Art. 24 UW, Behandeling van het verzoek tot uitlevering
1. Dadelijk na de ontvangst van de in artikel 23 bedoelde vordering bepaalt de voorzitter van de rechtbank, zoveel mogelijk bij voorrang, het tijdstip waarop de opgeëiste persoon door de rechtbank zal worden gehoord. Hij kan daarbij diens medebrenging bevelen.
2. De griffier van de rechtbank doet onverwijld aan de officier van justitie en aan de opgeëiste persoon mededeling van het voor het verhoor bepaalde tijdstip. Die mededeling - alsmede, zo een bevel tot medebrenging is gegeven, een afschrift van dat bevel - wordt aan de opgeëiste persoon betekend.
3. In geval de opgeëiste persoon geen raadsman heeft, geeft de voorzitter aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand last tot aanwijzing van een raadsman.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 10 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6597
- HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:464
- Conclusie A-G Aben 17 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:153
- Conclusie A-G Spronken 11 oktober 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1139
- HR 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2694
- Conclusie A-G Hofstee 17 september 2019, ECLI:NL:PHR:2019:889
- HR 29 april 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9334
- Rb. Haarlem 5 augustus 2003, ECLI:NL:RBHAA:2003:AI0835
- Rb. Amsterdam 11 januari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:104
- Conclusie A-G Fokkens 6 december 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AU6362
- Conclusie A-G Vellinga 11 oktober 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AU2694