Art. 32 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen, SAMENWERKING
Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
1. Wanneer een beschermende maatregel wordt overwogen, kunnen de ingevolge het Verdrag bevoegde autoriteiten, indien de omstandigheden van de volwassene dit vereisen, elke autoriteit van een andere Verdragsluitende Staat die informatie heeft die van belang is voor de bescherming van de volwassene, verzoeken deze informatie mede te delen.
2. Een Verdragsluitende Staat kan verklaren dat verzoeken ingevolge het eerste lid slechts via zijn Centrale Autoriteit aan zijn autoriteiten kunnen worden doorgeleid.
3. De bevoegde autoriteiten van een Verdragsluitende Staat kunnen de autoriteiten van een andere Verdragsluitende Staat verzoeken bijstand te verlenen bij de uitvoering van de ingevolge dit Verdrag genomen beschermende maatregelen.
Artikelen die hiernaar verwijzen
Vorige artikelen
- Artikel 27 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 28 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 29 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 30 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 31 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
Volgende artikelen
- Artikel 33 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 34 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 35 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 36 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 37 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen