Art. 8 IOAW, De voorwaarden voor het recht op uitkering
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW)
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder inkomen verstaan:
a. voor de werkloze werknemer en de echtgenoot: de som van het inkomen uit arbeid of overig inkomen van hemzelf en zijn echtgenoot;
b. voor de alleenstaande werkloze werknemer: zijn inkomen uit arbeid of overig inkomen.
2. In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid gedurende zes maanden tot 25 procent van dit inkomen, met een maximum van € 448,90 per maand, voor zover een uitkering wordt ontvangen en dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.
3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat wordt verstaan onder inkomen uit arbeid of overig inkomen als bedoeld in het eerste lid. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet, of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten.
4. Het bedrag, genoemd in het tweede lid, wordt gewijzigd met ingang van de dag waarop het in artikel 31, tweede lid, onderdeel n, van de Participatiewet genoemde bedrag wordt gewijzigd. Het gewijzigde bedrag, wordt, samen met de dag waarop de wijzigingen ingaan, door of namens Onze Minister medegedeeld in de Staatscourant.
5. In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid van een alleenstaande ouder tot 12,5 procent van dit inkomen, met een maximum van € 280,95 per maand, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden, voor zover hij een uitkering ontvangt, ingeval:
a. hij de volledige zorg heeft voor zijn kind tot 12 jaar,
b. de periode van zes maanden, bedoeld in het tweede lid, is verstreken, en
c. dit volgens het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.
6. Het bedrag, genoemd in het vijfde lid, wordt gewijzigd met ingang van de dag waarop het in artikel 31, tweede lid, onderdeel r, van de Participatiewet genoemde bedrag wordt gewijzigd. Het gewijzigde bedrag, wordt, samen met de dag waarop de wijzigingen ingaan, door of namens Onze Minister medegedeeld in de Staatscourant.
7. In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid van een persoon die medisch urenbeperkt is tot 15 procent van dit inkomen uit arbeid, met een maximum van € 285,20 per maand, voor zover hij een uitkering op grond van deze wet ontvangt, tenzij het tweede of vijfde lid van toepassing is.
8. Het bedrag, genoemd in het zevende lid, wordt gewijzigd met ingang van de dag waarop het in artikel 31, tweede lid, onderdeel y, van de Participatiewet genoemde bedrag wordt gewijzigd. Het gewijzigde bedrag, wordt, samen met de dag waarop de wijzigingen ingaan, door of namens Onze Minister medegedeeld in de Staatscourant.
9. In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid van een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie tot 15 procent van dit inkomen, met een maximum van € 285,20 per maand, gedurende een periode van twaalf maanden nadat de periode van zes maanden, bedoeld in het tweede lid, is verstreken, voor zover hij een uitkering op grond van deze wet ontvangt, tenzij het zevende lid van toepassing is.
10. In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid van een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie tot 15 procent van dit inkomen, met een maximum van € 285,20 per maand, nadat de periode van twaalf maanden, bedoeld in het negende lid, is verstreken, voor zover hij een uitkering op grond van deze wet ontvangt en het college gelet op de in de persoon gelegen omstandigheden een uitbreiding van zijn arbeidsomvang niet mogelijk acht.
11. De bedragen, genoemd in het negende en tiende lid, worden gewijzigd met ingang van de dag waarop de in artikel 31, tweede lid, onderdelen z en aa, van de Participatiewet genoemde bedragen worden gewijzigd. De gewijzigde bedragen worden, samen met de dag waarop de wijzigingen ingaan, door of namens Onze Minister medegedeeld in de Staatscourant.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CRvB 22 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4556
- CRvB 19 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1436
- CRvB 2 juni 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1157
- Rb. Rotterdam 18 augustus 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:6577
- CRvB 8 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:468
- CRvB 4 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2761
- Rb. Zeeland-West-Brabant 12 augustus 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4125
- Rb. Zeeland-West-Brabant 29 april 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:2195
- Rb. 's-Gravenhage 25 juli 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AU1172
- Rb. Rotterdam 14 oktober 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:9331
- Rb. Midden-Nederland 22 augustus 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:3981
- Rb. Gelderland 11 november 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:6996
- Rb. Den Haag 9 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17531
- Rb. Den Haag 12 augustus 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:10949
- Rb. Arnhem 16 september 2003, ECLI:NL:RBARN:2003:AK8190
- CRvB 22 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2047
- CRvB 25 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1456
- CRvB 5 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2443
- CRvB 28 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1908
- CRvB 23 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3205