Art. 5a Uitv.besch. OB, Gemaakte uitgaven
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (Uitv.besch. OB)
1. Als gemaakte uitgaven voor het gebruik van een goed als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van de wet worden, met inachtneming van het gestelde in het tweede en derde lid, aangemerkt de kosten van de ondernemer, de omzetbelasting daaronder niet begrepen, in verband met: wanneer ter zake van de desbetreffende kosten recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van belasting is ontstaan en voor zover het goed wordt gebruikt in de zin van genoemde bepaling.
a. de verwerving of de vervaardiging van het goed;
b. het onderhoud, het herstel, de verbetering en de verbouwing van het goed;
c. het feitelijke gebruik van het goed;
2. Het bedrag van de voor een kalenderjaar in aanmerking te nemen kosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt gedeeld door 10 ingeval van een onroerende zaak, en gedeeld door 5 ingeval van een roerende zaak waarop de ondernemer afschrijft voor de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting of waarop hij zou kunnen afschrijven indien hij aan een zodanige belasting zou zijn onderworpen.
3. Het bedrag van de voor een kalenderjaar in aanmerking te nemen kosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt gesteld op het bedrag van die kosten in het kalenderjaar waarin de ondernemer de betreffende goederen of diensten gaat gebruiken.
4. De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde kosten voor de verwerving of de vervaardiging van een goed worden op nihil gesteld voor een onroerende zaak na afloop van het negende jaar volgende op dat waarin de ondernemer het goed is gaan gebruiken, en voor een roerende zaak na afloop van het vierde jaar volgende op dat waarin de ondernemer het goed is gaan gebruiken, indien het gaat om een roerende zaak waarop de ondernemer voor de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting afschrijft, of waarop hij zou kunnen afschrijven indien hij aan een zodanige belasting zou zijn onderworpen.
5. Voor goederen waarvoor de kosten in verband met de verwerving of de vervaardiging van het goed bij de verwerving of de vervaardiging lager zijn dan de vergoeding voor de levering van dat goed als bedoeld in artikel 8 van de wet, wordt voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, de vergoeding aangemerkt als de gemaakte kosten.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof Arnhem-Leeuwarden 28 november 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:10387
- HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:713
- Conclusie A-G IJzerman 8 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:88
- HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7168
- Rb. Gelderland 3 april 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:2198
- Rb. Gelderland 3 april 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:2197
- Rb. Breda 27 februari 2008, ECLI:NL:RBBRE:2008:BC8833
- Hof Arnhem-Leeuwarden 31 maart 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:2590
- Hof Arnhem-Leeuwarden 31 maart 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:2587
- Rb. Zeeland-West-Brabant 6 december 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:6702
- Rb. Noord-Nederland 28 juni 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:2463
- Rb. Haarlem 16 oktober 2009, ECLI:NL:RBHAA:2009:BL3187
- Rb. Gelderland 20 december 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:6866
- Rb. Gelderland 13 mei 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:3047
- Rb. Gelderland 3 april 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:2199
- Rb. Breda 9 december 2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BV1148
- Rb. Breda 13 april 2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ5690
- Conclusie A-G IJzerman 8 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:90
- Conclusie A-G IJzerman 8 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:89
- Conclusie A-G IJzerman 8 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:83