Art. 20 IOAW, Het geldend maken van het recht op uitkering
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW)
1. Het college kan de uitkering blijvend of tijdelijk weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 zou hebben kunnen verwerven, indien:
a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt;
b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd;
c. de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; of
d. de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.
2. Het college verlaagt de uitkering overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 35. onderdeel a, ter zake van het niet of onvoldoende nakomen door de belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, van een verplichting als bedoeld in artikel 13, tweede en vierde lid, of een op grond van hoofdstuk III aan de uitkering verbonden verplichting, anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdelen a en c, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen.
3. Van een weigering als bedoeld in het eerste lid en een verlaging als bedoeld in het tweede lid wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
4. Het niet voeren van verweer door de belanghebbende tegen of het instemmen van de belanghebbende met een beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek van de werkgever leidt niet tot het opleggen van een maatregel op grond van het eerste lid.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Conclusie A-G de Bock 17 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:698
- CRvB 22 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:209
- CRvB 12 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1761
- Rb. Zutphen 31 juli 2001, ECLI:NL:RBZUT:2001:AB3076
- Rb. 's-Gravenhage 13 maart 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6141
- Rb. Oost-Brabant 23 mei 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:2477
- Rb. Noord-Holland 18 januari 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:220
- Rb. Midden-Nederland 18 mei 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1933
- CRvB 22 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2047
- CRvB 28 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1908
- CRvB 4 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1272
- CRvB 31 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2079
- CRvB 12 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2704
- CRvB 18 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX7610
- CRvB 7 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX4027
- CRvB 29 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0064
- CRvB 19 juni 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AD4883