Art. 15 Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61, Icb's
Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61
1. Aandelen of rechten van deelneming in icb's worden aangemerkt als liquide activa van hetzelfde niveau als de onderliggende liquide activa van de desbetreffende onderneming tot een absoluut bedrag van 500 miljoen EUR (of de tegenwaarde hiervan in de binnenlandse valuta) voor elke kredietinstelling, op individuele basis, mits:
a) voldaan is aan de voorschriften van artikel 132, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
b) de icb alleen belegt in liquide activa en derivaten en in het laatste geval alleen voor zover nodig ter beperking van het rente-, valuta- of kredietrisico van de portefeuille.
2. Kredietinstellingen passen de volgende minimale reductiefactoren toe op de waarde van hun aandelen of rechten van deelneming in icb's, afhankelijk van de categorie van de onderliggende liquide activa:
a) 0 % voor munten en bankbiljetten en blootstellingen met betrekking tot centrale banken als bedoeld in artikel 10, lid 1, onder b);
b) 5 % voor activa van niveau 1, met uitzondering van gedekte obligaties van uiterst hoge kwaliteit;
c) 12 % voor gedekte obligaties van uiterst hoge kwaliteit als bedoeld in artikel 10, lid 1, onder f);
d) 20 % voor activa van niveau 2A;
e) 30 % voor securitisaties van niveau 2B die worden gedekt door subcategorieën activa als bedoeld in artikel 13, lid 2, onder g), punten i), ii) en iv);
f) 35 % voor gedekte obligaties van niveau 2B als bedoeld in artikel 12, lid 1, onder e);
g) 40 % voor securitisaties van niveau 2B die worden gedekt door subcategorieën activa als bedoeld in artikel 13, lid 2, onder g), punten iii) en v);
h) 55 % voor bedrijfsschuldpapieren van niveau 2B, als bedoeld in artikel 12, lid 1, onder b), aandelen als bedoeld in artikel 12, lid 1, onder c), en niet-rentedragende activa als bedoeld in artikel 12, lid 1, onder f).
3. De benadering als bedoeld in lid 2 wordt als volgt toegepast:
a) indien de kredietinstelling op de hoogte is van de onderliggende blootstellingen van de icb, kan zij voor de onderliggende blootstellingen een doorkijkbenadering toepassen om de passende reductiefactor toe te kennen, in overeenstemming met lid 2;
b) indien de kredietinstelling niet op de hoogte is van de onderliggende blootstellingen van de icb, moet zij aannemen dat de icb, tot de op basis van haar mandaat toegestane maximumgrens, in stijgende volgorde in liquide activa belegt zoals deze gerangschikt zijn voor de toepassing van lid 2, beginnend met de in lid 2, onder g), bedoelde activa, totdat de maximale totale beleggingsgrens is bereikt. Dezelfde benadering wordt toegepast om het niveau van liquiditeit van de onderliggende activa te bepalen wanneer de kredietinstelling niet op de hoogte is van de onderliggende blootstellingen van de icb.
4. Kredietinstellingen ontwikkelen robuuste methoden en processen voor de berekening en de rapportage van de marktwaarde en reductiefactoren voor aandelen of rechten van deelneming in icb's. Wanneer de blootstelling voor een kredietinstelling niet voldoende materieel is om eigen methoden te ontwikkelen en op voorwaarde dat de bevoegde autoriteit telkens heeft vastgesteld dat aan deze voorwaarde is voldaan, kan een kredietinstelling voor de berekening en de rapportage van de reductiefactoren voor aandelen of rechten van deelneming in icb's uitsluitend een beroep doen op de volgende derden:
a) de effectenbewaarinstelling van de icb, op voorwaarde dat de icb uitsluitend in effecten belegt en al deze effecten bij de effectenbewaarinstelling in bewaring geeft; of
b) voor andere icb's, de icb-beheermaatschappij, op voorwaarde dat de icb-beheermaatschappij voldoet aan de in artikel 132, lid 3, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde criteria.
5. Wanneer een kredietinstelling niet voldoet aan de voorschriften van lid 4 van dit artikel met betrekking tot aandelen of rechten van deelneming in een icb, erkent zij deze niet langer als liquide activa voor de toepassing van deze verordening, overeenkomstig artikel 18.