Rb. Gelderland 11 november 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:6996
Toekenning van een uitkering op grond van de IOAW naar de norm voor gehuwden. Het bestreden besluit betreft een herziening van de beslissing op bezwaar waarbij de bezwaren van eiseres alsnog ongegrond zijn verklaard. In geschil is of het bestreden besluit in strijd is met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, of eiseres in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de IOAW naar de norm voor een alleenstaande en of de inkomsten van de echtgenoot van eiseres eventueel verrekend dienen te worden met de IOAW-uitkering van eiseres. De rechtbank oordeelt dat het beroep niet kan slagen voor zover het betrekking heeft op het vertrouwensbeginsel nu het oorspronkelijke besluit op bezwaar deels in strijd is met de wet, zoals verweerder zelf heeft geconstateerd, en dit zou leiden tot een (gedeeltelijke) contra legem toekenning van een IOAW-uitkering naar de norm voor een alleenstaande. De rechtbank oordeelt voorts dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de periode voor 1 juli 2013 (de datum van inwerkingtreding van sub f van artikel 6, eerste lid, van de IOAW) en de periode daarna. Voor de eerste periode geldt dat eiseres niet in aanmerking komt voor een uitkering naar de norm voor een alleenstaande nu de echtgenoot van eiseres in die periode niet was uitgesloten voor deze wet. Voor de tweede periode geldt dat eiseres voor haar recht op grond van de IOAW dient te worden aangemerkt als alleenstaande nu haar echtgenoot met ingang van 1 juli 2013 expliciet is uitgesloten van de IOAW omdat hij al in 2004 de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt en de tekst van een bepaling volgens de uitspraak van de CRvB van 24 februari 2012 dient te prevaleren boven de eventuele bedoeling van de wetgever. Ook oordeelt de rechtbank dat er geen gronden bestaan voor verrekening nu eiseres met ingang van 1 juli 2013 als alleenstaande dient te worden beschouwd en zijzelf overigens geen ander eigen inkomen verwerft.
De uitspraak op rechtspraak.nl