Conclusie A-G IJzerman 22 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:966
Belanghebbende levert sinds de ingebruikname, op 1 september 2012, van zijn zonne-energie-installatie, een deel van de met die installatie opgewekte elektriciteit tegen vergoeding aan de energiemaatschappij. Ter zake van deze leveringen is belanghebbende ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet OB. Dat betekent enerzijds dat belanghebbende omzetbelasting verschuldigd is ter zake van door hem geleverde elektriciteit en anderzijds dat hij de aan hem in rekening gebrachte gerelateerde voorbelasting in aftrek kan brengen. Hieronder is begrepen de aan belanghebbende ter zake van de aanschaf en plaatsing van de installatie gefactureerde omzetbelasting. Ingevolge artikel 17 van de Wet OB geldt dat ingeval, zoals in casu, de voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting meer bedraagt dan de in het tijdvak verschuldigd geworden omzetbelasting, het verschil aan de ondernemer op zijn verzoek wordt terugbetaald. In casu is niet in geschil dat belanghebbende, in de periode van 1 september 2012 tot en met 31 december 2012, € 21 omzetbelasting verschuldigd is geworden. Evenmin is in geschil dat belanghebbende in beginsel recht heeft op aftrek van de op factuur van 1 september 2012, wegens aanschaf en plaatsing van de installatie, betaalde omzetbelasting van € 831. Aldus resteert per saldo als terug te betalen een bedrag van € 810. In geschil is of belanghebbende het teruggaafverzoek, als voortkomend uit zijn aangifte, tijdig heeft gedaan. Op 20 juni 2013 is door het HvJ het arrest Fuchs gewezen. Daardoor is komen vast te staan dat belanghebbende ondernemer is in de zin van de Wet OB. Belanghebbende had eerder, naar aanleiding van de conclusie voor het arrest Fuchs, bij brief van 8 maart 2013 aan de Inspecteur verzocht om als ondernemer in de zin van de Wet OB geregistreerd te worden. De Inspecteur heeft daarop aan belanghebbende op 3 april 2013 een aangiftebiljet startende ondernemers uitgereikt voor het aangiftetijdvak 1 september 2012 tot en met 31 december 2012. Op dit aangiftebiljet stond vermeld dat de aangifte binnen moest zijn op 6 mei 2013. Belanghebbende heeft het aangiftebiljet op 7 april 2013 ingevuld ingediend, waarbij per saldo een teruggaaf werd verzocht van € 810. De Inspecteur heeft belanghebbendes, ingevolge zijn bij aangifte gedane teruggaafverzoek als te laat aangemerkt en heeft de teruggaaf op nihil gesteld. Daarin is hij gevolgd door het Hof. Daartoe heeft het Hof overwogen dat ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Wet het verzoek om teruggaaf dient te geschieden op de aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan. Belanghebbende is omzetbelastingplichtige geworden per 1 september 2012. Dat betekent dat belanghebbende aangifte had moeten doen over het derde kwartaal. Nu belanghebbende na afloop van dit tijdvak nog niet was uitgenodigd aangifte te doen, had hij de Inspecteur uiterlijk op 31 oktober 2012 moeten verzoeken om een uitnodiging tot het doen van aangifte. Voorts overweegt het Hof dat het verzoek om te worden uitgenodigd tot het doen van aangifte met betrekking tot het vierde kwartaal 2012 had moeten worden gedaan uiterlijk 31 januari 2013. Belanghebbende heeft echter pas bij brief van 8 maart 2013 de Inspecteur verzocht hem als ondernemer aan te merken en hem een aangiftebiljet uit te reiken voor de periode 1 september 2012 tot en met 31 december 2012. De Inspecteur heeft belanghebbende op 3 april 2013 uitgenodigd aangifte te doen voor die (viermaands) periode en de termijn daarvoor gesteld op 6 mei 2013. Belanghebbende heeft de aangifte binnen die termijn gedaan. Dat acht het Hof in het licht van de wettelijke regeling, te laat, zodat het Hof is gekomen tot het oordeel dat de teruggaaf van omzetbelasting ad € 810 door de Inspecteur terecht is geweigerd. De A-G meent dat het hier vooral gaat om de vraag of de Inspecteur, door aan belanghebbende een termijn voor het doen van aangifte te stellen, welke langer is dan de wettelijke termijn, in zoverre uitstel voor het doen van aangifte heeft verleend. Zo ja, dan kan belanghebbende op grond van zijn aangifte, na saldering met de door hem gefactureerde omzetbelasting, teruggaaf van aan hem gefactureerde omzetbelasting verkrijgen over het viermaands tijdvak waarop de aangifte ziet. De A-G wijst erop dat de inspecteur bevoegd is een ander tijdvak vast te stellen dan het kwartaal, zoals de onderhavige viermaands periode. Het lijkt de A-G niet dat de wettelijke regeling met zich meebrengt dat het al dan niet tijdig verzocht hebben om een uitnodiging tot het doen van aangifte, doorslaggevend is voor de tijdigheid van het doen van de aangifte zelf. De A-G zijn geen wettelijke bepalingen bekend die bepalen dat het niet tijdig verzoeken om een uitnodiging tot het doen van aangifte, moet leiden tot de constatering dat een nadien gedane aangifte niet tijdig is gedaan. Aldus zal, naar de A-G meent, zelfstandig moeten worden beoordeeld welke wettelijke termijnen hier gelden voor het doen van aangifte, en daarmee voor een daarin vervat teruggaafverzoek. Op grond van de wettelijke regelingen en de jurisprudentie komt de A-G tot de opvatting dat de Inspecteur, door te verlangen dat de aangifte binnen moet zijn op 6 mei 2013, tot die datum een termijn van uitstel voor het doen van aangifte heeft verleend. Dat betekent naar zijn mening dat de door belanghebbende op 7 april 2013 ingediende aangifte, als tijdig gedaan moet worden aangemerkt. Daarmee is ook het daarin vervatte teruggaafverzoek tijdig te achten. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 6 AWR
- Artikel 8 AWR
- Artikel 10 AWR
- Artikel 19 AWR
- Artikel 20 AWR
- Artikel 67c AWR
- Artikel 7 Wet OB
- Artikel 14 Wet OB
- Artikel 15 Wet OB
- Artikel 17 Wet OB
- Artikel 31 Wet OB
- Artikel 32l Wet OB
- Artikel 33 Wet OB
- Artikel 52a WA
- Artikel 53 WA
- Artikel 53a WA
- Artikel 6:11 Awb
- Artikel 3 Ur AWR
- Artikel 15 Ur AWR
- Artikel 25 Ur AWR
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Zeeland-West-Brabant 22 maart 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:1974
- Rb. Noord-Nederland 22 december 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:6244
- HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3465
- Hof Amsterdam 24 november 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4966
- Rb. Zeeland-West-Brabant 4 november 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:7147
- Rb. Noord-Nederland 8 september 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:4671
- Rb. Zeeland-West-Brabant 19 augustus 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:6392
- Hof Den Haag 29 juli 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2126
- Rb. Gelderland 9 juli 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:4337
- Rb. Gelderland 30 juni 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:4123
- Rb. Zeeland-West-Brabant 21 april 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:2349
- Rb. Den Haag 19 november 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:14470
- HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2799
- Rb. Leeuwarden 29 maart 2010, ECLI:NL:RBLEE:2010:BM1628
- HR 18 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AM3206
- HR 11 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1368
- HR 23 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6161
- HR 14 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4439
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2013:413