Art. 7.4.3 Wetboek van Strafvordering

Wetboek van Strafvordering

1. De rechtbank beslist over een vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling.

2. De officier van justitie dient de vordering tot verlenging in niet eerder dan twee maanden en niet later dan een maand vóór het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling door tijdsverloop zal eindigen.

3. Indien de officier van justitie binnen vier maanden voor het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling door tijdsverloop zal eindigen, een vordering indient die strekt tot het alsnog van overheidswege verplegen van de terbeschikkinggestelde dan wel tot de hervatting van de verpleging van overheidswege, kan de vordering tot verlenging gelijktijdig met die vordering worden ingediend.

4. Een vordering tot verlenging die niet is ingediend met inachtneming van het tweede of derde lid, is niettemin ontvankelijk indien zij binnen een redelijke termijn is ingediend en bijzondere omstandigheden aanwezig zijn waardoor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, ondanks het belang van de terbeschikkinggestelde, verlenging van de terbeschikkingstelling eist.

5. In het geval, bedoeld in het vierde lid, dient de officier van justitie, wanneer van het verzuim is gebleken na het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling door tijdsverloop is geëindigd, naast de vordering tot verlenging bij de rechtbank, direct een vordering tot voorlopige voortzetting van de terbeschikkingstelling in bij de rechter-commissaris.

6. Zolang niet onherroepelijk op de vordering tot verlenging is beslist, blijft de terbeschikkingstelling van kracht. Indien de vordering wordt toegewezen na de dag waarop de terbeschikkingstelling door tijdsverloop zou zijn geëindigd indien geen vordering was ingediend, gaat de nieuwe termijn niettemin op die dag in.

Artikelen die hiernaar verwijzen

Toelichting

Vorige artikelen

Volgende artikelen