Art. 3 Ur AWR, Verzoek om uitnodiging tot het doen van aangifte
Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 (Ur AWR)
1. Met betrekking tot de belastingen welke op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen, is de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, die niet reeds is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden vóór het tijdstip waarop de belasting moet worden betaald, de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.
2. De belastingplichtige die niet reeds is uitgenodigd tot het doen van aangifte en een teruggaaf van omzetbelasting wenst, is gehouden de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarin het recht op teruggaaf is ontstaan.
3. Een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, die weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat een verkrijging van aandelen in die rechtspersoon heeft plaatsgehad onder de in die bepaling genoemde omstandigheden, is gehouden vóór het tijdstip waarop de belasting ter zake van die verkrijging moet worden betaald, de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken, zo de rechtspersoon niet reeds met het oog op die verkrijging is uitgenodigd tot het doen van aangifte.
4. Een vereniging als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, die voor een bepaald kalenderjaar niet reeds is uitgenodigd tot het doen van aangifte, is gehouden binnen veertien dagen na afloop daarvan de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.
5. Indien ter zake van een verkrijging van goederen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer of van andere goederen waarvan geen notariële akte is opgemaakt een vrijstelling van overdrachtsbelasting wordt toegepast, is de verkrijger gehouden om binnen een maand na die verkrijging de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Zeeland-West-Brabant 21 april 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:2349
- Hof 's-Hertogenbosch 27 juni 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:2621
- Hof Den Haag 29 juli 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2126
- Rb. Noord-Nederland 22 december 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:6244
- Rb. Noord-Nederland 8 september 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:4671
- Rb. Den Haag 19 november 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:14470
- Conclusie A-G Silvis 12 juli 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ3673
- Hof 's-Hertogenbosch 27 december 2005, ECLI:NL:GHSHE:2005:AV3419
- Hof 's-Hertogenbosch 2 mei 2005, ECLI:NL:GHSHE:2005:AT9475
- Hof Amsterdam 3 december 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:5325
- Rb. Overijssel 6 april 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:1364
- Rb. Oost-Brabant 26 augustus 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:6017
- Rb. Noord-Nederland 2 november 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:5585
- Rb. Gelderland 5 augustus 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:4388
- Rb. Breda 19 juli 2006, ECLI:NL:RBBRE:2006:AY5715
- Conclusie A-G IJzerman 22 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:966
- Hof 's-Hertogenbosch 16 augustus 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BY4721
- Hof 's-Hertogenbosch 8 mei 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BD6412
- Hof 's-Hertogenbosch 9 januari 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BA2460
- Hof 's-Hertogenbosch 16 juli 2003, ECLI:NL:GHSHE:2003:AK3826