Art. 3:214 BW, Vruchtgebruik
1. Tenzij bij de vestiging anders is bepaald, moeten gelden die tot het vruchtgebruik behoren, in overleg met de hoofdgerechtigde vruchtdragend belegd of in het belang van de overige aan het vruchtgebruik onderworpen goederen besteed worden.
2. In geval van geschil omtrent hetgeen ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde gelden dient te geschieden, beslist daaromtrent de persoon die bij de vestiging van het vruchtgebruik daartoe is aangewezen, of bij gebreke van een zodanige aanwijzing, de kantonrechter. Tegen een beschikking van de kantonrechter krachtens dit lid is geen hogere voorziening toegelaten.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Den Haag 6 februari 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:1065
- Rb. Zeeland-West-Brabant 2 april 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5525
- Rb. Zwolle-Lelystad 8 februari 2007, ECLI:NL:RBZLY:2007:AZ8206
- Rb. Midden-Nederland 22 oktober 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:5043
- Rb. Middelburg 7 oktober 2009, ECLI:NL:RBMID:2009:BK8855
- Conclusie A-G De Vries Lentsch-Kostense 5 oktober 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA6756
- Conclusie A-G Langemeijer 20 juni 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF7426
- Hof Arnhem-Leeuwarden 26 februari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ2834