Art. 46 Verordening (EU) 2024/1358, Samenwerking tussen de nationale toezichthoudende autoriteiten en de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming

Verordening (EU) 2024/1358

1. Overeenkomstig artikel 62 van Verordening (EU) 2018/1725 werken de nationale toezichthoudende autoriteiten en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, elk binnen hun respectieve bevoegdheden, actief samen en zorgen zij voor het gecoördineerde toezicht op Eurodac.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat een onafhankelijk orgaan elk jaar een audit van de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van rechtshandhaving verricht in overeenstemming met artikel 47, lid 1, met inbegrip van een analyse van een monster gemotiveerde elektronische verzoeken.

De bevindingen van deze audit worden gevoegd bij het in artikel 57, lid 8, bedoelde jaarverslag van de lidstaten.

3. De nationale toezichthoudende autoriteiten en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming wisselen, elk binnen hun respectieve bevoegdheden, relevante informatie uit, staan elkaar bij in de uitvoering van audits en inspecties, behandelen problemen bij de uitlegging of toepassing van deze verordening, buigen zich over problemen inzake de uitoefening van het onafhankelijk toezicht of bij de uitoefening van de rechten van betrokkenen, stellen geharmoniseerde voorstellen voor gemeenschappelijke oplossingen voor problemen op, en bevorderen de bewustwording over gegevensbeschermingsrechten, voor zover nodig.

4. Voor de toepassing van lid 3 komen de nationale toezichthoudende autoriteiten en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming elk jaar ten minste tweemaal bijeen in het kader van het Europees Comité voor gegevensbescherming. De kosten en de logistieke ondersteuning van de bijeenkomsten zijn voor rekening van het Europees Comité voor gegevensbescherming. Het reglement van orde voor de bijeenkomsten wordt tijdens de eerste dergelijke bijeenkomst vastgesteld. Indien nodig worden in onderling overleg verdere werkmethoden vastgesteld. Het Europees Comité voor gegevensbescherming zendt om de twee jaar een gezamenlijk activiteitenverslag toe aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie. Dat verslag bevat voor elke lidstaat een hoofdstuk dat door de nationale toezichthoudende autoriteit van de betrokken lidstaat wordt opgesteld.