Art. 38 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen, ALGEMENE BEPALINGEN
Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
1. De autoriteiten van de Verdragsluitende Staat waar een beschermende maatregel is genomen of een vertegenwoordigingsbevoegdheid is bevestigd, kunnen aan de persoon aan wie de bescherming van de persoon of het vermogen van de volwassene is toevertrouwd, op zijn verzoek, een verklaring verstrekken waarin wordt aangegeven in welke hoedanigheid die persoon kan optreden en welke bevoegdheden hem zijn verleend.
2. De in de verklaring aangegeven hoedanigheid en bevoegdheden worden geacht vast te staan met ingang van de datum van de verklaring, behoudens bewijs van het tegendeel.
3. Elke Verdragsluitende Staat wijst de autoriteiten aan die bevoegd zijn de verklaring op te stellen.
Vorige artikelen
- Artikel 33 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 34 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 35 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 36 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 37 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
Volgende artikelen
- Artikel 39 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 40 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 41 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 42 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen
- Artikel 43 Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen