Art. 33 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen, SAMENWERKING
Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
1. Indien een ingevolge de artikelen 5 tot en met 8 bevoegde autoriteit de plaatsing van de volwassene in een instelling of op een andere plaats waar bescherming kan worden geboden overweegt, en indien deze plaatsing dient te geschieden in een andere Verdragsluitende Staat, pleegt zij eerst overleg met de Centrale Autoriteit of een andere bevoegde autoriteit van laatstgenoemde Staat. Daartoe verstrekt zij een rapport over de volwassene, vergezeld van de redenen voor de voorgestelde plaatsing.
2. De beslissing over de plaatsing mag in de verzoekende Staat niet worden genomen indien de Centrale Autoriteit of een andere bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat binnen een redelijke termijn blijk geeft van haar bezwaar.
Verwijst naar
Artikelen die hiernaar verwijzen
Vorige artikelen
- Artikel 28 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 29 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 30 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 31 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 32 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
Volgende artikelen
- Artikel 34 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 35 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 36 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 37 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 38 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen