CRvB 4 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2761
Uit de overwegingen volgt dat in de IOAW en het AIB geen grondslag bestaat voor het betrekken van inkomen waarover appellante redelijkerwijs kan beschikken, in dit geval in de vorm van te bedingen vergoedingen voor op geld waardeerbare activiteiten. Alleen inkomen uit arbeid en overig inkomen zoals bepaald in het AIB kunnen voor het bepalen van de hoogte van de IOAW-uitkering worden betrokken. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellante dergelijk inkomen heeft genoten. Appellante heeft verklaard dat zij voor haar huishoudelijke activiteiten, die zij beschouwde als vrijwilligerswerk en mantelzorg, geen financiële vergoeding heeft ontvangen. Het college heeft dit niet betwist en heeft ook geen nader onderzoek gedaan naar eventueel ontvangen financiële vergoedingen. Ook overigens is uit de gedingstukken niet gebleken van door appellante voor de activiteiten ontvangen financiële vergoedingen.
De uitspraak op rechtspraak.nl