Art. 7 Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61, Algemene voorschriften voor liquide activa

Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61

1. Om te worden beschouwd als liquide activa voldoen de activa van een kredietinstelling aan de leden 2 tot en met 6.

2. De activa zijn een eigendom, recht, aanspraak of belang gehouden door een kredietinstelling en zijn vrij van enige bezwaring. Een actief wordt als onbezwaard beschouwd wanneer de kredietinstelling niet op grond van wettelijke, contractuele, regelgevende of andere beperkingen wordt belet dit actief binnen de volgende dertig kalenderdagen te liquideren, te verkopen, over te dragen, toe te wijzen of anderszins af te stoten door middel van rechtstreekse verkoop of een repo-overeenkomst. De volgende activa worden geacht onbezwaard te zijn:

a) activa die zijn opgenomen in een pool en die beschikbaar zijn voor onmiddellijk gebruik als onderpand om aanvullende financiering te verkrijgen uit hoofde van gecommitteerde, maar nog niet gefinancierde kredietlijnen waarover de kredietinstelling kan beschikken. Dit omvat de activa die door een kredietinstelling bij de centrale instelling in een coöperatief netwerk of institutioneel protectiestelsel zijn geplaatst. Kredietinstellingen gaan ervan uit dat activa in de pool in toenemende volgorde van liquiditeit bezwaard zijn op basis van de liquiditeitsclassificatie van hoofdstuk 2, te beginnen met activa die niet in aanmerking komen voor opneming in de liquiditeitsbuffer;

b) activa die de kredietinstelling heeft ontvangen als onderpand voor kredietrisicolimitering middels omgekeerde retrocessietransacties of effectenfinancieringstransacties en waarover de kredietinstelling kan beschikken.

3. De activa zijn niet uitgegeven door de kredietinstelling zelf, door de moederonderneming, tenzij het om publiekrechtelijk lichaam gaat dat geen kredietinstelling is, een dochteronderneming of een andere dochteronderneming van de moederonderneming of een special purpose entity voor securitisatiedoeleinden waarmee de kredietinstelling nauwe banden heeft;

4. De activa zijn niet uitgegeven door een van de volgende entiteiten:

a) een andere kredietinstelling, tenzij de uitgevende instelling een publiekrechtelijk lichaam is als bedoeld in artikel 10, lid 1, onder c), en artikel 11, lid 1, onder a) en b), het actief een gedekte obligatie is als bedoeld in artikel 10, lid 1, onder f), en artikel 11, lid 1, onder c) en d), of het actief behoort tot de categorie als bedoeld in artikel 10, lid 1, onder e);

b) een beleggingsonderneming;

c) een verzekeringsonderneming;

d) een herverzekeringsonderneming;

e) een financiële holding;

f) een gemengde financiële holding;

g) een andere entiteit die een of meer van de activiteiten verricht als bedoeld in bijlage I bij Richtlijn 2013/36/EU. Voor de toepassing van dit artikel worden SSPE's geacht niet onder de in dit punt genoemde entiteiten te vallen.

5. De waarde van de activa kan worden bepaald op basis van ruim verspreide en gemakkelijk toegankelijke marktprijzen. Bij gebrek aan marktconforme prijzen moet de waarde van de activa kunnen worden bepaald op basis van een gemakkelijk toe te passen formule die openbaar beschikbare inputs gebruikt en niet sterk afhankelijk is van verregaande aannames.

6. De activa zijn genoteerd op een erkende beurs of kunnen worden verhandeld door middel van een actieve rechtstreekse verkoop of eenvoudige repotransactie op algemeen aanvaarde repomarkten. Deze criteria worden afzonderlijk beoordeeld voor elke markt. Een actief dat tot de handel is toegelaten op een georganiseerd platform dat geen erkende beurs is, in een lidstaat of in een derde land, wordt slechts als liquide beschouwd wanneer het handelsplatform voorziet in een actieve en omvangrijke markt voor rechtstreekse verkoop van activa. De kredietinstelling houdt rekening met de volgende minimumcriteria om te beoordelen of een handelsplatform voorziet in een actieve en omvangrijke markt voor de toepassing van dit lid:

a) historische bewijzen dat de markt breed en diep is, zoals kleine spreads tussen bied- en laatprijzen, een hoog handelsvolume en een groot en divers aantal marktdeelnemers;

b) de aanwezigheid van een robuuste marktinfrastructuur.

7. De voorschriften van de leden 5 en 6 zijn niet van toepassing op:

a) bankbiljetten en munten, als bedoeld in artikel 10, lid 1, onder a);

b) blootstellingen met betrekking tot centrale banken, als bedoeld in artikel 10, lid 1, onder b) en d), en artikel 11, lid 1, onder b);

c) de gecommitteerde liquiditeitsfaciliteit voor beperkt gebruik, als bedoeld in artikel 12, lid 1, onder d);

d) deposito's en andere financiële middelen in coöperatieve netwerken en institutionele protectiestelsels, als bedoeld in artikel 16.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen