Rb. Overijssel 5 juni 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:2983
Deze zaak gaat over twee nalatenschappen, over die van vader en die van moeder van eiseressen. Eiseressen beogen met hun vorderingen onder andere (meer) duidelijkheid te verkrijgen over de omvang en de samenstelling van het vermogen van hun vader dat hij heeft nagelaten, zodat tezijnertijd, bij overlijden van gedaagde, duidelijk is wat zij als opvolgend erfgenamen (‘verwachters’) in de nalatenschap van hun vader alsnog in ontvangst kunnen nemen en wat toebehoort aan het (afgescheiden) vermogen van gedaagde. Ook willen eiseressen dat, nu hun vader is overleden, hun (opeisbare) erfdeel in de nalatenschap van moeder wordt vastgesteld en wordt betaald door gedaagde. Gedaagde heeft zich verweerd tegen de vorderingen van eiseressen en heeft geconcludeerd tot afwijzing daarvan. De rechtbank zal een groot deel van de vorderingen van eiseressen toewijzen.
De uitspraak op rechtspraak.nl