Art. 3:217 BW, Vruchtgebruik
Burgerlijk Wetboek Boek 3 (BW3)
1. De vruchtgebruiker is bevoegd de aan het vruchtgebruik onderworpen zaken te verhuren of te verpachten, voor zover bij de vestiging van het vruchtgebruik niet anders is bepaald.
2. Indien bij de vestiging van het vruchtgebruik een onroerende zaak niet verhuurd of verpacht was, kan de vruchtgebruiker niet verhuren of verpachten zonder toestemming van de hoofdgerechtigde of machtiging van de kantonrechter, tenzij de bevoegdheid daartoe hem bij de vestiging van het vruchtgebruik is toegekend.
3. Na het einde van het vruchtgebruik is de hoofdgerechtigde verplicht een bevoegdelijk aangegane huur of verpachting gestand te doen. Hij kan nochtans gestanddoening weigeren, voor zover zonder zijn toestemming hetzij de overeengekomen tijdsduur van de huur langer is dan met het plaatselijk gebruik overeenstemt of bedrijfsruimte in de zin van de zesde afdeling van titel 4 van Boek 7 is verhuurd voor een langere tijd dan vijf jaren, hetzij de verpachting is geschied voor een langere duur dan twaalf jaren voor hoeven en zes jaren voor los land, hetzij de verhuring of verpachting is geschied op ongewone, voor hem bezwarende voorwaarden.
4. De hoofdgerechtigde verliest de bevoegdheid gestanddoening te weigeren, wanneer de huurder of pachter hem een redelijke termijn heeft gesteld om zich omtrent de gestanddoening te verklaren en hij zich niet binnen deze termijn heeft uitgesproken.
5. Indien de hoofdgerechtigde volgens de vorige leden niet verplicht is tot gestanddoening van een door de vruchtgebruiker aangegane verhuring van woonruimte waarin de huurder bij het eindigen van het vruchtgebruik zijn hoofdverblijf heeft en waarop de artikelen 271 tot en met 277 van Boek 7 van toepassing zijn, moet hij de huurovereenkomst niettemin met de huurder voortzetten met dien verstande dat artikel 269 lid 2 van Boek 7, van overeenkomstige toepassing is.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9632
- Conclusie A-G Bakels 29 november 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE4553
- Rb. Midden-Nederland 5 april 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1394
- Hof Arnhem-Leeuwarden 9 augustus 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:6989
- Rb. Zeeland-West-Brabant 30 juni 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:4955
- Rb. Noord-Nederland 9 december 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:4391
- Rb. Limburg 26 juni 2013, ECLI:NL:RBLIM:2013:4790
- Rb. Gelderland 24 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11616
- Conclusie A-G Wissink 16 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:517
- Conclusie A-G Huydecoper 26 maart 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BK9632
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 1 september 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:99
- Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 7 november 2022, ECLI:NL:OGEAC:2022:302
- Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 17 december 2018, ECLI:NL:OGEAC:2018:308
- Hof Arnhem 7 oktober 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BG7066
- Hof Arnhem 29 mei 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BA6047
- Hof Amsterdam 26 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3012