CRvB 8 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:468
Verrekening inkomsten met NIOAW-uitkering. Toepasbaarheid van artikel 5, vijfde lid, IOAW. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het college dient te beoordelen of toepassing van artikel 5, vijfde lid, van de IOAW tot een voor appellante gunstiger resultaat zou leiden. Aan artikel 5, vijfde lid, van de IOAW ligt het uitgangpunt ten grondslag dat de IOAW-uitkering niet hoger moet worden vastgesteld dan de WW-uitkering waar de IOAW-uitkering een vervolg op is. Niet in geschil is dat de WW-uitkering die appellante in het verleden ontving hoger was dan de op appellante van toepassing zijnde grondslag die is vastgesteld op grond van artikel 5, vierde lid, van de IOAW. Gelet op artikel 4:2, aanhef en onder a, van het Inkomensbesluit heeft het college terecht het pensioen van NN toegerekend aan de periode waarin hierop recht bestaat. Dat appellante er zelf voor heeft gekozen om het pensioen van NN pas op een latere datum te laten ingaan, maakt dit niet anders. Er is geen sprake van een kennelijk onredelijk resultaat.
De uitspraak op rechtspraak.nl