Art. 21 UW, Behandeling van het verzoek tot uitlevering
1. De officier van justitie die het verzoek tot uitlevering heeft ontvangen, kan de aanhouding van de opgeëiste persoon bevelen.
2. De opgeëiste persoon wiens aanhouding overeenkomstig het vorige lid is bevolen, wordt binnen vierentwintig uren na zijn aanhouding voor de officier van justitie of, bij diens afwezigheid, voor een hulpofficier van justitie geleid. Na verhoor door een hulpofficier wordt de aangehouden persoon zo spoedig mogelijk alsnog voor de officier van justitie geleid.
3. Na de opgeëiste persoon te hebben gehoord, kan de officier van justitie bevelen dat deze in verzekering gesteld zal blijven tot het tijdstip waarop de rechtbank over zijn gevangenhouding beslist.
4. Het bevel tot inverzekeringstelling kan te allen tijde zowel door de rechtbank als door de officier van justitie, ambtshalve of op verzoek van de opgeëiste persoon of diens raadsman, worden opgeheven.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Conclusie A-G Aben 3 juli 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW9987
- Rb. Amsterdam 3 augustus 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY0020
- Rb. Rotterdam 14 april 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:3102
- Rb. Overijssel 10 september 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:5481
- Rb. Noord-Holland 21 maart 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:2706
- Rb. Midden-Nederland 21 februari 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ3538
- Rb. Limburg 1 maart 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:1508
- Rb. Limburg 21 januari 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:499
- Rb. Den Haag 5 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18141
- Rb. Amsterdam 8 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3618
- Conclusie A-G Paridaens 27 augustus 2024, ECLI:NL:PHR:2024:825
- Conclusie A-G Aben 25 juni 2013, ECLI:NL:PHR:2013:674