Art. 8.3.9 Wetboek van Strafvordering
1. De kennisgeving, bedoeld in artikel 8.3.8, eerste en tweede lid, blijft achterwege indien de geheimhouding van het onderzoek daardoor in het gedrang zou komen. De officier van justitie dient alsdan in gevallen waarin de over te dragen voorwerpen in beslag zijn genomen of in gevallen waarin de over te dragen gegevens zijn verkregen met toepassing van artikel 2.7.48 al dan niet in samenhang met artikel 2.7.53 of artikel 2.7.68, tweede lid, bij de rechtbank, bedoeld in artikel 8.3.8, eerste lid, een vordering in tot verlening van verlof tot opheffing van de voorwaarden als bedoeld in artikel 8.3.5, tweede lid. Een vordering tot verlof wordt eveneens ingediend indien de gegevens ten aanzien waarvan het voornemen bestaat de voorwaarden op te heffen, zijn verkregen met toepassing van de artikelen 2.8.13, 2.8.15 en 2.8.16 al dan niet in samenhang met artikel 2.8.21.
2. Het eerste lid, tweede en derde zin, is niet van toepassing indien de staat, bedoeld in artikel 8.3.5, tweede lid, is gebonden door Richtlijn 2014/41/EU.
3. De rechtbank beslist binnen een maand na ontvangst van de vordering.
4. De officier van justitie kan binnen twee weken na dagtekening van de beslissing van de rechtbank beroep in cassatie instellen. De termijn voor indiening van middelen van cassatie bedraagt twee weken. De Hoge Raad beslist binnen drie maanden na indiening van de schriftuur.
Verwijst naar
- Artikel 2.8.13 Wetboek van Strafvordering
- Artikel 2.7.53 Wetboek van Strafvordering
- Artikel 2.8.16 Wetboek van Strafvordering
- Artikel 2.7.68 Wetboek van Strafvordering
- Artikel 8.3.5 Wetboek van Strafvordering
- Artikel 2.8.15 Wetboek van Strafvordering
- Artikel 2.8.21 Wetboek van Strafvordering
- Artikel 2.7.48 Wetboek van Strafvordering
- Artikel 8.3.8 Wetboek van Strafvordering