Art. 3:215 BW, Vruchtgebruik
1. Is bij de vestiging van een vruchtgebruik of daarna aan de vruchtgebruiker de bevoegdheid gegeven tot gehele of gedeeltelijke vervreemding en vertering van aan het vruchtgebruik onderworpen goederen, dan kan de hoofdgerechtigde bij het einde van het vruchtgebruik afgifte vorderen van de in vruchtgebruik gegeven goederen of hetgeen daarvoor in de plaats getreden is, voor zover de vruchtgebruiker of zijn rechtverkrijgenden niet bewijzen dat die goederen verteerd of door toeval tenietgegaan zijn.
2. Bij verlening van de bevoegdheid tot vervreemding en vertering kunnen een of meer personen worden aangewezen, wier toestemming voor de vervreemding en voor de vertering nodig is. Staat het vruchtgebruik onder bewind, dan zijn de vervreemding en de vertering van de medewerking van de bewindvoerder afhankelijk.
3. Is aan de vruchtgebruiker de bevoegdheid tot vervreemding en vertering verleend, dan mag hij de goederen ook voor gebruikelijke kleine geschenken bestemmen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Den Haag 6 februari 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:1065
- Conclusie A-G Rank-Berenschot 18 maart 2022, ECLI:NL:PHR:2022:260
- Hof Arnhem-Leeuwarden 1 mei 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:4125
- Rb. Zeeland-West-Brabant 19 april 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:2733
- Rb. Zwolle-Lelystad 25 april 2005, ECLI:NL:RBZLY:2005:AT4596
- Rb. Overijssel 5 juni 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:2983
- Rb. Midden-Nederland 22 oktober 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:5043
- Rb. Den Haag 24 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18375
- Rb. Amsterdam 29 april 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:2401
- Hof Den Haag 2 augustus 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2787
- Hof Arnhem-Leeuwarden 1 mei 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:4081
- Hof Arnhem-Leeuwarden 6 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2197
- Hof Arnhem-Leeuwarden 26 februari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ2834
- Hof Amsterdam 9 september 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2400