Art. 8.2.5 Wetboek van Strafvordering
1. Een verzoek om rechtshulp kan worden gedaan om een getuige of deskundige die zich op het grondgebied van de andere staat bevindt per videoconferentie te doen horen, verhoren of ondervragen door de rechter-commissaris of een gerecht. Het verzoek kan eveneens worden gedaan voor het, anders dan in het kader van zijn berechting, doen horen, verhoren of ondervragen van dan wel het laten bijwonen van een verhoor of zitting door een verdachte per videoconferentie.
2. De bepalingen in dit wetboek inzake het horen, verhoren of ondervragen van een verdachte, getuige of deskundige door de rechter-commissaris of een gerecht zijn van overeenkomstige toepassing op de uitvoering van het verzoek tot verhoor per videoconferentie.
3. De praktische regeling voor toepassing van de videoconferentie wordt overeengekomen tussen de rechter-commissaris die of het gerecht dat het verzoek heeft gedaan en de uitvoerende autoriteit van de andere staat.
4. Indien de uitvoerende autoriteit van de andere staat niet over de technische middelen voor een videoconferentie beschikt, kunnen deze na overleg ter beschikking worden gesteld.