Rb. Noord-Nederland 2 november 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:5585

De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur, in het licht van hetgeen de rechtbank in haar uitspraak van 27 juli 2021 heeft geoordeeld, de suppletie heeft mogen opvatten als een teruggaafverzoek voor de periode 1 oktober 2018 tot en met 5 december 2018. Voor een dergelijk verzoek om teruggaaf geldt dat dat in ieder geval binnen de in artikel 3, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 gestelde termijn moet worden ingediend. In dit geval betekent dit dat het verzoek voor 1 juli 2019 had moeten worden ingediend. Omdat eiser het verzoek (ruim) na 1 juli 2019 heeft ingediend, heeft de inspecteur het verzoek terecht niet-ontvankelijk verklaard. Omdat eiser in bezwaar verder niets heeft aangevoerd ter zake van eventuele verschoonbaarheid van de te late indiending van het verzoek, heeft de inspecteur het bezwaar tegen de niet-ontvankelijkverklaring terecht ongegrond verklaard. Omdat eiser ook in beroep verder niets heeft aangevoerd ter zake van eventuele verschoonbaarheid van de te late indiending van het verzoek, is ook het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep aldus ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur, in het licht van hetgeen de rechtbank in haar uitspraak van 27 juli 2021 heeft geoordeeld, de suppletie heeft mogen opvatten als een verzoek tot ambtshalve verhoging in de zin van artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van de teruggaafbeschikking van 22 februari 2019 december 2018. De inspecteur heeft afwijzend beslist dit verzoek. Deze beslissing van de inspecteur is een ingevolge de belastingwet genomen besluit. Tegen een dergelijke beslissing staat echter ingevolge artikel 26 van de Awr geen bezwaar of beroep open. Gelet daarop heeft de inspecteur het door eiser tegen die beslissing ingediende bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken