Art. 2:27 Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties, (mening veroordeelde; bezwaar)
Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties
1. Onze Minister stelt de veroordeelde in de gelegenheid zijn mening te geven over het voornemen om een rechterlijk uitspraak aan de uitvoerende lidstaat te zenden. Tenzij de mening van de veroordeelde aanleiding geeft om van het voornemen af te zien, geeft Onze Minister van zijn voornemen schriftelijk kennis aan de veroordeelde.
2. Het eerste lid blijft buiten toepassing, indien de veroordeelde zich niet in Nederland bevindt of zelf om de toezending van de rechterlijke uitspraak heeft verzocht.
3. De veroordeelde kan binnen veertien dagen na ontvangst van de kennisgeving tegen het voornemen van Onze Minister een bezwaarschrift indienen bij de bijzondere kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie.
4. Zo spoedig mogelijk na ontvangst van een tijdig ingediend bezwaarschrift onderzoekt de bijzondere kamer van het gerechtshof of Onze Minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de voorgenomen beslissing kan komen.
5. De veroordeelde wordt bij het onderzoek gehoord, althans opgeroepen. In geval de veroordeelde geen raadsman heeft, geeft de voorzitter aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand last tot aanwijzing van een raadsman.
6. De artikelen 21 tot en met 25 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
7. Van zijn beslissing stelt de bijzondere kamer van het gerechtshof Onze Minister en de veroordeelde schriftelijk in kennis. Acht de bijzondere kamer van het gerechtshof het bezwaarschrift gegrond, dan ziet Onze Minister af van de toezending van de rechterlijke uitspraak aan de uitvoerende lidstaat.
8. Tegen de beslissing van de bijzondere kamer van het gerechtshof staat geen rechtsmiddel open, anders dan beroep in cassatie in het belang der wet als bedoeld in artikel 456 van het Wetboek van Strafvordering.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:8200
- Hof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:8199
- Hof Arnhem-Leeuwarden 7 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6760
- Hof Arnhem-Leeuwarden 22 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6533
- Hof Arnhem-Leeuwarden 7 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6475
- Hof Arnhem-Leeuwarden 27 mei 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3555
- Hof Arnhem-Leeuwarden 27 mei 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3552
- Hof Arnhem-Leeuwarden 27 mei 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3551
- Hof Arnhem-Leeuwarden 18 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2009
- Hof Arnhem-Leeuwarden 18 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2008
- Hof Arnhem-Leeuwarden 3 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:5572
- Hof Arnhem-Leeuwarden 3 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2848
- Hof Arnhem-Leeuwarden 13 februari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1225
- Hof Arnhem-Leeuwarden 13 februari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1040
- Hof Arnhem-Leeuwarden 25 mei 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:4287
- Hof Arnhem-Leeuwarden 28 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1515
- Hof Arnhem-Leeuwarden 25 juni 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4854
- Hof Arnhem-Leeuwarden 18 juni 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4678
- Hof Arnhem-Leeuwarden 21 juli 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6540
- Hof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6539