Art. 34 Verordening (EU) nr. 702/2014, Steun voor de preventie en het herstel van schade aan bossen als gevolg van bosbranden, natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, andere ongunstige weersomstandigheden, plantenplagen en rampzalige gebeurtenissen
1. Steun voor de preventie en het herstel van schade aan bossen als gevolg van bosbranden, natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, andere ongunstige weersomstandigheden, plantenplagen, rampzalige gebeurtenissen en met de klimaatverandering verband houdende gebeurtenissen op grond van artikel 24 van Verordening (EU) nr. 1305/2013, die aan particuliere en openbare bosbezitters en andere privaatrechtelijke en openbare instanties en verenigingen daarvan wordt verleend, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 2, onder (b), of, al naar gelang van het geval, artikel 107, lid 3, onder (c), van het Verdrag en is vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag indien hij voldoet aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in de leden 2 tot en met 12 van dit artikel en in hoofdstuk I.
2. De steun:
a) wordt in het kader van een plattelandsontwikkelingsprogramma overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1305/2013 en de krachtens die verordening door de Commissie vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen toegekend:
i) als steun die uit het Elfpo wordt gecofinancierd, of
ii) als aanvullende nationale financiering bij de onder (i) genoemde steun,
en
b) is identiek aan de onderliggende plattelandsontwikkelingsmaatregel in het plattelandsontwikkelingsprogramma als bedoeld onder (a).
3. In de rechtsgrondslag van de steun wordt vermeld dat de steun niet mag worden ingevoerd voordat de Commissie het betrokken plattelandsontwikkelingsprogramma heeft goedgekeurd.
4. Alleen bosgebieden die overeenkomstig het door de betrokken lidstaat opgestelde bosbeschermingsplan als gemiddeld tot zeer brandgevaarlijk worden aangemerkt, komen in aanmerking voor steun voor bosbrandpreventie.
5. De steun dekt de volgende in aanmerking komende kosten:
a) de aanleg van beschermingsinfrastructuur;
b) plaatselijke, kleinschalige activiteiten om branden of andere natuurlijke risico's te voorkomen, waaronder het inzetten van graasdieren;
c) de aanleg en verbetering van voorzieningen voor het monitoren van bosbranden, plagen en ziekten, en de installatie en verbetering van de betrokken communicatieapparatuur;
d) het herstel van het bosbouwpotentieel dat is beschadigd als gevolg van branden, natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, andere ongunstige weersomstandigheden, plantenplagen, rampzalige gebeurtenissen en met de klimaatverandering verband houdende gebeurtenissen.
6. De steun kan, in het geval van brandstroken, dienen voor de financiering van de onderhoudskosten daarvan.
7. Er wordt geen steun toegekend voor landbouwgerelateerde activiteiten op areaal waarvoor agromilieuverbintenissen gelden.
8. Bij herstel van het bosbouwpotentieel als bedoeld in lid 5, onder (d), mag slechts steun worden verleend als de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat formeel erkennen:
a) dat zich een brand, natuurramp, ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, andere ongunstige weersomstandigheden, plantenplaag, rampzalige gebeurtenis en of een met de klimaatverandering verband houdende gebeurtenis heeft/hebben voorgedaan, en
b) dat de onder (a), van dit lid bedoelde gebeurtenis, inclusief overeenkomstig Richtlijn 2000/29/EG genomen maatregelen om een plantenplaag uit te roeien of in te dammen, heeft geleid tot de vernietiging van ten minste 20 % van het betrokken bosbouwpotentieel.
9. In het geval van steun om schade aan bossen door plantenplagen te voorkomen, wordt het risico op een plantenplaag aangetoond aan de hand van wetenschappelijke gegevens en erkend door een wetenschappelijke overheidsinstantie.
De lijst van de soorten schadelijke organismen die een plantenplaag kunnen veroorzaken, wordt opgenomen in het plattelandsontwikkelingsprogramma van de betrokken lidstaat.
10. De gesteunde activiteiten of projecten moeten consistent zijn met het door de lidstaat opgestelde bosbeschermingsplan.
Voor begunstigden vanaf een bepaalde door de lidstaten vast te stellen omvang, is de steun afhankelijk van de overlegging van de toepasselijke gegevens van een bosbeheerplan of gelijkwaardig instrument dat in overeenstemming is met duurzaam bosbeheer, als omschreven door de tweede ministeriële conferentie over de bescherming van de bossen in Europa van 1993, waarin de preventiedoelstellingen zijn opgenomen.
Andere dan de in lid 5 bedoelde kosten die verband houden met de specifieke kenmerken van de bosbouwsector, kunnen worden beschouwd als in aanmerking komende kosten.
11. Er wordt geen steun toegekend voor inkomensverlies als gevolg van branden, natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, andere ongunstige weersomstandigheden, plantenplagen en rampzalige gebeurtenissen.
12. De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 100 % van de in aanmerking komende kosten.
De steun voor de in lid 5, onder (d), bedoelde in aanmerking komende kosten en de eventuele andere door de begunstigde ontvangen betalingen, waaronder betalingen op grond van andere nationale of uniale maatregelen of in het kader van een verzekeringspolis voor dezelfde in aanmerking komende kosten, mogen niet meer bedragen dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.