HR 29 april 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9334
Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Italiaanse nationaliteit) naar Italië t.z.v. medeplegen (poging tot) moord dan wel doodslag. 1. Verhoor van opgeëiste persoon, art. 25.1 Uitleveringswet. Is voldaan aan art. 308 Sv jo. 29 UW? 2. Heeft Rb zich bewogen buiten vordering OvJ door uitlevering ten dele toelaatbaar te verklaren? 3. Omschrijving feiten. Voldoende feitelijke opgave? Ad 1. Uit art. 24 tot en met 29 UW volgt dat met ‘’verhoor van opgeëiste persoon’’ bedoeld wordt onderzoek ter zitting omtrent toelaatbaarheid van gevraagde uitlevering. In p-v’s van zittingen wordt derhalve tot uitdrukking gebracht dat al hetgeen tijdens dat onderzoek is gesproken, medegedeeld of voorgelezen met betrekking tot toelaatbaarheid van gevraagde uitlevering door tolk is vertolkt. Ad 2. Rb heeft vastgesteld dat uitleveringsverzoek betrekking heeft op de in het bij uitleveringsverzoek gevoegde bevel tot gevangenneming omschreven feiten. Voorts heeft Rb vordering OvJ klaarblijkelijk opgevat als strekkende tot in behandeling nemen van dat uitleveringsverzoek in zijn geheel, hetgeen Rb ook geredelijk heeft kunnen doen, aangezien OvJ in die vordering verzoek tot uitlevering daarin als ‘’gezien’’ heeft vermeld en heeft ‘’gelet’’ op daarbij overgelegde stukken, waaronder bevel tot gevangenneming, alsmede op feiten welke in stukken zijn vermeld. Hieraan doet niet af dat OvJ o.g.v. in zijn vordering onverplicht gegeven rechtsbeschouwingen voor deel van in uitleveringsverzoek vermelde feiten ten onrechte uitlevering kennelijk niet toelaatbaar acht dan wel a.g.v. eerst tijdens onderzoek ter zitting geconstateerde (en toen gecorrigeerde) onjuistheid in Nederlandse vertaling van stukken in zijn vordering een der feiten waarvoor uitlevering gevraagd is, onjuist kwalificeert. Ad 3. Rb heeft omschrijving van hetgeen waarvan opgeëiste persoon wordt verdacht (na verbetering van vertaling daarvan) aldus verstaan, en heeft ook kunnen verstaan, dat dit naar Nederlands recht als medeplegen van moord, althans doodslag, onderscheidenlijk poging tot moord, althans poging tot doodslag, gekwalificeerd dient te worden. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en kan als van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid getoetst worden. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl