Hof Arnhem-Leeuwarden 13 februari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1040
Betreft uitgaand verzoek tot wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging rechterlijke uitspraak. Bezwaarschrift ex artikel 2:27, derde lid van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties. Veroordeelde heeft een gevangenisstraf van zesendertig maanden opgelegd gekregen vanwege een poging tot afpersing van een supermarkt. Veroordeelde is geboren op het grondgebied van het huidige Letland, toen dat gebied nog onderdeel was van de voormalige Sovjet-Unie. Sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie heeft veroordeelde geen (formeel) staatsburgerschap van een natie. Veroordeelde is wel in het bezit van een geldige vreemdelingenstatus in Letland. Het verblijfsrecht van veroordeelde in Nederland is beëindigd en hij is ongewenst verklaard. Veroordeelde bezit weliswaar niet de Letse nationaliteit maar heeft wel een geldige verblijfstatus aldaar op basis waarvan hij kan worden uitgezet naar Letland. Uit de stukken blijkt niet dat veroordeelde zijn vaste woon- of verblijfplaats in Letland heeft. Op basis daarvan kan niet zonder meer worden gezegd dat veroordeelde een onderdaan is van Letland. Instemming van de bevoegde autoriteit van Letland is daarom vereist. De instemming van veroordeelde is niet vereist. Er bestaat geen algemeen reëel gevaar bestaat voor een onmenselijk of vernederende behandeling in gevangenissen in Letland. De minister kon in redelijkheid tot de voorgenomen beslissing komen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 2:24 Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties
- Artikel 2:25 Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties
- Artikel 2:26 Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties
- Artikel 2:27 Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties