Art. 7.7.27 Wetboek van Strafvordering
1. De rechtbank beslist over een vordering tot verlenging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige.
2. De officier van justitie dient de vordering tot verlenging in niet eerder dan twee maanden en niet later dan een maand vóór het tijdstip waarop de maatregel door tijdsverloop zal eindigen. Een vordering die later is ingediend, is niettemin ontvankelijk indien zij binnen een redelijke termijn is ingediend en bijzondere omstandigheden aanwezig zijn waardoor de verdere ontwikkeling van de veroordeelde de verlenging van de maatregel eist. Artikel 7.4.3, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Bij de vordering worden overgelegd:
a. een recent opgemaakt, gemotiveerd en ondertekend advies van de raad voor de kinderbescherming, of, in het geval, bedoeld in artikel 77w, tweede lid, derde zin, van het Wetboek van Strafrecht, een advies van een gedragsdeskundige of de reclasseringsinstelling;
b. een kopie van de aantekeningen over het gedrag van de veroordeelde, afkomstig van de instelling of organisatie die is belast met de tenuitvoerlegging van de maatregel.
4. De artikelen 77w, derde tot en met vijfde lid, en 77wa van het Wetboek van Strafrecht zijn van overeenkomstige toepassing.