CRvB 5 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2443
Intrekking na opschorting, herziening en terugvordering IOAW-uitkering, oplegging boete. Gevraagde gegevens niet overgelegd. Werkzaamheden als snorder. - Appellant heeft de gevraagde bankafschriften niet overgelegd. Bankafschriften bevatten naar hun aard gegevens die van belang zijn voor de vaststelling van het recht op een IOAW-uitkering. Als deze, ook na een daartoe strekkend verzoek, niet worden overgelegd, kan het recht op IOAW-uitkering niet worden vastgesteld. Het college was daarom bevoegd de IOAW-uitkering in te trekken. - Appellant heeft verklaard werkzaamheden als snorder te hebben verricht. Dit betekent dat sprake is van overige werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.90 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Daarmee behoren de inkomsten hieruit tot het in artikel 2:2, eerste lid, aanhef en onder c, van het AIB gedefinieerde inkomen uit arbeid. Dergelijke inkomsten zijn van belang voor de vaststelling van de hoogte van de IOAW-uitkering. Door hiervan geen melding te maken bij verweerder, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de IOAW geschonden. Het college heeft de IOAW-uitkering terecht herzien en de te veel betaalde uitwerking terug te vorderen. - Het college heeft de boete vastgesteld op de maximale geldboete en is daarbij uitgegaan van een strafmaximum dat ten tijde van het opleggen van de boete gold. In het geval van appellant is echter sprake van een situatie waarin de overtreding een aanvang heeft genomen op 1 januari 2013 en is doorgelopen na 1 januari 2013. Dit betekent dat voor wat betreft de hoogte van de maximumboete aangesloten moet worden bij het maximumboetebedrag zoals dat op 1 januari 2013 gold. De boete moet worden bepaald op € 5.200,-.
De uitspraak op rechtspraak.nl