Art. 13 Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61, Securitisaties van niveau 2B
Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61
1. Blootstellingen in de vorm van door activa gedekte effecten als bedoeld in artikel 12, lid 1, onder a), worden aangemerkt als securitisaties van niveau 2B wanneer zij voldoen aan de voorwaarden van de leden 2 tot en met 14.
2. De securitisatiepositie en de onderliggende blootstellingen voldoen aan alle onderstaande voorwaarden:
a) aan deze positie is door een aangewezen EKBI een kredietbeoordeling van ten minste kredietkwaliteitscategorie 1 toegekend overeenkomstig artikel 251 of 261 van Verordening (EU) nr. 575/2013, of een gelijkwaardige kredietkwaliteitscategorie in het geval van een kredietbeoordeling voor de korte termijn;
b) de positie bevindt zich in de tranche of tranches van de hoogste rang van de securitisatie die tijdens de looptijd van de transactie altijd de hoogste rangorde bezit. Voor de toepassing hiervan wordt een tranche geacht van de hoogste rang te zijn indien na de betekening van een sommatie tot nakoming en in voorkomend geval een sommatie tot vervroegde betaling de tranche ten opzichte van andere tranches van dezelfde securitisatietransactie of -regeling niet wordt achtergesteld ten aanzien van de ontvangst van betaling van hoofdsom en rente, zonder rekening te houden met bedragen die verschuldigd zijn krachtens rente- of valutaderivatencontracten, vergoedingen of andere soortgelijke betalingen overeenkomstig artikel 261 van Verordening (EU) nr. 575/2013;
c) de onderliggende blootstellingen zijn verworven door een SSPE als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 66, van Verordening (EU) nr. 575/2013 op een wijze die aan derden kan worden tegengeworpen, en bevinden zich buiten het bereik van de verkoper (initiator, sponsor of oorspronkelijke kredietverlener) en de crediteuren ervan, inclusief in geval van insolventie van de verkoper;
d) de overdracht van de onderliggende blootstellingen van de SSPE mag niet onderworpen zijn aan strenge terugvorderingsbepalingen in het rechtsgebied waar de verkoper (initiator, sponsor of oorspronkelijke kredietverlener) gevestigd is. Daartoe behoren, zonder daartoe te zijn beperkt, bepalingen krachtens welke de verkoop van de onderliggende blootstellingen door de vereffenaar van de verkoper (initiator, sponsor of oorspronkelijke kredietverlener) ongeldig kan worden gemaakt op basis van het enkele feit dat deze is gesloten binnen een bepaalde termijn voordat de verkoper insolvent is verklaard, of bepalingen waarbij de SSPE een dergelijke ongeldigmaking alleen kan voorkomen als zij kan aantonen dat zij bij de verkoop geen kennis had van de insolventie van de verkoper;
e) het beheer van de onderliggende blootstellingen is onderworpen aan een servicingovereenkomst die bepalingen inzake servicingcontinuïteit behelst om er ten minste voor te zorgen dat een wanbetaling of insolventie van de servicer niet in een beëindiging van de servicing resulteert;
f) de documentatie die de securitisatie regelt, omvat continuïteitsbepalingen om in voorkomend geval ten minste voor de vervanging van tegenpartijen bij derivaten en liquiditeitsverstrekkers te zorgen wanneer deze in gebreke blijven of insolvent worden;
g) de securitisatiepositie wordt gedekt door een pool van homogene onderliggende blootstellingen, die alle tot slechts één van de volgende subcategorieën behoren, of door een pool van homogene onderliggende blootstellingen die een combinatie zijn van woonkredieten als bedoeld in de punten i) en ii):
i) woonkredieten gedekt door een hypotheek van eerste rang verstrekt aan particulieren voor de aankoop van hun hoofdverblijf, mits aan een van de twee volgende voorwaarden is voldaan:
— de kredieten in de pool voldoen gemiddeld aan het leningbedrag-onderpandwaarderatiovereiste (LTV) als bedoeld in artikel 129, lid 1, onder d), i), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
— de nationale wet van de lidstaat waar de kredieten zijn geïnitieerd, voorziet in verband met het bedrag dat een debiteur bij een woonkrediet kan lenen, in een leningbedrag-inkomenratiolimiet, en deze lidstaat heeft de Commissie en Eiopa van deze wet in kennis gesteld. De leningbedrag-inkomenratiolimiet wordt berekend op basis van het brutojaarinkomen van de debiteur, rekening houdend met de fiscale verplichtingen en andere verbintenissen van de crediteur en het risico van rentewijzigingen tijdens de looptijd van het krediet. Voor elk woonkrediet in de pool bedraagt het percentage van het bruto-inkomen van de debiteur dat mag worden besteed aan de dienst op de lening, inclusief betalingen van rente, hoofdsom en kosten, niet meer dan 45 %;
