Hof Den Haag 28 april 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:828
Verzoeker in hoger beroep heeft een verzoek tot wraking ingediend tegen één van de drie behandelend raadsheren. Het hof heeft, na schorsing, ter zitting meegedeeld het wrakingsverzoek buiten behandeling te laten en voort te gaan met de inhoudelijke behandeling van de zaak en neemt daartoe tot uitgangspunt de beslissing van de strafkamer van de Hoge Raad van 16 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2016:370) over de mogelijkheid van uitzonderingen op het algemene uitgangspunt dat een verzoek tot wraking behoort te worden behandeld door een wrakingskamer. Het hof overweegt dat dit wrakingsverzoek is gedaan in weerwil van de [eerdere] beslissing van de wrakingskamer [in deze zaak] dat een volgend verzoek niet in behandeling wordt genomen. Het verzoek richt zich, voor zover het de gewraakte raadsheer betreft, niet tegen dezelfde raadsheer tegen wie het eerdere wrakingsverzoek was gedaan – en waarop een wrakingsverbod is uitgesproken, zodat niet (geheel) is voldaan aan de door de Hoge Raad in de beslissing van 16 maart 2021 onder 2.7.1 omschreven voorwaarde. Volgens het hof kan er geen twijfel over bestaan dat hier als gevolg van herhaalde wrakingsverzoeken een uitzondering moet kunnen worden gemaakt op het algemene uitgangspunt dat wrakingsverzoeken moeten worden beoordeeld door de wrakingskamer met het oog op de belangen van een goede procesorde. Daarbij speelt niet slechts een rol dat de andere bij de procedure betrokken partijen recht hebben op een beslissing zonder verdere nodeloze vertraging, maar ook dat de vele wrakingsverzoeken door de vader in deze (en vele andere) zaken een (te) groot beslag leggen op de capaciteit van het hof. Verder is in elk geval voldaan aan de door de Hoge Raad in de beslissing van 16 maart 2021 onder 2.7.3 omschreven voorwaarde, te weten dat ondubbelzinnig kan worden vastgesteld dat in het hier aan de orde zijnde wrakingsverzoek geen enkel feit en geen enkele omstandigheid is vermeld waaruit kan volgen dat de rechterlijke onpartijdigheid van de desbetreffende zittingsrechter schade kan lijden of dat daarvoor een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat. Het enige dat ter onderbouwing van het wrakingsverzoek is aangevoerd, betreft de omstandigheid van de eerdere door de vader genoemde ‘administratieve wraking’ van de betreffende raadsheer. Nu daarmee gedoeld wordt op de situatie dat eerder vergeefs om wraking van deze raadsheer is verzocht en zij niettemin – zoals bij de wijze van inroostering van familiezaken veelal moeilijk valt te vermijden – bij een volgende behandeling geen deel uitmaakte van de combinatie, kan er geen twijfel over bestaan dat dit geen omstandigheid kan opleveren die tot toewijzing van het wrakingsverzoek kan leiden.
De uitspraak op rechtspraak.nl