Art. 7.6.4 Wetboek van Strafvordering

Wetboek van Strafvordering

1. Indien de bij vonnis of arrest tot een taakstraf veroordeelde niet aanvangt met de taakstraf, geen medewerking verleent aan het vaststellen van zijn identiteit of de taakstraf niet naar behoren verricht of heeft verricht, beveelt de officier van justitie dat vervangende hechtenis wordt toegepast, tenzij dit zou leiden tot een onbillijkheid van zwaarwegende aard wegens uitzonderlijke omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van de taakstraf.

2. Indien een gedeelte van de taakstraf is verricht, vermindert de officier van justitie de duur van de vervangende hechtenis naar evenredigheid. Heeft deze vermindering tot gevolg dat voor een gedeelte van een dag vervangende hechtenis zou moeten worden ondergaan, dan vindt afronding naar boven plaats tot het naaste aantal gehele dagen.

3. De officier van justitie geeft kennis aan de veroordeelde dat vervangende hechtenis wordt toegepast. De kennisgeving behelst het aantal uren taakstraf dat naar het oordeel van de officier van justitie is verricht, alsmede het aantal dagen vervangende hechtenis. De kennisgeving wordt zo spoedig mogelijk betekend aan de veroordeelde.

Toelichting

Vorige artikelen

Volgende artikelen