ii) volledig gedekte woonkredieten als bedoeld in artikel 129, lid 1, onder e), van Verordening (EU) nr. 575/2013, mits de kredieten voldoen aan de zekerheidsstellingsvereisten als bedoeld in dat lid en gemiddeld voldoen aan het vereiste inzake leningbedrag-onderpandwaarderatio als bedoeld in punt i) van artikel 129, lid 1, onder d), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
iii) commerciële leningen, leases en kredietfaciliteiten aan in een lidstaat gevestigde ondernemingen om kapitaalkosten of bedrijfsactiviteiten behalve de verwerving of de ontwikkeling van commercieel vastgoed te financieren, mits bij de uitgifte van de securitisatie ten minste 80 % van de kredietnemers in de pool in termen van portefeuillesaldo kleine en middelgrote ondernemingen zijn, en geen van de kredietnemers een instelling is als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 3), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
iv) autoleningen en -leases aan kredietnemers of huurders die gevestigd of woonachtig zijn in een lidstaat. Voor de toepassing van dit punt omvatten deze leningen of leases ter financiering van motorvoertuigen of aanhangwagens als bedoeld in artikel 3, punten 11 en 12, van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, landbouw- of bosbouwtrekkers als bedoeld in Richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad, motorfietsen of driewielers als bedoeld in artikel 1, lid 2, onder b) en c), van Richtlijn 2002/24/EG van het Europees Parlement en de Raad, of rupsvoertuigen als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder c), van Richtlijn 2007/46/EG. Dergelijke leningen of leases kunnen accessoire verzekeringsproducten en diensten of aanvullende voertuigonderdelen en, bij leases, de restwaarde van leasevoertuigen omvatten. Alle leningen en leases in de pool zijn gedekt door een bezwaring of zekerheidsstelling van eerste rang van het voertuig of een passende waarborg ten gunste van de SSPE, zoals een clausule van voorbehoud van eigendomsrecht;
v) leningen en kredietfaciliteiten aan particulieren voor persoonlijke, familiale of huishoudelijke consumptieve doeleinden.
h) het gaat niet om een positie in een hersecuritisatie of een synthetische securitisatie als bedoeld in respectievelijk artikel 4, punt 63, en artikel 242, punt 11, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
i) de onderliggende blootstellingen omvatten geen verhandelbare financiële instrumenten of derivaten, behalve door de SSPE zelf of andere partijen binnen de securitisatiestructuur uitgegeven financiële instrumenten en derivaten die gebruikt worden om valutarisico en renterisico af te dekken;
j) bij de uitgifte van de securitisatie of bij de opname in de pool van onderliggende blootstellingen op enig tijdstip na de uitgifte bevatten de onderliggende securitisaties geen blootstellingen aan debiteuren met aangetaste kredietwaardigheid (of in voorkomend geval garantiegevers met aangetaste kredietwaardigheid), waarbij een debiteur met aangetaste kredietwaardigheid (of garantiegever met aangetaste kredietwaardigheid) een kredietnemer (of garantiegever) is:
i) die binnen drie jaar voor de datum van initiëring failliet is verklaard, met zijn crediteuren in een schuldkwijtschelding of schuldherschikking heeft toegestemd of ten aanzien van wie een rechtbank aan de crediteuren een recht van afdwinging van naleving van contract of van materiële schadevergoeding heeft toegekend als gevolg van wanbetaling;
ii) die op een officieel register van personen met een ongunstig kredietverleden staat;
iii) voor wie een kredietbeoordeling door een EKBI of een kredietwaardigheidsbepaling bestaat waaruit een significant risico blijkt dat vergeleken met de gemiddelde debiteur voor dit type van leningen in het betrokken rechtsgebied contractueel overeengekomen betalingen niet zullen worden verricht;
k) bij de uitgifte van de securitisatie of bij de opname in de pool van onderliggende blootstellingen op enig tijdstip na de uitgifte omvatten de onderliggende blootstellingen geen noodlijdende blootstellingen in de zin van artikel 178, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013.
3. De structuur van terugbetaling van de securitisatiepositie is niet van die aard dat de terugbetaling overwegend afhangt van de verkoop van activa die de onderliggende blootstellingen dekken. Deze bepaling belet echter niet dat dergelijke blootstellingen later worden doorgerold of geherfinancierd.
