorstel van belang acht. Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk na de ontvangst van het voorstel over het daaraan te geven gevolg.

3. Onze Minister doet een verzoek tot strafvervolging aan de autoriteiten van een andere staat door tussenkomst van Onze Minister van Buitenlandse Zaken.

4. Onze Minister stelt de officier van justitie in kennis van de beslissing die hij over het voorstel heeft genomen en van de kennisgevingen die hij naar aanleiding van het verzoek om strafvervolging van de autoriteiten van de andere staat heeft ontvangen.

Toelichting

Vorige artikelen

Volgende artikelen