4. De structuur van de securitisatietransactie voldoet aan de volgende voorwaarden:
a) wanneer de securitisatie zonder doorroltermijn is opgezet of de doorroltermijn is geëindigd en indien een sommatie tot nakoming of een sommatie tot vervroegde betaling is betekend, worden van de onderliggende blootstellingen ontvangen hoofdsommen aan de houders van de securitisatieposities doorgegeven via opeenvolgende aflossing van de securitisatieposities en blijft op geen enkele betalingsdatum een substantieel bedrag aan contanten in de SSPE vastzitten;
b) wanneer de securitisatie met een doorroltermijn is opgezet, voorziet de transactiedocumentatie in passende gebeurtenissen voor vervroegde aflossing, die ten minste al het volgende omvatten:
i) een achteruitgang van de kredietkwaliteit van de onderliggende blootstellingen;
ii) een niet-genereren van voldoende nieuwe onderliggende blootstellingen van ten minste soortgelijke kredietkwaliteit;
iii) het intreden van een insolventiegerelateerde gebeurtenis met betrekking tot de initiator of de servicer.
5. Bij de uitgifte van de securitisatie hebben de kredietnemers (of in voorkomend geval de garantiegevers) ten minste één betaling gedaan, behalve indien de securitisatie gedekt is door kredietfaciliteiten als bedoeld in lid 2, onder g), v).
6. In het geval van securitisaties waarvan de onderliggende blootstellingen woonkredieten zijn als bedoeld in lid 2, onder g), punten i) en ii), omvat de pool van kredieten geen krediet dat is verhandeld en afgesloten op basis van de veronderstelling dat de kredietaanvrager of in voorkomend geval intermediairs ervan in kennis zijn gesteld dat de verstrekte informatie door de kredietverlener misschien niet zou worden gecontroleerd.
7. In het geval van securitisaties waarvan de onderliggende blootstellingen woonkredieten zijn als bedoeld in lid 2, onder g), punten i) en ii), voldoet de beoordeling van de kredietwaardigheid van de kredietnemer aan de voorwaarden van artikel 18, leden 1 tot en met 4, lid 5, onder a), en lid 6, van Richtlijn 2014/17/EU van het Europees Parlement en de Raad (7) of aan gelijkwaardige voorwaarden in derde landen.
8. In het geval van securitisaties waarvan de onderliggende blootstellingen autoleningen en -leases en consumentenleningen en kredietfaciliteiten zijn als bedoeld in lid 2, onder g), punten iv) en v), voldoet de beoordeling van de kredietwaardigheid van de kredietnemer aan de voorwaarden van artikel 8 van Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad (8).
9. Wanneer de initiator, de sponsor of de oorspronkelijke kredietverlener van de securitisatie in de Unie is gevestigd, voldoet deze aan de voorschriften van deel vijf van Verordening (EU) nr. 575/2013 en verstrekt deze overeenkomstig artikel 8 ter van Verordening (EG) nr. 1060/2009 informatie over de kredietkwaliteit en prestaties van de onderliggende blootstellingen, de structuur van de transactie, de kasstromen en alle zekerheden ter dekking van de blootstellingen alsook alle informatie waarover beleggers moeten kunnen beschikken om met kennis van zaken uitgebreide stresstests te verrichten. Wanneer de initiator, de sponsor of de oorspronkelijke kredietverlener buiten de Unie gevestigd zijn, worden, met inachtneming van de door marktdeelnemers algemeen aanvaarde standaarden, bij de uitgifte en op geregelde tijdstippen uitgebreide gegevens op leningniveau beschikbaar gesteld voor bestaande en potentiële beleggers en toezichthouders.
10. De onderliggende blootstellingen zijn niet geïnitieerd door de kredietinstelling die de securitisatiepositie in haar liquiditeitsbuffer aanhoudt, haar dochteronderneming, haar moederonderneming, een dochteronderneming van haar moederonderneming of een andere onderneming die nauw verbonden is met deze kredietinstelling.
11. De uitgiftewaarde van de tranche bedraagt ten minste 100 miljoen EUR (of de tegenwaarde daarvan in de binnenlandse valuta).
12. De resterende gewogen gemiddelde levensduur van de tranche is vijf jaar of minder en wordt berekend op basis van de aangenomen prijs bij vooruitbetaling van de transactie of, wanneer deze lager is, een constant tarief voor vooruitbetaling van 20 %, waarbij de kredietinstelling aanneemt dat de terugbetaling plaatsvindt op de eerste toegestane datum van vervroegde aflossing.
13. De initiator van de onderliggende blootstellingen van de securitisatie is een instelling als bedoeld in artikel 4, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 of een onderneming wier belangrijkste activiteit bestaat uit een of meer van de activiteiten als bedoeld in de punten 2 tot en met 12 en punt 15 van bijlage I bij Richtlijn 2013/36/EU.
14. Op de marktwaarde van securitisaties van niveau 2B worden de volgende minimale reductiefactoren toegepast:
a) 25 % voor securitisaties gedekt door de subcategorieën activa als bedoeld in lid 2, onder g), punten i), ii) en iv);
b) 35 % voor securitisaties gedekt door de subcategorieën activa als bedoeld in lid 2, onder g), punten iii) en v).